Out of this World
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch

VERHALEN

Finn Audenaert en Pierrette COffrée - De wimpel

24/3/2026

0 Opmerkingen

 
Iedereen wilde de wimpel. Er was geen man in het land die er niet ‘s nachts van droomde. Hoe het ooit gekomen was dat zo’n dun stuk textiel absolute macht vertegenwoordigde, was verloren gegaan in de mist der tijden. Alleen dit stond vast: wie de wimpel veroverde, legde zijn wil aan anderen op.
De vraag was natuurlijk: hoe stal je de wimpel van zijn huidige bezitter, Leonhard de Beveler? Udo meende het antwoord te weten: enkel een list bood uitkomst. Bruut geweld gebruiken, zo hadden de twaalf doden van het afgelopen jaar uitgewezen, liep faliekant mis.
Udo sloeg geen dag over. Elke ochtend, klokslag zes uur, strompelde hij door de kronkelende steegjes van Rothenburg ob der Tauber. Ondanks de pijn in zijn been maakte hij met opzet een omweg, want de leerlooierij waar hij werkte lag een heel eind uit de buurt. Op de toren van het Topplerschlösschen wapperde de blauw-wit-geblokte wimpel. Udo’s ogen volgden de snelle bewegingen van de gouden cirkel midden op de wimpel. O, hij zag de bergen goud al voor zich. Als iedereen hem gehoorzaamde, zou zijn rijkdom oneindig zijn. Dat zou zijn stadsgenoten leren – vernederd hadden ze hem in zijn jeugd, niet meer of min. De pijn vlamde door zijn been toen hij dacht aan de dag dat de andere jongens hem tegen de kar hadden geduwd. De karrendrijver had nog geprobeerd zijn paard te laten stoppen, maar het onheil was al geschied. Udo ging vanaf die dag als een kreupele door het leven, al was “gaan” wellicht niet het passende woord.
Het werk in de leerlooierij was zwaar, zeker voor iemand als Udo. Hij was wat men een vlezer noemde. Dierenhuiden werden onthaard, gesmart en gebroeid voordat ze bij hem terechtkwamen. Op de binnenkant van de huiden zaten nog grote stukken vlees. Udo moest de huiden op een bolle stenen tafel leggen en er het vlees afsnijden. Hiervoor moest hij de hele tijd rechtop staan. De tafel was hoog. Hij kon weliswaar gaan zitten, maar dan miste hij de kracht om op het mes te drukken. Niet alleen het werk zelf, maar ook de anderen in de leerlooierij vermoeiden hem. Zo ging het al zijn hele leven: niemand behandelde hem zoals het hoorde. Men beschimpte hem om zijn gebrek. Hij werd belogen omdat mensen dachten dat wie krom liep, ook wel dom moest zijn. Vaak doorzag Udo het bedrog, maar hun pogingen stompten hem af. Steeds weer raakte hij in mensen teleurgesteld.
Dus had hij alleen nog oog voor de wimpel. Die moest zijn leven veranderen. Al meer dan een jaar trof Udo voorbereidingen voor zijn diefstal. Vandaag was eindelijk de dag aangebroken. Vanzelfsprekend zou hij niet naar de leerlooierij gaan. Als hij de wimpel bemachtigde, zou de hele stad zijn bevelen uitvoeren. Waarom zou hij dan nog werken voor de kost? Zijn eerste bevel zou trouwens de leerlooierij gelden: iedereen moest eruit, behalve misschien Inneke. Zij was een vriendelijke meid die altijd een goed woord voor hem overhad. Wie weet zou hij haar tot bazin bevorderen. Daar zouden zijn stadsgenoten van opkijken: een vrouw aan de macht! Maar de ware macht zou natuurlijk bij Udo liggen. Hij moest maar eens aan de slag gaan, nu …
 
#
 
 
Udo piste op het halfgelooide vel dat voor zijn voeten lag. ‘Beveler van mijn kloten, kon ik maar pissen op je kaalkop,’ mompelde hij. Na enig nadenken had hij besloten toch naar de looierij te gaan. De warme straal besprenkelde de taaie koeienhuid en trok langzaam in het vel. ‘Ziezo, deze is klaar om morgen soepel te vlezen. Als er tenminste een morgen is.’ Hij deed zijn gulp dicht en strompelde huiswaarts. Hij voelde zich te geradbraakt voor de beklimming van de toren. Eerst wat slapen, om weer goed op de been te zijn. Hij hoopte, tegen beter weten in, dat niemand de toren bewaakte. Die verdomde Leonhard was op reis naar verre oorden, dus misschien …
De avond hing zwaar boven Rothenburg, alsof het wolkendek met nat leder was overtrokken. Boven de Tauber steeg een zurige damp op, die in de keel bleef steken. Udo viel op zijn bed meteen in een droomslaap. Een figuur met een lange baard doemde op.
‘Frederik Barbarossa?’ meende Udo. In zijn hele leven had hij maar één portret gezien.
De schim sprak hem toe met gekwelde stem: ‘Ik ben Heinrich Toppler, Rothenburgs oud-burgemeester, hoor Udo! Ik ben de echo van je verzet. Ik weet wat je van plan bent. Ik, die de wimpel droeg in vervlogen tijden, … hij werd me een vloek. Tijd voor het afwimpelen van de donkere magie die me verstikt. Neem de wimpel in mijn toren en vernietig hem. In ruil daarvoor vertel ik waar je de sleutel van de bovenste torenkamer kunt vinden.’
Voor die bovenste kamerdeur had hij inderdaad nog geen oplossing gevonden. ‘O goede hemel, waar?’ dacht Udo, die overal naar aanwijzingen had gezocht.
De schim kwam naderbij en Udo zag dat hij ketens droeg, maar in zijn heldere ogen stond hoop te lezen.
‘Achter de vierde witte steen, links bij het binnenkomen van de eerste torenkamer. Je zult merken dat hij losser zit dan de andere. Ik zorg ervoor dat niemand je achtervolgt. Vooruit, laat het de dag van Rothenburg en mijn bevrijding zijn!’
Toen verscheen de wimpel, verteerd door een gloed van vlammen.
Badend in het zweet schrok Udo wakker.
‘De wimpel!’ hijgde hij onrustig. Hij moest even bekomen en ging rechtop zitten. De vieze geur van het looibad was in zijn laken getrokken en leek hem te hebben bedwelmd. ‘De geest van Toppler? Zijn hulp kan ik wel gebruiken,’ dacht hij. ‘Hij kent het Topplerschlösschen op zijn duimpje.’
Udo stond op; hij kon niet wachten om aan zijn snode plan te beginnen. Er was natuurlijk geen denken aan de gegeerde wimpel zomaar in het vuur te gooien, te begraven of wat dan ook. Hij kon geen rechtvaardig beleid afdwingen zonder wimpel.
 
#
 
Leonhard de Beveler knaagde aan een brokje lamsbout in zijn luxe-residentie Herzogenhorn, diep in het Zwarte Woud. Hij lag in de armen van zijn harem, in een kamer vol spiegels die zijn wellust in veelvoud weerkaatste. In elke hoek van de kamer stond een lijfwacht met laarzen van stierenleer. De stenen vloer was bedekt met zacht mohair en andere pelzen-tapijtjes. Leonhard was verzot op fijn gepolijst leer: stoelen en wanden waren ermee bekleed, soms ingelegd met metalen nagels of een reliëf van symbolen.
Op zijn hoofd droeg hij zijn geliefde muts van mollenleer. Hij liet zich zoete wijn inschenken in een zeldzame waterbuffel-drinkhoorn. Andere hoornen en geweien hingen als trofeeën aan de muren. De geur van vers geschoten vlees, bessensaus en gestoofde peertjes walmde door het geparfumeerde, maar vochtige kasteelvertrek.
Hij peuterde met een stokje een stukje vastgeraakt reebokborst van tussen zijn rotte tanden en liet zijn hoorn met likeur bijvullen. Zijn wangen waren paars-rood en opgezwollen. Hij staarde vreemd voor zich uit.
In zijn dronken roes kwam de schaduw van Toppler hem voor de geest en sprak hem streng aan. Leonhard schaterde: ‘Ik droom!’
Maar het lachen verging hem snel.
‘Vandaag nog zal een kreupele je gelijke zijn,’ waarschuwde de geest.
Een spiegel sprong stuk. Leo ontwaakte tussen de glasscherven. ‘Wat moet die verdomde Toppler in godsnaam van mij?’ Hij pakte enkele druiven om de droom weg te werken en schaakte een zinloos partijtje met een van de vrouwen. Hij kon Toppler niet uit zijn hoofd bannen.
‘Hoe durft dat oude spook me te achtervolgen! Mijn verblijf op Herzogenhorn is naar de vaantjes! Breng me terstond naar Rothenburg,’ bralde hij. ‘Ik wil weten waarom Toppler me zo plaagt, er is iets op til. Er wordt niet gesold met de Beveler.’
Hij duwde de zo goed als ontblote dames met een ruk van zich af en brulde zijn bevelen aan de lijfwachten: ‘Span de paarden! Mijn mantel!’ De dames trachtten hem te kalmeren met nog wat wijn. ‘Geen wijn. Breng me mijn mantel en laarzen.’
Zijn favoriete geitenleren kaplaarzen werden onmiddellijk voor zijn voeten gezet. Zijn lijfwachten renden naar de koetsen. ‘En stuur met het rapste paard een bode naar de koning! Je weet maar nooit met opstandelingen. Kort houden!’
 
#
 
Inneke stond in de steeg achter de werkplaats. Ze staarde naar de kloven in haar handen. Haar fragiele huid was opengereten door het broeien, verscheurd als door de nagels van een roofdier. Ze rook de lucht van kalk en urine. In de verte, tussen de nevelen boven de Tauber, werd de Topplertoren zichtbaar.
‘O Heer,’ bad ze, ‘hoelang moeten wij de wimpel van die smerige gier nog verdragen? Heer, zie ons aan …’
Daarop verscheen ook aan haar de geest van Toppler. ‘Inneke, ik breng je hoop. De wimpel is slechts een stukje stof, niet meer dan een ridderlijk vaantje, waarvan er nog een berg in mijn kist liggen. In mijn woontoren, in de benedenburcht, vind je hem. Deel de vaantjes uit, verspreid ze onder alle burgers. Het is mijn diepste wens. Niet één heerser is op komst, maar duizenden wimpels die trots in de wind wapperen. Ik breng je ware hoop op vrijheid. Ik weet dat die ook in jouw hart leeft.’
De bronzen klok sloeg het uur en haalde Inneke uit haar gebed. Haar hart begon sneller te slaan. Haar handen konden geen broodmes meer vasthouden, maar vaantjes uitdelen, dat konden ze! Ook Udo zou er blij mee zijn. Ze voelde dat de sleutels van de verandering haar waren toevertrouwd, vergat de pijn in haar handen en stapte met bevlogen tred richting de Taubertalweg, waar de toren in vreemd maanlicht tussen de dampen oplichtte. Had God haar de geest niet gestuurd? Een vrije stad … Een gelukkig leven met Udo …
 
#
 
Udo had zonder moeite de witte steen losgewrikt. Hij hield de zware gietijzeren sleutel in de hand en klauterde de stenen trap op. Adrenaline gierde door zijn aderen. Hij vergat elke pijn. De wimpel was nu heel dichtbij. De gedachte dat hij eindelijk recht kon doen aan al wie hem jaren in de weg had gestaan was heerlijk. Gedaan met de kerels die hem ooit tegen de kar hadden geduwd. Gedaan met collega’s die hem vernederden en hem steeds de hardste stukken leer toeschoven.
Hij werd koortsig. De trap leek wel te draaien, of was hij het zelf die draaierig werd? Hij rustte even uit en zette dan zijn tocht voort. Daar was de deur van de bovenste kamer!
‘Klik.’ De sleutel draaide vlot in het slot. Hij zocht het luikje en opende het gretig.
De wimpel waaide hem tegemoet. Hij trok hem van de mast en hield hem glunderend voor zijn borst. Het was zover! Grootheidswaan maakte zich van hem meester. Zijn vingers omklemden het stukje zijde alsof het een levend wezen was dat elk moment kon ontsnappen. ‘Alles is nu mogelijk. Rothenburg ligt in mijn handen.’
‘In jouw greep. Je bent almachtig,’ galmde de stem van Toppler tussen de kantelen. ‘Spring als de reddende engel die je bent. Spring van de toren, ik geef je vleugels.’ Beneden glinsterde de rivier als een slang van kwik. ‘Doe het!’
In zijn delirium stapte Udo naar voren en sprong met een heuse salto de lucht in. Hij zag zijn toekomst voor zich: Inneke naast hem, dienend, aan zijn wil onderworpen. Dankbaar, vlijtig en gelukkig. De looierslieden die hem gehoorzaamden en bewonderden voor zijn moed en …
PLETS.
De stroom nam hem met zich mee. Hij tolde in de kolkende armen van de zilveren Taubervloed en snakte naar adem. De wimpel, waar hij zo naar had gehunkerd, ontglipte hem.
 
#
 
Al gauw werd in de binnenstad de opstand voelbaar, nu de vertrouwde wimpel niet meer boven de toren hing. Inneke zag het allemaal gebeuren. Ze had gedaan wat de geest gevraagd had.
Een aantal burgers liep fier met vaantjes te wapperen, andere mensen vreesden het tumult en durfden hun huizen niet uit. ‘Leve Rothenburg!’ riepen sommigen. ‘Weg met Leonhard!’ schreeuwden anderen.
Het lynchen van de Beveler werd grondig voorbereid. Groepjes mannen trokken met allerlei wapens die niet onderdeden voor een goedendag naar de stadsrand. Hun schraapmessen en ander tuig joegen Inneke angst aan. Was dit de bedoeling van de geest? Ze vond het vreemd dat ze Udo nergens kon vinden.
 
#
 
Twee dagen lang trappelden paardenhoeven onstuimig op de modderige wegen, langs beekdalen en tussen wijnhellingen.
‘Daar wappert de wimpel van Rothenburg. In de weilanden loopt iemand met onze wimpel. Word wakker, mijn Heer,’ klonk het in de koets van Leonhard, die voorop reed.
De typische roodbruine daken en torens van Rothenburg ob der Tauber doemden op.
‘Verduiveld, de wimpel! En ginds nog één, mijn Heer.’
‘W... Wat heeft dit te betekenen?’ vroeg Leonhard ontzet, de ogen nog vol slaap. ‘Stap uit en ga hen te lijf met je zwaard.’ De koets kwam tot stilstand; een knecht en een lijfwacht sprongen eruit. Ook de andere koetsen stopten. Er stegen kreten van verbazing uit op.
‘Schiet op, klungels, steek al wie met vaantjes wappert neer. We maken hier snel een einde aan!’
Tot zijn verbijstering zag hij steeds meer mensen met vaantjes, te veel misschien om te doden, met het kleine gevolg dat hij bij zich had. De helft bestond uit schaars geklede vrouwen die in de achterste koetsen op hertenvellenzitjes lagen te slapen. Hoezeer hij hen ook liefhad, op dit moment had hij niets aan hen. Hij stapte uit de koets en maande de mannen in de andere rijtuigen aan alvast te proberen in de weilanden orde op zaken te stellen.
Een naargeestig gevoel bekroop hem. ‘Verder naar het Topplerschlösschen.’ Hij moest zien wat daar aan de hand was. Hopelijk hoefde hij de koning geen leger te laten sturen. Hij stapte weer de trede op; het rijtuig zette zich in beweging.
Steeds sneller ging het, tot de koets na een scherpe bocht op een kar stootte. Die was midden op de weg gezet. De koets viel om en Leonhard de Beveler tuimelde eruit. Even zag hij de wimpel – de echte wimpel – wapperen voor zijn geestesoog. Daarna zag hij alleen zwart.
 
#
 
In de stad was er geen gejoel meer. Inneke lag dagenlang te slapen op het plein, zot van vreugde, zat van hoop. ‘Het is volbracht!’ hoorde ze de geest van Toppler in haar dromen zingen. ‘Udo is voor Rothenburg een heldendood gestorven en jij hebt de vaantjes uitgedeeld. Laat het volk vrijheden vragen aan de vorsten.’ De geest loste op. Hij zou zich niet meer vertonen.
Het liep helaas anders. Had de geest Inneke en Udo voorgelogen? Kon de vrijheid van het volk hem geen moer schelen? Was hij alleen op wraak uit? Inneke wist niet meer wat te denken.
 
#
 
Zware voetstappen galmden op het plein. Na zes dagen en nachten van rumoer probeerden de soldaten van de koning de orde in de stad te herstellen. Inneke ontwaakte ruw in haar pis.
Toen ze net als de andere burgers ondervraagd werd, antwoordde ze: ‘Ik heb de vaantjes uitgedeeld in opdracht van … van Udo. Hij heeft me naar de kist in de benedenburcht gebracht; het was zijn idee.’ Wat moest ze anders? Wie zou een warrig verhaal over een geest geloven? Rothenburg had nu Udo nodig – of althans, waar hij voor stond.
‘En de kar op de weg?’ De soldaat kneep zijn ogen tot spleetjes.
‘Udo,’ zei Inneke, ‘hij heeft alles geregeld.’
 
#
 
Enige tijd later ging iedereen in de door het leger bewaakte werkplaats weer aan de slag. De mensen verversten zwijgend de looibaden. Toen het werk klaar was, klonk er eerst zacht, daarna steeds luider applaus. Vooral voor Udo, de held van de stad, maar ook voor Inneke, die nu bij haar collega’s bewondering had afgedwongen.
‘Laten we Udo blijven gedenken,’ klonk het in koor.
‘Misschien,’ dacht Inneke, ‘was de opstand niet voorbij.’
0 Opmerkingen

Je opmerking wordt geplaatst nadat deze is goedgekeurd.


Laat een antwoord achter.

    Inhoudstafel fictie
    Oproep verhalen
    AI-gegenereerde fictie
Powered by Maak je eigen unieke website met aanpasbare sjablonen.
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch