Out of this World
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch

VERHALEN

Finn Audenaert en Ruben De Baerdemaeker - De wimpel

2/12/2025

0 Opmerkingen

 
Afbeelding
Iedereen wilde de wimpel. Er was geen man in het land die er niet ‘s nachts van droomde. Hoe het ooit gekomen was dat zo’n dun stuk textiel absolute macht vertegenwoordigde, was verloren gegaan in de mist der tijden. Alleen dit stond vast: wie de wimpel veroverde, kon zijn wil aan anderen opleggen
De vraag was natuurlijk: hoe stal je de wimpel van zijn huidige bezitter, Leonhard de Beveler? Udo dacht het antwoord te weten: enkel een list bood uitkomst. Bruut geweld gebruiken, zo hadden de twaalf doden het afgelopen jaar uitgewezen, liep faliekant mis.
Udo sloeg geen dag over. Elke ochtend om klokslag zes uur strompelde hij door de kronkelende steegjes van Rothenburg ob der Tauber. Ondanks de pijn in zijn been maakte hij met opzet een omweg want de leerlooierij waar hij aan de slag was lag een heel eind uit de buurt. Op de toren van het Topplerschlösschen wapperde de blauw-wit-geblokte wimpel. Udo’s ogen volgden de snelle bewegingen van de gouden cirkel midden op de wimpel. O, hij zag de bergen goud al voor zich. Als iedereen hem gehoorzaamde, zou zijn rijkdom oneindig zijn. Dat zou zijn stadsgenoten leren – vernederd hadden ze hem in zijn jeugd, niet meer of min. De pijn vlamde door zijn been toen hij dacht aan de dag dat de andere jongens hem tegen de kar hadden geduwd. De karrendrijver had nog geprobeerd zijn paard te laten stoppen, maar het onheil was al geschied. Udo ging vanaf die dag als een kreupele door het leven, al was “gaan” wellicht niet het passende woord.
Het werk in de leerlooierij was hard, zeker voor iemand als Udo. Hij was wat men een vlezer noemde. Dierenhuiden werden onthaard, gesmart en gebroeid voordat ze bij hem terechtkwamen. Op de binnenkant van de huiden zaten nog grote stukken vlees. Udo moest de huiden op een bolle stenen tafel leggen en er het vlees afsnijden. Hiervoor moest hij de hele tijd rechtop staan. De tafel was hoog. Hij kon weliswaar zitten, maar dan kon hij niet voldoende kracht zetten op het mes. Naast het werk zelf vermoeiden ook de anderen in de leerlooierij hem. Zo ging het al zijn hele leven: niemand behandelde hem zoals het hoorde. Hij werd beschimpt wegens zijn gebrek en belogen, omdat mensen dachten dat wie krom liep, ook wel dom moest zijn. Dikwijls doorzag Udo het bedrog, maar hun pogingen stompten hem af. Steeds weer raakte hij in mensen teleurgesteld.
Dus had hij alleen oog voor de wimpel. Die zou zijn leven veranderen. Al meer dan een jaar trof Udo voorbereidingen voor zijn diefstal. Vandaag was dan eindelijk de dag aangebroken. Vanzelfsprekend zou hij niet naar de leerlooierij gaan. Als hij de wimpel kon bemachtigen, zou de hele stad zijn bevelen uitvoeren. Waarom zou hij dan nog werken voor de kost? Zijn eerste bevel zou trouwens de leerlooierij gelden: iedereen moest eruit, behalve misschien Inneke. Zij was een vriendelijke meid, die altijd een goed woord voor hem overhad. Wie weet bevorderde hij haar tot bazin. Daar zouden zijn stadsgenoten van opkijken: een vrouw aan de macht! Maar de echte macht zou natuurlijk bij Udo liggen. Hij moest maar eens aan de slag gaan, nu …
 
#
 
‘Dolfie, tijd voor ontbijt, schat!’
‘Godverdomme, ma, noem me niet zo! En doe effe normaal, zo laat is het niet eens.’
Kwart voor acht. Verdomme, zo laat was het dus wel. Rudolph keek gauw terug naar het scherm. Inneke was toch niet meer online; hij zou haar vanavond wel terugzien. Hij klikte het venster van Mittelalter weg en trok zijn jeans aan. Het T-shirt waarin hij had geslapen zag er nog behoorlijk schoon uit, dat zou het wel weer doen, voor vandaag.
Hij stampte de trap af en griste een ontbijtkoek uit de plastic zak die open stond op tafel.
‘Schat, ga toch zitten om te ontbijten – denk aan je maag.’
‘Geen tijd, ma.’
Hij liep om de tafel heen, maar zijn moeder stond op en versperde hem de weg. In die kamerjas zag ze er zelf ook wat versleten en vodderig uit. Ze hief haar kin en tuitte haar lippen. Rudolph kuste haar op het gerimpelde voorhoofd, en gleed tussen haar en het aanrecht door.
‘Tot vanavond, ma. Doe niet te gek, vandaag. Ik zorg wel voor avondeten.’
‘Sgoed, schat,’ gooide ze achter hem aan toen de voordeur al dichtgeknald was en het huis nog natrilde.
 
#
 
Inneke kwam ‘s middags langs in de leerlooierij. Udo zat alleen (want Udo zat altijd alleen) en bladerde door de Städtischer Anzeiger. Gisteren was een Kobold bij klaarlichte dag in de stad ontdekt, gearresteerd, en naar de kerkers van het Topplerschlösschen gebracht. De autoriteiten waarschuwden voor verdere indringers, en drongen aan op verhoogde waakzaamheid.
‘Jij bent toch geen kobold, wel, Udo?’ plaagde Inneke.
‘Als ik een Kobold ben, ben jij een Hüllenfrau.’
‘Tja, wie weet,’ glimlachte ze.
Damn, die avatar van Inneke zag er geil uit. Rudolph had best veel tijd en Thalers gespendeerd aan zijn uiterlijk, maar zoals Inneke liepen er in Mittelalter niet veel rond. Zelfs op de goedkope computer op het werk kon je haar rondingen door haar gewaden heen vermoeden, en de sluier voor haar gezicht ging op en neer met de bries of met haar ademhaling. Die meid had skills en toewijding, dat zag je zo. Wat een vrouw.
Misschien had hij het spel moeten verlaten na het ongeluk en gewoon opnieuw moeten beginnen als een ander personage. Met al zijn ervaring, en met de tijd die hij in het spel doorbracht, had hij op die manier sowieso al veel meer Thalers kunnen verzamelen – en met Thalers koop je Gewalt, dat is net het punt. Maar Udo loslaten en uitwissen? Nee, dat kreeg Rudolph niet over zijn hart. Die kreupele loser was een deel van hemzelf geworden, en als het met hem niet lukte, dan maar helemaal niet. Wie de Wimpel heeft, heeft alle Gewalt naar zich toegetrokken; dan doen de Thalers er niet meer toe. Udo en hij, dat waren twee handen op een buik, en die wimpel zou er wel van komen.
Hij keek Inneke achterna toen het ‘An die Arbeit’ weerklonk, en hij zich weer aan zijn karkassen wijdde.
 
#
 
‘Getver, Rudolph, waar zit jij je tijd aan te verdoen, man? Aan het werk – de speeltijd is voorbij. Die targets halen zichzelf niet! Anders hadden we jou niet nodig, wel?’
Sam was niet ouder dan Rudolph zelf. Hij was even puisterig en bovendien een halve kop kleiner, maar wel breder gebouwd. Niet dat Rudolph ooit met hem zou vechten. Op school had hij een pestkop eens een klap proberen te geven, en die had zijn hand gegrepen en achter zijn rug gewrongen, waarna Rudolphs hoofd in een wc-pot terechtkwam. Dat was de eerste en laatste vechtpartij waartoe Rudolph zich had laten verleiden. Mensen sucken, of je er nu op slaat of niet.
Die Sam suckte ook, maar hij had een diploma en daarom mocht hij Rudolph koeioneren. Ach ja, anders kreeg hij zelf op zijn kop van iemand met een hoger diploma en een hoger loon. Dat is het systeem: we pissen allemaal naar beneden, en al het gezeik landt uiteindelijk op Rudolph. En wie helemaal bovenaan staat betaalt een dure hoer om op hem te pissen, wellicht.
‘Rudolph, haal die stomme grijns van je gezicht en ga aan het bellen. Ik meen het. Anders haal ik er de quality supervisor bij.’
O jee, toch niet de quality supervisor ... Rudolph keek Sam zo minachtend mogelijk aan, en klikte Mittelalter maar weer weg. Die wimpel loopt niet weg, en die Kobold ook niet, voorlopig. Tijd om argeloze bejaarden wat geld af te luizen, voor een of andere liefdadigheidsinstelling deze keer. Het telefoonscript stond klaar op zijn scherm, in blauwe en witte blokjes als op de Mittelalterliche wimpel. Denk aan je bankrekening, Rudolph – geen zilveren Thalers maar digitale euro’s, daarvoor doe je het. Same difference. Hij zette zijn headset op en klikte op het telefoonicoontje.
 
#
 
Toen de leerlooiers het voor bekeken hielden, waste ook Udo zijn handen in de walgelijke spoelbak en hing zijn lederen schort aan een haak. In de stegen van Mittelalter viel de avond, en door de ramen zag hij de eerste kaarsen en haardvuren opflakkeren. Hij kende de weg naar het Topplerschlösschen natuurlijk blindelings, maar toch zag de route er altijd net een beetje anders uit.
Op het plein voor het Schlösschen sloten de laatste winkels hun deuren, en de wacht werd er net gewisseld. Dat was een meevaller: de twee nieuwe wachters waren oude bekenden. Wilfried en Gerhardt waren een paar maanden na hem in Mittelalter opgedoken, voor het ongeluk, en hij had ze wat wegwijs gemaakt, een paar trucjes getoond. Na het ongeval hadden ze hem links laten liggen, zoals de meeste anderen, maar kijk, ze hadden zich toch maar opgewerkt tot de stadswacht. Dat verdiende niet veel, maar velen dachten dat het een goede strategie was om de wimpel te bemachtigen. Fat chance, dacht Udo – als ze gewone wachters in de buurt van de wimpel lieten, zou dat ding al lang gepikt zijn.
‘Grüssgott, Freunde!’
‘Ah, Herr Udo,’ zei Gerhardt. ‘Lang niet gezien. Been is niet echt genezen, zie ik?’
‘Ach, het is wat het is. Wat me niet doodt, maakt me sterker, weet je wel?’
De wachters staarden. Gemompel was technisch onmogelijk in Mittelalter, vandaar de stilte.
‘Kan ik nog naar binnen?’ waagde Udo zijn kans.
‘Hm. Strikt genomen niet, eigenlijk.’
‘He, kom, ik wil gewoon even naar de Kobold kijken. Kan geen kwaad, toch?’
Gerhardt en Wilfried barstten in lachen uit.
‘Ha, ga je gang. Niets aan te zien, man. Hij zit en staart – dat is het. Vreselijk duffe wezens, Kobolden.’
‘Dankeschön – tot zo.’
Udo wandelde door de poort het kasteel binnen en liep niet meteen door naar de kerkers. Hij ging een van de stallingen binnen. De paarden waren gevoederd en gekamd, hier had niemand nog iets te zoeken. In de hoek lag een perfecte oude deken. Udo sloeg die helemaal om zich heen en ging in de donkerste hoek van de stal zitten. Hier kon hij zeker een paar uren ongestoord blijven zitten. Hij was dankbaar voor de geurloze wereld van het spel, en klikte het venster dicht.
 
#
 
Iedereen was al lang weg, enkel Sam zat nog in zijn glazen hokje toen Rudolph naar buiten liep. Rudolph stak zijn hand op bij wijze van begroeting. Sam knikte, zonder hem echt te registreren. Die Sam wilde hogerop, koste wat het kost. Aandoenlijk vond Rudolph het. Je werkt je te pletter en als beloning mag je je nog wat verder te pletter werken. Hij had het al zo vaak gezien: ze verdienen iets meer, ze kopen duurdere kleren, ze gaan naar chique restaurants, ze betalen meer voor hun vakantie. Na enkele jaren merken ze dat ze daar niet gelukkiger van geworden zijn, en reageren hun frustraties af op de Rudolphs van de wereld. Je kon een Sam zijn of een Rudolph, en Rudolph was beslist een Rudolph. Maar als je plotsklaps, in één onstuitbare beweging, naar de top gekatapulteerd zou kunnen worden, als je de wimpel zou kunnen bemachtigen en daarmee de nummer één zou zijn. Ja, dan …
Het zou Indisch worden, vanavond. Dat was een blokje om, maar het regende niet en Rudolph had geen zin in pizza of die zoetzure saus van de afhaalchinees – etenswaren horen geen licht te geven in het donker. Moeder at niet graag pikant, maar hij zou voor haar wel zo’n chicken korma bestellen. Vol-au-vent voor avonturiers, comfort food voor uitgebluste smaakpapillen.
Toen hij binnenkwam, zat ze in de sofa, op dezelfde plek als vanochtend. Nochtans moest ze zijn opgestaan, want ze had zich aangekleed, en geaperitiefd had ze duidelijk ook al. Ze keek hem aan alsof hij ongelegen kwam, en klapte haar oude laptop dicht. Zìjn oude laptop, eigenlijk. Geen idee wat het mens ermee aanving, maar sinds ze dat ding had, was haar ginconsumptie merkbaar gedaald.
Vandaag had ze zelfs de tafel gedekt. Rudolph plofte de plastic zakken neer, en kruidige aroma’s verspreidden zich in de kamer.
‘Indisch?’ vroeg ze.
‘Ik heb voor jou de kip. Romig, dat eet je graag.’
‘Perfect, schat, dank je. Ik heb best honger.’
Moeder had nooit honger, maar ze at bijna de helft van haar portie op, en roerde met een stukje naanbrood in de felgele roomsaus. Het was bijna gezellig, zo met z’n tweeën aan tafel. Maar Rudolph had werk te doen, en moeder klapte in de zetel haar laptop alweer open.
 
#
 
De Kobold sliep niet: hij sufte in zijn cel en neuriede zacht voor zich heen. Hij merkte Udo nauwelijks op, maar toen de celdeur openknarste kwam er beweging in het imposante wezen. Kobolden gehoorzamen aan wie hun de vrijheid schenkt – dat was de theorie, tenminste. Tegelijk waren het grillige creaturen: betrouwbaar, maar te dom om te doorgronden, en dat was precies wat Udo nodig had. Een ontsnapte Kobold, net als iedereen ging slapen, zou voor chaos zorgen. Twee wachters zijn niet tegen een boze Kobold opgewassen, dus ze zouden hulp inroepen en kabaal maken. Heer Leonhard zou komen kijken naar het oproer op de binnenplaats, en dan zou Udo toeslaan.
Het wezen volgde hem, mak als een puppy. Udo verachtte volgzaamheid – hij had er zelf zijn buik van vol.
‘Wilfried! Gerhardt!’ siste hij, en dook weg. De wachters draaiden zich om en zagen een uit de kluiten gewassen Kobold opdoemen uit de duisternis. Gerhardt legde aan en schoot zijn kruisboog af. Hij trof de Kobold in het bovenbeen en had meteen spijt van zijn onbezonnenheid. De Kobold loeide van de pijn, en sprong op de wachters toe. Hij overbrugde de afstand tussen hen in een enkel ogenblik en ramde zijn dikke kop tegen Gerhardt, die achterover tegen de kasteelpoort knalde en een vreemde reutel uitstiet.
**Gerhardt heeft Mittelalter verlaten. RIP.**
Wilfried zette een hoorn aan zijn lippen en blies uit volle borst. Het was het laatste wat hij zou doen. De Kobold greep hem bij de nek en kneep; Wilfried brak als een twijgje, en zeeg naast zijn kompaan neer.
In de ramen van het slot zag Udo toortsen ontsteken. Geschreeuw klonk in full surround om hem heen. Ook in de toren flakkerde een licht op. Dit was zijn moment. Toen de poorten openzwaaiden en soldaten behoedzaam de binnenplaats betraden, was Udo verscholen in een donkere nis naast de toren. ‘Komaan, Leonhard,’ prevelde hij. ‘Kom, lafaard, kom uit je kot.’
En warempel, de deur onderaan de toren zwaaide open en twee Schutzsoldaten kwamen naar buiten. Achter hen, in volle wapenrusting, Leonhard de Beveler. Een opdondertje van een man, maar dat durfde niemand hem te zeggen.
‘Vooruit!’ beval de beveler, en Udo was enigszins ontgoocheld – was dit simpele onderdeurtje de alleenheerser over Rothburg? De sterke man van heel Mittelalter? Leonhard en zijn lijfwachten bewogen zich in de richting van het oproer, en keken geen ogenblik achter zich. Ze zagen niet hoe Udo de toren in sloop, en geruisloos de zware deur achter zich vergrendelde.
Het enige wat Udo zag in het bijna duister was de wenteltrap, en meer had hij niet nodig. Hij draaide langs de trap omhoog zo snel als zijn gebrekkige been het toeliet. Halverwege de toren mondde de trap uit op een platform met kantelen. Op het binnenplein was er een chaos van jewelste. De Kobold – dan toch slimmer dan je hem zou aangeven, of gezegend met dom geluk – had zich verschanst in het wachthuisje onder de poort en met een buitgemaakte hellebaard hielp hij de ene na de andere soldaat Mittelalter uit. De mededelingen op het scherm volgden elkaar sneller op dan Udo ooit eerder had gezien. Mittelalter was in se ook geen gewelddadig spel – het hele punt van een alternative reality was immers dat de spelers die gezamenlijk vorm gaven, samen een gemeenschap vormden en daarin een modus vivendi vonden, zoals het ook in de echte wereld had moeten gaan.
Een ijselijke kreet klonk boven het Topplerschlösschen, en de verzamelde soldaten keken op. Zelfs de trol hield even op met hakken en staarde niet-begrijpend omhoog.
‘Elwetritsche!’ schreeuwde Leonhard de Beveler. ‘Schiet ze neer!’ deed hij zijn bijnaam eer aan. Het volgende ogenblik hoorde Udo de pijlen omhoog zoeven naar de grote vogelachtige schaduwdieren die boven zijn hoofd waren verschenen. Hij dook weg, en glipte de volgende wenteltrap op. Deze was een stuk smaller dan de vorige, en hij raakte maar moeizaam vooruit – dat been ook. Hij zag een deuropening schuin boven zich. Nog enkele treden, nu. Een schaduw fladderde voorbij.
Een Elwetritsch zat op een kanteel en keek hem onderzoekend aan. Haar lange snavel priemde in zijn richting. Udo aarzelde. Dit kon toch niet waar zijn? Hij was op enkele passen van zijn doel. De wimpel wapperde zo’n vijf meter boven hem aan de mast. En hij zou gedwarsboomd worden door zo’n half-trol half-kip? Die beesten konden toch nauwelijks vliegen?!
Maar vliegen deden ze. Een tweede en derde Elwetritsch cirkelden om de toren heen, ter hoogte van de wimpel. Vanop de binnenplaats steeg een woedend gehuil op, en er werd op de poort van de toren gebeukt. Die zou het niet lang houden – Udo moest snel handelen. Hij schoof met zijn rug tegen de muur naar buiten. De Elwetritsch op het kanteel sprong op hem af en prikte met haar snavel in zijn borst. Ze kraste, hoog en schril. Udo deinsde terug.
Plots was daar een vierde Elwetritsch, een nog grotere, die naar hem toe wiekte. Op haar rug zat schrijlings een donkere bult, als een ruiter. Het beest vloog hem voorbij, keerde om. De ruiter sloeg een donkere kapmantel terug en haar blonde haren wapperden in de wind. Udo knipperde met de ogen. Inneke.
De twee cirkelende Elwetritsche hapten met hun vlijmscherpe bekken naar de vlaggenmast en pikten in de touwen van de wimpel. Die kwam onderaan los, en de vliegende monsters hapten naar het koord aan de bovenkant. De wimpel fladderde halfslachtig en kwam los. Inneke strekte haar hand uit vanop haar vliegend strijdros en greep de wimpel beet.
‘Inneke!’ schreeuwde Udo nu. ‘Inneke, help!’ De Elwetritsch pikte in zijn borst en dwong hem achteruit, naar de kantelen. Zijn hemd was bebloed, er was geen ontkomen aan die scherpe snavel. Udo hoorde soldaten de wenteltrap opstormen. Innekes Elwetritsch landde op het platform van de toren en zij hield de wimpel boven haar hoofd, de wimpel die van haar de heerseres over Rothenburg zou maken. De ongenaakbare, de onfeilbare, de almachtige.
Ze zei niets, ze kraste een bevel. De vier verzamelde Elwetritsche drongen naar Udo toe, duwden hem naar de rand, naar de kantelen. Hij kon geen kant op, hij klauterde op een kanteel, probeerde de snavels nog af te weren, maar ze waren te sterk, te scherp.
**Udo heeft Mittelalter verlaten. Herstart om te reïncarneren.**
 
#
 
Rudolph staarde verbijsterd naar zijn scherm. Na alles wat hij voor Mittelalter had gedaan. Al die uren, al die energie. Het plannen, het nadenken, het fantaseren – alles voor niets geweest. Wie sterft in dit spel, komt niet meer terug, tenzij als volkomen nieuweling. Inneke zou hem niet meer kennen, zelfs als hij haar ooit zou kunnen ontmoeten, nu zij de Beveler zou worden. Zou hij haar nog willen kennen?
Zijn kamer kwam hem plots klein en benauwd voor. Hij moest hier weg. Met moeder aan het zuipen gaan? Alles beter dan hier te blijven zitten. Beneden hoorde hij gestommel.
Zachtjes deed hij de deur open, alsof fabelvogels met scherpe bekken hem de weg zouden kunnen versperren. Op kousenvoeten daalde hij de trap af – wat was moeder daar beneden in godsnaam aan het doen? Hij gluurde de woonkamer in. Moeder danste rond de salontafel met een fles gin in de hand, de kamerjas open over haar afgewassen nachthemd.
Op de salontafel stond haar laptop. Zijn oude laptop. Rudolph herkende Mittelalter meteen.
**Je hebt de Wimpel veroverd. Heil, Koningin Inneke, alleenheerseres van Rothenburg.**
0 Opmerkingen

Je opmerking wordt geplaatst nadat deze is goedgekeurd.


Laat een antwoord achter.

    Inhoudstafel fictie
    Oproep verhalen
    AI-gegenereerde fictie
Powered by Maak je eigen unieke website met aanpasbare sjablonen.
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch