Out of this World
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch

VERHALEN

Finn Audenaert en Luc Vos - De wimpel

3/9/2025

0 Opmerkingen

 
Afbeelding
Iedereen wilde de wimpel. Er was geen man in het land die er niet ‘s nachts van droomde. Hoe het ooit was gekomen dat zo’n dun stuk textiel absolute macht vertegenwoordigde, was verloren gegaan in de mist der tijden. Alleen dit stond vast: wie de wimpel veroverde, kon zijn wil aan anderen opleggen.
De vraag was natuurlijk: hoe stal je de wimpel van zijn huidige bezitter, Leonhard de Beveler? Udo dacht het antwoord te weten: enkel een list bood uitkomst. Bruut geweld gebruiken, zo hadden de twaalf doden het afgelopen jaar uitgewezen, liep faliekant mis.
Udo sloeg geen dag over. Elke ochtend om klokslag zes uur strompelde hij door de kronkelende steegjes van Rothenburg ob der Tauber. Ondanks de pijn maakte hij met opzet een omweg; de leerlooierij waar hij aan de slag was lag helaas een heel eind uit de buurt. Op de toren van het Topplerschlösschen wapperde de blauw-wit-geblokte wimpel. Udo’s ogen volgden de snelle bewegingen van de gouden cirkel midden op de wimpel. O, hij zag de bergen goud al voor zich. Als iedereen hem gehoorzaamde, zou zijn rijkdom oneindig zijn. Dat zou zijn stadsgenoten leren – vernederd hadden ze hem in zijn jeugd, niet meer of min. De pijn vlamde door zijn been toen hij terugdacht aan de dag dat de andere jongens hem tegen de kar hadden geduwd. De karrendrijver had nog geprobeerd zijn paard te laten stoppen, maar het onheil was geschied. Udo ging sinds die dag als een kreupele door het leven, al was “gaan” wellicht niet het passende woord.
Het werk in de leerlooierij was hard, zeker voor iemand als Udo. Hij was wat men een vlezer noemde. Dierenhuiden werden onthaard, gesmart en gebroeid voordat ze bij hem terechtkwamen. Op de binnenkant van de huiden zaten nog grote stukken vlees. Udo moest de huiden op een bolle stenen tafel leggen en er het vlees afsnijden. Hiervoor moest hij de hele tijd rechtop staan. De tafel was hoog. Hij kon weliswaar zitten, maar dan kon hij niet voldoende kracht zetten op het mes. Naast het werk zelf vermoeiden ook de anderen in de leerlooierij hem. Zo ging het al zijn hele leven: niemand behandelde hem zoals het hoorde. Hij werd beschimpt vanwege zijn gebrek en belogen, omdat mensen dachten dat wie kromliep, ook wel dom moest zijn. Dikwijls doorzag Udo het bedrog, maar hun pogingen stompten hem af. Steeds weer raakte hij in mensen teleurgesteld.
Dus had hij alleen nog oog voor de wimpel. Die zou zijn leven veranderen. Al meer dan een jaar trof Udo voorbereidingen voor zijn diefstal. Vandaag was dan eindelijk de dag aangebroken. Vanzelfsprekend zou hij niet naar de leerlooierij gaan. Als hij de wimpel kon bemachtigen, zou de hele stad zijn bevelen uitvoeren. Waarom zou hij dan nog werken voor de kost? Zijn eerste bevel zou trouwens de leerlooierij gelden: iedereen moest eruit, behalve misschien Inneke. Zij was een vriendelijke meid, die altijd een goed woord voor hem overhad. Wie weet bevorderde hij haar tot bazin. Daar zouden zijn stadsgenoten van opkijken: een vrouw aan de macht! Maar de echte macht zou natuurlijk bij Udo liggen. Hij moest maar eens aan de slag gaan, nu …
 
#
 
Udo kijkt door een kier van de schuur waar hij al een jaar elke nacht naartoe trekt. Alles is rustig buiten. Hij heeft de goede buurt gekozen om zijn werk te plannen. Hier komt niet veel volk. Het is er vuil en zij die hier komen, praten liefst met niemand. Ze willen enkel met rust worden gelaten.
Tevreden loopt hij terug naar zijn werkbank in het midden van de ruimte. Het was niet gemakkelijk om al het materiaal te verzamelen dat hij nodig had, maar het was gelukt. Met een warm gevoel in zijn borst kijkt hij naar het voorwerp voor zich. ‘Dit zal alles mogelijk maken.’ Trots warmt hem verder op.
‘Nee, niet te snel, het is nog niet gelukt. Het kan nog mis …’
Hij drukt de twijfel weg en legt zijn hand op het voorwerp dat alles zal veranderen. Het goede gevoel in zijn borst neemt af als hij terugdenkt aan hoe iedereen met hem lachte telkens hij haren van de vloer bij elkaar schraapte en in zijn broekzak stak.
‘Wat ga je daarmee doen?’ riep Hans, de voorman. ‘Ga je die in de plaats van die vettige slierten op jouw lelijke kop hangen?’
Hij had de opmerkingen genegeerd en enkel gedacht aan wat hij ermee zou kunnen bereiken. Iets wat geen van de domme mannen en vrouwen die hier werkten zouden kunnen.
‘Het ziet er mooi uit,’ fluistert hij.
Voorzichtig, haast eerbiedig, vouwt hij het bij elkaar, steekt het in een zak die hij op dezelfde manier heeft ontworpen en maakt deze zorgvuldig en grondig dicht. Er waren veel haren voor nodig, maar hij had geduld. En het oude spinnenwiel dat hij per toeval vond in deze verlaten werkplek. Ooit de thuis van een wever, verlaten toen de man was gestorven. Achtergelaten en niemand die zin had om in deze buurt het werk over te nemen. Zinloos ook, sinds Leonhard de Beveler de belastingen zo had verhoogd. Enkel leer looien was nog een beetje rendabel. Hij had het geld nodig voor de zadels voor zijn paarden en de kleding van zijn soldaten. Geen gewone burger kon het kopen, maar ook dat zou veranderen als Udo aan de macht was.
‘Ik gooi alle rijken en slechte mensen in de kerker en de gewone mensen worden de baas,’ zegt hij zacht. ‘En ik word de opperbaas.’
Hij glundert, controleert of hij alles heeft en loert opnieuw door de kier in de muur. De straat is nog altijd leeg, zachtjes duwt hij de deur open. Een nieuwe snelle blik op de straat, ze ligt er verlaten bij.
‘Snel,’ fluistert hij bij zichzelf.
Het afgelegen zijn van deze plek heeft zijn voordelen, tegelijk is het hier gevaarlijk en hij mag geen bandieten tegenkomen. Niet vandaag. Niet met deze zak om zijn schouder, niet nu hij er bijna is.
Met slepende stappen loopt hij de straat uit, haalt opgelucht adem als hij de markt bereikt, waar het drukker is. Maar net zoals in de looierij bekijkt niemand hem hier. Zijn mankende beweging en zijn gebogen rug zorgen ervoor dat mensen in een boog om hem heen lopen. Iets waar hij niet boos om is vandaag.
Hij probeert sneller te gaan, tracht de pijn in zijn been te negeren, maar tot zijn woede moet hij vertragen. Hij hijgt, zweet parelt op zijn voorhoofd, maar hij moet verder. Een snelle blik op de grote klok op de toren, hij heeft maar vijftien minuten meer en dan zal zijn kans zijn verkeken.
‘Komaan, Udo!’ Hij sluit zijn ogen twee tellen. ‘Doe het voor Ineke.’ Zijn borst warmt weer op. ‘Misschien wil ze jou ook wel op een andere manier als het lukt.’
Hij is er pas onlangs achter gekomen dat hij best wel wat meer kan voelen voor deze jonge vrouw die nog alleen is. Voelt zij dat ook? Is het daarom dat ze zo lief voor hem is? Hij weet het niet, maar hij heeft slechts één kans om dat uit te zoeken.
‘Voortmaken!’
Hij strompelt verder door de straten tot hij het Topplerschlösschen bereikt en met open mond naar de wimpel kijkt.
‘Straks ben je van mij,’ fluistert hij bijna onhoorbaar. Hij kijkt om zich heen, niemand is in de buurt, niemand die hem gehoord kan hebben.
Hij zakt tegen de muur, kijkt op de klok en stelt tevreden vast dat hij nog vijf minuten heeft. Tijd om zijn ademhaling tot rust te laten komen.
Aan de horizon is de zon helemaal verdwenen en het duister zoekt snel zijn weg door de smalle straten van de stad. Straten die ook hier leeg beginnen te lopen. Ook al is dit een betere buurt dan waar Udo zijn voorbereidingen heeft getroffen, heer Leonhard heeft sinds hij aan de macht is geen aandacht meer gehad voor de veiligheid van zijn mensen. Hij denkt enkel aan zichzelf en trekt zich niets aan van het gespuis dat hun kans heeft geroken en uit alle naburige streken naar hier is gekomen om de nacht op te eisen.
Nog iets wat Udo zou aanpakken als hij …
‘Straks.’
Hij wacht geduldig, tot de grote poort zoals elke dag om acht uur opent. Het uur dat de heer naar zijn favoriete minnares rijdt, om daar een uur of twee te blijven en dan naar zijn kasteel terug te keren, waar hij andere minnaressen zal ontvangen. Een publiek geheim.
De poort kraakt, de scharnieren knarsen, licht wankelend komt Udo overeind. Zijn ademhaling versnelt, hij probeert rustig te blijven, maar een spanning die hij nooit eerder voelde waart door zijn lijf. Zijn gezichtsveld vernauwt, hij ziet enkel nog de langzaam openende poort en de heer, begeleid door vier lijfwachten, die naar buiten komt. Hij wandelt, geruchten gaan dat hij tegenwoordig bang is van paarden, maar het maakt niet uit. Dit is zoals Udo het wil.
De poort is helemaal open, het gezelschap van vijf heeft de veilige bescherming van de burcht verlaten en stapt het plein op. De lijfwachten speuren de omgeving onafgebroken af, Udo gniffelt inwendig als hij – zoals verwacht – merkt dat ze de strompelende man die langzaam dichterbij komt niet lijken te zien.
‘Heer Leonhard,’ zegt hij met luide stem als hij tot op drie meter van de colonne is genaderd.
De lijfwachten schrikken op, alsof ze hem nu pas zien. De groep komt tot stilstand. Hun lansen gaan omhoog, zakken weer als ze de gestalte zien, schijnbaar ongewapend, enkel een zak van dierenhuid over zijn schouder.
‘Weg!’ roepen ze en maken aanstalten om verder te gaan, maar Udo herhaalt zijn kreet. Luider dit keer. Weer stoppen ze, de lansen gaan nu echt omhoog en worden op hem gericht.
‘Ik heb levensbelangrijk nieuws voor u!’ roept hij. ‘Iets wat uw toekomst kan veranderen.’
Heer Leonhard stopt. Verveeld kijkt hij Udo aan, afkeer is zichtbaar op zijn gezicht.
‘Wat voor onzin vertel jij? Wie ben jij? Wil jij de wimpel stelen?’
‘Dat is al gebeurd, heer Leonhard,’ zegt Udo met vastberaden stem.
De verveelde blik verdwijnt van het gezicht van de heer. ‘Wat?’ Met een ruk keert hij zich naar de toren, waar de wimpel wappert in de wind. ‘Dat kan niet! Hij hangt er nog!’
Udo schudt zijn hoofd, drukt op de zak over zijn schouder. ‘Namaak, heer Leonhard.’ Hij tikt opnieuw op de zak. ‘Dit is de echte. Ik heb die gevonden.’ Hij wijst naar de toren. ‘Die is niet echt.’
‘Haal de wimpel naar beneden! Nu!’ roept Leonhard.
De lijfwachten kijken elkaar aarzelend aan, een herhaalde snauw van hun baas verbreekt de verlamming. Twee van hen lopen naar binnen, enkele minuten later verschijnen ze hijgend in de top van de toren, waar ze uit het raam klauteren en de wimpel losmaken. Nog een paar minuten duurt het voor ze beneden zijn en de wimpel aan hun heer overhandigen. Hij bekijkt het voorwerp, voelt eraan, ruikt, wendt zich met een ruk naar Udo.
‘Waarom denk je dat dit niet echt is? Waar is de echte? Geef hier.’
Udo gaat achteruit, houdt zijn hand stevig op de zak. ‘Dat kan ik niet doen,’ roept hij. ‘Ik heb die eerlijk gevonden.’
‘Dief!’ brult heer Leonhard.
Udo zet nog een stap achteruit, de aanwezigheid van het meest waardevolle voorwerp van het land in zijn eigendom lijkt de wachters ontzag in te boezemen. Ze richten hun lansen, maar houden een veilige afstand. Verwarde blikken worden uitgewisseld.
‘Ik heb de wimpel niet gestolen, maar gevonden.’ Hij kijkt heer Leonhard uitdagend aan. ‘Ik denk toch dat u weet wat dat betekent?’
De heer heeft de wimpel in handen, drukt de stof in elkaar. Udo kijkt ernaar, probeert kalm te blijven.
Bijna, zegt hij meerdere keren in zijn hoofd.
‘Nee! Dat kan niet. Niet iemand zoals jij! Dat is onmogelijk!’ Hij slaat de wimpel over zijn schouder, komt dichter naar Udo. ‘Een kreupele zoals jij kan dit land niet leiden. Dat is onmogelijk. Geef die wimpel hier of ik vermoord jou!’
Udo zet nog een stap achteruit, houdt de zak stevig vast, loert zonder knipperen naar de man en de wimpel in zijn handen.
‘Nu!’ roept Leonhard. ‘Ik wil mijn eigendom terug of ik vermoord jou.’
‘De eigenaar van de wimpel vermoorden kan niet, heer Leonhard,’ zegt Udo zacht. ‘Hij is de baas. Dat weet u toch?’ Hij glimlacht. ‘Of dat wist u …’
Het besef dat het prinselijke leven waar Leonhard van genoot sinds hij de wimpel in zijn bezit had gekregen op zijn einde loopt, dringt plots zichtbaar hard tot hem door. Lange tijd blijft hij onbeweeglijk staan. Zijn gezicht doorloopt een heel scala aan kleuren. Van lijkbleek over roze naar rood en terug. Zijn ademhaling gaat snel, stopt een hele tijd, hervat dan met een reutel die aangeeft dat hij bijna dood is.
Hij is echter niet dood, woede over wat er aan het gebeuren is, breekt plots door.
‘Genoeg!’ brult hij, nadat zijn gezicht weer op een piek van rood is beland en zijn ademhaling ongezond snel gaat. ‘Die wimpel is van mij en ik wil hem terug.’
Hij springt naar voren, Udo wacht heel even, alsof hij verrast is door de aanval. Hij gaat achteruit, struikelt en blijft op de grond liggen. De tas ligt naast hem, hij klauwt ernaar, probeert ze nogmaals vast te pakken, maar kan niet voorkomen dat Leonhard ze vastgrijpt. Hij onderdrukt een glimlach, spartelt als hij zich verwijdert van de man die de zak als een wilde in zijn handen neemt en ze probeert open te krijgen. Zijn been doet pijn, maar het is slechts een onbelangrijk kloppen op de achtergrond. Nog iets waar hij echte dokters naar zal laten kijken als …
Hij kruipt verder weg van heer Leonhard, in de richting van de lijfwachten die het hele gebeuren met verbazing aanschouwen.
‘Van mij!’ mompelt heer Leonhard onafgebroken terwijl hij aan alle kanten van de zak blijft rukken en sleuren.
Udo is recht gaan staan en loopt nog wat verder weg. Hij glimlacht als hij vaststelt dat hij goed werk heeft geleverd met het dichtnaaien van de zak. Van stevig leder, afval dat hij heeft gestolen in de looierij. In kleine stukjes, weggegooid als onbruikbaar, maar niet voor hem. De eindjes stevige draad die ook overal op de grond te vinden waren in de looierij waren voldoende om opnieuw een lang touw te maken. Sterk genoeg om de zak dicht te maken, moeilijk te openen voor graaiende en trillende handen.
‘Rotding! Maak dit open!’ roept heer Leonhard plots en gebaart dat de lijfwachten dichterbij moeten komen.
Aarzeling is nog steeds zichtbaar op hun gelaat, onzekerheid over wie nu hun meester is, blijft aanwezig, maar de gewoonte overwint. Ze gaan naar hem toe en proberen de zak te openen met een mes. Ook dat kost veel moeite, want Udo heeft de draden met driedubbele draad omwonden om ze extra sterk te maken, iets wat Inneke hem heeft geleerd. Ze dachten allemaal dat hij dom was, dat hij niet hoorde wat ze aan het doen waren of hij het niet zou kunnen, maar hij is er zeker van dat hij intussen beter leer kan looien en kleren kan naaien dan die hele bende smeerlappen bij elkaar. Maar het zal niet meer nodig zijn, want als zijn plan slaagt, zullen zij kleren moeten maken voor hem.
Hij gunt zichzelf een korte glimlach en gaat nog een paar stappen opzij.
Bijna, vliegt opnieuw door zijn hoofd.
Hij wacht en gromt tevreden als de zak eindelijk wordt geopend en heer Leonhard erin graait. Zweet parelt op zijn voorhoofd, zijn lange haren zijn nat en plakken tegen zijn schedel. Zijn ogen worden groot als hij het voorwerp uit de zak haalt. Het valt op de grond, spreidt zich uit in zijn volle vorm. Een wimpel, gevuld met blokken, ligt voor hem. Witte blokken, zoals op de wimpel op de toren. De andere blokken zijn niet goed zichtbaar in het duister, maar het is duidelijk dat ze donkerder zijn dan die op de neergehaalde wimpel. Ook de cirkel in het midden is anders.
Een mengeling van woede en afkeer vliegt over Leonhards gezicht. Hij buigt voorover, zijn hand strekt zich uit, blijft hangen op een paar centimeter boven de cirkel. Deze is niet eenkleurig, maar is een mix van donker, bruin en wit. Hij is ook dikker. Een gegeven dat de laatste twijfel lijkt te verjagen.
Alle lijfwachten zijn dichterbij gekomen, kijken met grote ogen naar de wimpel. Een van hen reikt naar voren, alsof hij eraan wil voelen, een mep van Leonhard jaagt hem terug. Udo’s glimlach wordt groter, hij zet nog een paar stappen opzij.
Leonhard valt op zijn knieën en strekt zijn hand nogmaals uit. Hij voelt, op één plek, dan op een andere. Hij kokhalst, slikt enkele keren, voelt opnieuw. Hij buigt met een ruk opzij, zijn avondmaal landt dampend net naast de wimpel.
‘Is dat vlees! En dierenhaar?’
Met een wilde beweging kijkt hij opzij, zijn ogen spuwen vuur als hij Udo aankijkt. ‘Deze is niet echt! Deze is vals! Vals! Bedrieger! De wimpel is niet gestolen! Deze is vals! Vals!’
Udo’s gezicht is een grote glimlach. ‘En deze is echt.’ Hij buigt en grijpt de wimpel die Leonhard had weggeworpen toen hij zijn tas had afgepakt. ‘En deze is nu van mij!’
Hij drukt de wimpel dicht tegen zich aan.
‘Dank u,’ zegt hij en zet twee stappen achteruit.
‘Huh, wat … wat!’ Leonhard springt overeind, wankelt en valt bijna terug, maar slaagt er toch in om overeind te blijven. Zijn hand trilt hevig als hij naar Udo wijst. ‘Grijp hem!’ roept hij.
‘Ik denk het niet!’ roept Udo.
Verward kijken de wachters naar elkaar en naar Udo.
‘Grijp hem!’ krijst Leonhard. Zijn ademhaling gaat weer snel. De donkerrode kleur in zijn gezicht is nog intenser geworden.
‘Nee!’ zegt Udo. ‘Ik ben de baas nu! De wimpel is van mij. Zo is de wet!’
Leonhard zet enkele stappen naar voren, twee van de lijfwachten gaan voor hem staan en blokkeren de weg. Niet begrijpend schudt Leonhard zijn hoofd, zijn handen wapperen snel, speeksel vliegt uit zijn mond. ‘Grijp hem! Pak de wimpel terug!’ krijst hij opnieuw, nog steeds aarzelen de wachters.
Udo gebaart naar hen en wijst naar de wimpel tegen zijn borst. ‘Gooi hem eruit,’ zegt Udo zacht en wuift met zijn hand naar Leonhard alsof hij niemand is.
Nog heel even aarzelen de wachters, dan verschijnt een glimlach om hun mond, alsof ze blij zijn dat ze van hun oude meester zijn verlost. Ze grijpen de krijsende en speeksel spuwende man onder zijn armen en dragen hem naar de rand van het plein. Enkele omstanders zijn voorzichtig dichterbij gekomen en kijken met grote ogen naar het gebeuren. Fluisterende stemmen vertellen elkaar dat er een nieuwe leider lijkt te zijn. Verbazing klinkt door in hun woorden dat het een kreupele man zou zijn. Een kreupele! Udo hoort het en glimlacht.
Mijn beurt, denkt hij.
‘Dank je,’ zegt Udo tegen de bewakers en keert zich om in de richting van de poort van het kasteel. ‘Ik heb honger. Kan iemand mij wat lekkers maken daar?’ Hij stopt, drukt de wimpel tegen zijn borst. ‘En laat iemand Inneke van de looierij halen. Vraag haar of ze mij wil vergezellen bij het avondmaal.’
Een lijfwacht vertrekt, een tweede kijkt Udo onzeker aan. Hij wijst naar de toren. ‘Moet de vlag terug worden gehangen, heer Udo?’
Deze glimlacht en schudt zijn hoofd. ‘Om morgen weer te worden gestolen?’ Hij wappert met zijn wijsvinger. ‘De wimpel blijft bij mij.’ Zijn hoofd gaat omhoog, hij recht zijn rug. ‘Die krijgt een bijzondere plek bij mij.’ 
0 Opmerkingen

Je opmerking wordt geplaatst nadat deze is goedgekeurd.


Laat een antwoord achter.

    Inhoudstafel fictie
    Oproep verhalen
    AI-gegenereerde fictie
Powered by Maak je eigen unieke website met aanpasbare sjablonen.
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch