Out of this World
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch

VERHALEN

Luc Vos - Dat staat toch op het papiertje - deel 1

16/7/2025

0 Opmerkingen

 
Het plafond is even wit als het gisteren was, toch lijkt het lichter.
Je keek er veel te lang naar.
‘Wat zou er dit keer in staan?’
Een kriebeling trekt door zijn buik, zijn woorden golven door de kille ruimte.
Van wie komt hij?
De gedachte die hij nog steeds niet durft uit te spreken. Hij zucht en kijkt opzij. Tien voor acht geeft het display van zijn wekker aan. Een overzicht van zijn afspraken voor vandaag ernaast. Slechts een.
De brief.
Een ogenblik vraagt hij zich af waarom hij de moeite doet om dat in zijn agenda te zetten, hij schudt kort met zijn schouders. Zijn kale huid schuurt tegen de zachte lakens, het voelt anders dan gisteren.
Dat is jouw verbeelding. Gisteren is identiek aan vandaag.
‘Behalve één ding.’
Je droomt.
‘Kalm, Aiden. Binnen een uur …’
En negen minuten.
‘Binnen een uur en tien minuten weet ik het.’
Soms vervloekt hij de stem die geen schroom voelt om hem tegen te spreken. Toch is hij vaak ook blij dat ze er is.
Je moet iemand zoeken, dan ben je niet zo alleen.
‘Dat … gaat niet.’
Waarom niet? Iedereen zoekt iemand.
Zijn woorden zweven voor zich uit. Hij kan ze bijna zien. Dat gaat niet. Drie woorden die hij zo vaak gebruikt. Een excuus voor elk contact dat hij hoort te zoeken. Een reden om zijn barrières zorgvuldig op te houden. Hoe kan hij iemand vertellen van de brief? Niemand zou het begrijpen, toch?
Dat weet je pas als je het probeert.
‘Dat gaat …’
Hij slikt de rest in en staart naar het plafond. Hij schokt als zijn wekker drie indringende piepjes laat horen.
‘Ben ik terug in slaap gevallen?’
Laat dat terug er maar af.
Hij zwaait zijn benen uit het bed, de opwinding die gisteren langzaam door zijn buik begon te woelen, is gegroeid.
Ik zou toch willen weten van wie hij komt.
Aiden negeert de woorden en loopt naar de douche. Het water loopt exact twee minuten over zijn huid, net genoeg om de gesproeide natuurzeep weer weg te spoelen. Hij heft zijn armen als de blazers de druppels verjagen en loopt zonder iets te zeggen naar zijn kleerkast.
Ga je iets feestelijks dragen?
Hij haat het als de stem met hem spot. Hij kan het niet laten om toch naar een strakker hemd te grijpen.
Mooi.
Hij haat het nog meer als de stem afgemeten kort antwoordt. Als om zijn gelijk te onderstrepen.
Laat het smaken.
Hij gromt enkel en werkt de kom met iets wat fruit en ontbijtgranen moet voorstellen naar binnen. Hij heeft geen honger, maar hij moet eten. Hij heeft zijn energie nodig vandaag.
‘Ik moet veel lezen.’
Opnieuw een blik op de grote klok tegen de verste muur. Al de vijftiende keer sinds hij uit zijn bed kwam, de tijd gaat niet sneller.
Je weet toch dat de brief stipt om negen uur komt. Niet vroeger, niet later.
Hij opent zijn mobieltje en kijkt naar het laatste nieuws. Niets bijzonders, zoals gewoonlijk. Niets goeds, de wereld is in oorlog, zoals hij dat al tientallen jaren is. Vechten om de steeds schaarser wordende natuurlijke bronnen. Vechten tegen de oprukkende hitte. De echte gevechten zijn nog niet hier, niet waar hij woont. Tenminste, niet zoals in andere delen van deze aarde. Al wordt het leven ook in Amsterdam steeds harder, van de dingen die hier fout lopen, heeft hij geen last.
Dankzij hem. Of haar.
‘Laat me.’
Of hen.
Niets ziend staart hij naar de klok. Nog twintig minuten. Een rilling loopt over zijn rug.
‘Wat als hij niet komt?’
‘Waarom zou hij niet komen? Hij komt toch al …’
Aiden valt stil. Hoelang komt die brief eigenlijk al? Hij kan het zich niet goed herinneren. Zijn eerste herinnering is het openen van de brief. Het eerste beeld dat zich aan hem opdringt, is het openscheuren van de lichtgele enveloppe met de onbestemde zoete geur.
Waarom weet je niets van voor die dag?
Hij vroeg het zich al een aantal keer af, het antwoord is even onvindbaar als de afzender van de brief. Hij weet dat het niet logisch is, hij is …
Hoe oud ben je eigenlijk?
Hij is al een stuk in de twintig, al viert hij nooit een verjaardag. Waarom zou hij? Hij ziet niet veel mensen, zijn id bekijkt hij nooit. Hij woont in zijn appartement op de vijfendertigste verdieping van de nieuwe Bijlmer, hij is een inwoner van Amsterdam van zolang hij zich kan herinneren.
Of toch van sinds de brief kwam.
‘Hij is er bijna.’
De klok staat op tien minuten voor negen, nog heel even, dan zal de bel gaan en kan hij naar beneden.
Hopelijk werkt de lift.
Een onbekend angstgevoel waart door zijn lijf. Wat als de lift niet werkt? Dan moet hij te voet naar beneden. Dat duurt eeuwen. Dan …
Ze zal wel werken.
Ze heeft al elke keer gewerkt. Op één keer na. De herinnering jaagt rillingen door zijn lijf.
 
De bel ging, zoals ze de jaren voordien ging. Hij antwoordde op dezelfde manier.
‘Hij is er,’ fluisterde hij hees en drukte op de parlofoon.
‘Brief voor Aiden Pieters.’
‘Ben ik.’
‘Gaat in de bus.’
‘Ik kom hem halen.’
‘Fijne dag.’
‘Voor u ook.’
Aiden’s stem schuurde, hij was het niet gewoon zoveel woorden te wisselen met andere mensen. Niet zo luid. Hij fluisterde als hij binnen was. Hij praatte niet met mensen op zijn werk. Hij liep naar zijn plek, ging achter zijn computer zitten en deed wat hij moest doen. Fouten zoeken in het werk van anderen. Hij keek niet naar zijn collega’s, zij lieten hem met rust. Hij at alleen en liep zonder iemand de kans te geven met hem mee te gaan, weer naar huis. Hij wist dat het gevaarlijk was om met anderen om te gaan . Hij wist dat hij voorzichtig moest zijn, dat vertelde de brief hem.
Hij liep naar de deur, sprong gehaast terug. Hij griste de brief van vorig jaar van de kast en las de laatste zin.
 
“Vergeet de sleutels niet als je mij komt halen.”
 
De woorden brandden in zijn ogen, een ogenblik kon hij niet meer ademen. Hij beefde, greep zich vast aan de rand van de tafel.
Bijna toch nog misgelopen.
Hij kalmeerde. ‘Het is niet misgelopen. Ik heb het op tijd gezien.’
Je moet kalm blijven. Deze stopt pas als de nieuwe er is.
Hij wist dat de stem gelijk had. Hij mocht zo hevig niet zijn.
‘Sorry, ik …’
Ga je je nu bij jezelf excuseren? Haal gewoon die brief, oké?
Hij had geknikt, de sleutel in zijn broekzak nog eens extra gecontroleerd en was naar de lift gelopen, waar hem een nieuwe angstaanval wachtte. Hij drukte, maar er gebeurde niets. Het paneel boven de lift vertoonde twee horizontale streepjes, niet het cijfer dat hij elke dag zag.
Ze is stuk.
‘Nee …’
Je kan wachten tot ze is gemaakt of de trap nemen.
‘Daar stond niets over in de brief.’
Dan zal het niet gevaarlijk zijn, toch?
Hij wist niet wat te zeggen, had geen idee wat te doen. Dit was de eerste situatie die afweek van zijn normale leven waar hij geen advies had van de schrijver van de brief.
Wie is dat ook alweer?
‘Nu niet!’
Zijn stem klonk hoog, zijn ademhaling versnelde. Hij leunde tegen de stalen deur van de lift, ze voelde ijskoud.
Neem dan toch de trap. Als het niet kon, had je het geweten.
De wetenschap dat de stem in zijn hoofd gelijk had, kalmeerde hem.
‘Ja, het is niet gevaarlijk.’ Hij legde zijn hand op de klink van de deur naar de traphal, haalde diep adem en trok ze open. ‘Het kan niet gevaarlijk zijn.’
Hij liep naar binnen, vaal licht floepte aan, toonde een bestofte trap naar boven en naar beneden. Spinnenwebben deden hun best om de weg te blokkeren, maar er was inderdaad niets dat op enig gevaar duidde.
Hier komt nooit iemand, dit kan niet erg zijn.
Hij knikte en zette een stap op de trap. Het geluid van zijn schoen klonk hol, maar hij ging verder. Hij moest en zou die brief halen. De stapel papieren die nu al – hoelang? – elk jaar op de eerste maandag van juli in zijn bus landde. De brief die hem, in bijzonder groot detail, vertelde welke dingen hij de volgende twaalf maanden niet mocht doen.
Waarom eigenlijk in juli? Waarom niet op 1 januari? Zoals elk zichzelf respecterend jaar begint.
Hij wist het niet, al poogde iets in zijn hoofd hem een teken te geven dat hij het wel hoorde te weten. Het antwoord bleef echter buiten zijn bereik en hij kon er zich niet te druk in maken. Hij moest gewoon de brief hebben, zodat hij wist wat hij wel of niet moest doen. Zodat zijn leven niet in gevaar kwam. Zoals al te vaak eerder net niet gebeurde.
 
“Maandag vijf november: meld je ziek. Niet gaan werken.”
 
Het nieuws over de losgeslagen collega joeg rillingen over zijn rug, maar hij zei er tegen niemand iets over. De collega die het leven kostte aan zijn baas en enkele collega’s in zijn rij.
‘Gelukkig was je er niet,’ kreeg hij meermaals te horen.
‘Hij zat tegenover jou. Heb je nooit iets gemerkt?’
Hij haalde enkel zijn schouders op. Hij had niets gemerkt, hoe kon hij? Hij praatte met niemand. De loensende blik van de man was hem helemaal voorbij gegaan. Maar hij was er nog. Hij was blij. De brief zorgde voor hem.
Elke eerste van de maand las hij wat hij de volgende maand moest doen. Elke maandag herlas hij hoe hij die week moest gehoorzamen. Vaak werd hij er bang van, maar hij deed wat de brief hem vroeg. Zonder morren.
Tot die ene keer. Hij had het al eerder gelezen, maar had het genegeerd, tot hij niet meer kon. De melding schokte hem. Meer dan hij had verwacht. Zo’n vijf jaar geleden.
 
“Verhuis voor vrijdag dertien oktober naar een appartement aan de andere kant van Amsterdam.”
 
Hij had het al gelezen toen hij de brief in juli kreeg, hij wist niet goed wat hij ermee moest doen. Wat als de brief dan niet meer zou komen?
Als hij zegt dat je moet verhuizen, zal hij je wel vinden.
Hij hoopte het, vol tegenzin en angst deed hij wat de brief hem vroeg. Het kostte veel van zijn krachten. Hij wilde niet weg uit het appartement, toch deed hij het. Hij zocht en vond een kleine flat in de nieuwe Bijlmermeer. Zeven dagen voordien was hij pas helemaal verhuisd. Angstig hield hij die vrijdag het nieuws in het oog. Hij voelde zich schuldig toen opluchting door zijn lijf raasde bij het nieuws over een grote brand die zijn oude gebouw in de as legde. Het dubbele gevoel bleef dagen nazinderen. Tot opluchting verminderde, schuld wegebde, maar angst dat de brief hem niet meer zou vinden, bleef sluimeren. Tot die eerste maandag van juli om negen uur de bel ging en hij de brief weer ging halen.
De brief waarnaar hij net het jaar nadien via de traphal onderweg was. Meerdere herinneringen drongen zijn hoofd binnen bij elke stap die hij verder naar beneden zette. Grote vragen drongen zich op bij elke verdieping die hij overwon.
Zou hij van jouw ouders komen?
Die mogelijkheid was al vaak voorbij gekomen, hij had het antwoord niet.
Herinner jij jou hen?
Het antwoord joeg een kramp door zijn buik, een priem drong in zijn hart. Hij wilde dat hij zich een gezicht voor de ogen kon halen, hij kon het niet.
‘Als het zo is, hoe kunnen zij dit allemaal weten?’
Het bleef stil in zijn hoofd.
‘Waarom komen ze het niet gewoon zelf zeggen?’
Misschien doen zij al die dingen?
Lange tijd bleef het stil. Hij wilde zeggen dat dat onmogelijk was, dat het gewoonweg absurd was. Hij kon het niet. Het klonk niet onlogisch.
Herinner je je die ladder nog?
Een kreun ontsnapte aan zijn mond toen hij terugdacht aan die donkere avond eind november. Hij was op weg naar huis van zijn werk. Te voet. De bus mocht hij niet nemen, dat stond in de brief. Het ongeval dat hij nog net hoorde gebeuren, toverde een wrange glimlach om zijn mond. Snel veegde hij die weer weg, het besef dat dit vreemd overkwam terwijl mensen achter hem hun longen uit hun lijf schreeuwden van angst en pijn, drong net tot hem door.
Vergeet de ladder niet.
Hij bleef staan op de stoep, keek zonder te bewegen voor zich uit.
Er waren twee meldingen vandaag.
Bijna was hij ze vergeten, de bus had al zijn aandacht opgeslorpt.
‘Waarom twee?’ had hij gefluisterd.
Gewoon, drukke dag? Voor hen …
Hij had niet geantwoord, was de straat overgestoken en zag nog net hoe een ladder van zo’n vijf meter lang naar beneden viel. Hij hoorde de luide slag waarmee ze landde op de plek waar hij net had gestaan. Hij durfde niet te kijken, was de hoek om gelopen. Zijn hoofd was snel van links naar rechts gevlogen, maar er was niemand in de buurt die de ladder leek te hebben geduwd.
‘De wind,’ had hij gefluisterd.
Het is windstil.
‘De schokgolf van het busongeval?’
Geloof je dat zelf?
Hij was naar zijn appartement gegaan en had zich op zijn bed gelegd, waar hij niet vanaf was gekomen tot de volgende ochtend. Als een lijk had hij er gelegen. Stokstijf. Tot hij zichzelf had verplicht om naar buiten te gaan.
Vandaag is er geen melding.
De ladder lag er nog, maar ze was verschoven en er was een lint omheen gespannen. Op de plek waar ze de grond had geraakt, was een donkere vlek. Zichtbaar opgekuist, maar het was duidelijk.
Hoe kan dit?
Minutenlang was hij ernaar blijven kijken, een man stopte naast hem, hij wees ernaar.
‘Vreselijk ongeval. Een kind. Het speelde op de stoep en liep gewoon naar daar.’
Aiden wilde huilen, hij kon het niet, hij was weggelopen zonder iets tegen de man te zeggen.
‘Dat had ik moeten zijn,’ fluisterde hij toen hij de hoek om was en tegen een muur leunde.
Als jij dat had moeten zijn, had de brief jou niet gewaarschuwd.
‘Hoe wist die dat?’
Stop met dat proberen te begrijpen. Het maakt niet uit. Hij is er.
Het besef dat hij het echt niet begreep, joeg door Aiden terwijl hij de laatste trap naar het gelijkvloers nam. Hij hijgde, ook al was het afgelegde pad enkel naar beneden en joeg het vooruitzicht van vijfendertig verdiepingen omhoog hem afkeer aan.
‘Neem je tijd. Misschien is de lift intussen hersteld.’
De mannen die voor de opengesperde deuren in de hal stonden, hun handen in hun zijde, krabbend op hun schedel, joegen de hoop direct weer weg.
Hij opende zijn mond om iets te vragen, een boze blik in zijn richting sloeg zijn tanden haast hoorbaar op elkaar. Hij trok zijn hoofd tussen zijn schouders en liep naar de brievenbus aan de andere kant van de hal.
Je hebt je sleutel toch bij je?
Een nieuwe golf van angst spoelde door hem, met een snelle beweging tastte hij in zijn broekzak, het koele metaal stelde hem gerust.
‘Waarom doe je dat?’ gromde hij.
Een ogenblik dacht hij een grinnik te horen onder zijn schedel, hij schudde zijn hoofd en opende de bus. Een lichtgele enveloppe lag netjes in het midden van de bus. Alsof ze er zo in was gelegd en niet door de gleuf naar binnen was gevallen.
‘Dat kan niet.’
Dat kan wel of denk je dat dit alles normaal is? Ken je nog mensen met zo’n brief?
Hij hield de enveloppe tegen zijn neus, de geur stelde hem gerust. Hoop dat de mannen aan de andere kant van de hal toch een oplossing hadden gevonden, zweefde even naar boven, verdween even snel als hij zich omkeerde en de gefrustreerde blikken zag.
‘Dat wordt klimmen, vriend,’ gromde een van de mannen die hem naar de traphal zag gaan. ‘Moet je hoog?’
Aiden antwoordde niet, glipte door de deur en haastte zich naar de eerste verdieping.
‘Weirdo,’ dacht hij te horen, het deed er niet toe. Hij had zijn brief.
Nu enkel nog boven raken.
 
Aiden herinnert zich pijnlijk goed hoe uitgeput hij was toen hij bijna een uur later de vijfendertigste verdieping bereikte en drijfnat van het zweet zijn deur probeerde te openen. Tot drie keer toe liet hij de sleutel vallen, zijn hele lijf trilde toen hij naar binnen strompelde. Ook de brief zelf had zweetschade opgelopen, voorzichtig legde hij het waardevolle voorwerp op zijn keukentafel. Hij haalde keukenrol en droogde het papier zo goed mogelijk af. Hij zakte op een stoel in elkaar en bewoog lange tijd niet.
Rust eerst.
Hij schudde zijn hoofd. Hij kon niet meer wachten. Hij moest weten wat erin stond. Wat als er iets voor vandaag was? Of morgen?
Drink tenminste iets voor je flauw valt.
Het kostte hem moeite om zich los te maken van zijn stoel, het koele water uit de kraan deed deugd. De rillingen namen verder af, zijn T-shirt plakte tegen zijn lijf, maar hij wilde niet meer wachten. Hij moest weten wat hem te wachten stond.
Met een mes opende hij de enveloppe. Voorzichtig, zodat het papier erin zeker niet beschadigd zou worden. Hij veegde zijn handen af aan de keukenhanddoek en trok de acht vellen uit hun gele omhulsel. Het waren er altijd acht. Met op elke pagina acht data. Niet meer, niet minder. Hij had geen idee waarom, maar het deed er niet toe. Het waren die acht vellen met hun inhoud die hem al deze tijd in leven hadden gehouden.
Leuk leven, zonder spanning.
‘Wat zeg je?’
Wat is er eigenlijk aan een leven als je alles op voorhand weet?
‘Dat wil toch iedereen?’
Denk je?
Aiden had de stem weggeduwd en de eerste bladzijde gelezen. Hij had gehuiverd en gehuild.
Dinsdag twee juli. Ga geen inkopen doen.
Hij dacht dat hij wist wat er zou gebeuren. Elke dinsdag deed hij boodschappen, in een kleine supermarkt in de buurt, maar het werd alsmaar gevaarlijker in die omgeving. Dat voelde hij. Dat zag hij aan de blikken van de mensen in de straat, aan de angst in de ogen van de winkeluitbaters.
Je moet hen waarschuwen.
Hij hoorde de woorden, twijfel duwde hem haast omver.
‘Wat als de brief dan stopt met komen?’
Is het oké dat jij alleen wordt beschermd?
De stem verwoordde de twijfel die hem steeds vaker in zijn dromen bezocht. De schuld die een opstoot kende telkens zijn leven werd gered, maar anderen stierven.
‘Moet ik dat beslissen? Dat is toch niet aan mij?’
Aan wie dan wel? Wie anders heeft deze informatie?
Hij las verder. Tranen liepen over zijn wangen toen doordrong wat de echte betekenis van al deze lijnen tekst was. Hij veegde ze af en schoof de brief terug in de enveloppe. Hij liep naar zijn voorraadkast, zag dat ze bijna leeg was. En de lift deed het niet.
Andere winkel proberen?
Een rilling joeg over zijn rug.
‘Ik heb genoeg voor twee dagen.’
Denk je dat jouw supermarkt overmorgen open zal zijn als ze morgen …
Hij zakte tegen de muur in elkaar, zat er urenlang zonder te bewegen.
‘Oké, morgen ga ik naar de andere kant van de stad.’
De stem bleef stil. Hij kroop in zijn bed en ging de volgende dag naar een andere winkel. Hij beefde de hele tijd, maar het lukte. Tot het nieuws hem bereikte dat de uitbaters van zijn vaste supermarkt die avond waren vermoord.
Je had hen moeten waarschuwen!
‘Ze zouden me niet hebben geloofd. Wat moest ik zeggen? Ik heb een brief waar dit instaat?’

Volgende week leest u hier het tweede en slotdeel van het verhaal
0 Opmerkingen

Je opmerking wordt geplaatst nadat deze is goedgekeurd.


Laat een antwoord achter.

    Inhoudstafel fictie
    Oproep verhalen
    AI-gegenereerde fictie
Powered by Maak je eigen unieke website met aanpasbare sjablonen.
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch