Out of this World
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch

VERHALEN

Luc Vos - Dat staat toch op het papiertje - deel 2

23/7/2025

0 Opmerkingen

 
Toen wist hij niet wat hij ermee moest doen. Net zoals hij nog steeds niet weet wat hij moet doen met de waarschuwingen die ongetwijfeld ook in de brief zullen staan die binnen dit en vijf minuten op hem ligt te wachten.
‘De lift werkt, ze is helemaal vernieuwd,’ zegt hij, in een poging de stem voor te zijn.
Er komt geen antwoord. Hij staart naar de wijzers die langzaam ronddraaien. Het lijkt of ze trager gaan dan anders, hij weet dat dat niet kan. Ze beginnen aan hun finale rondje, hij houdt zijn adem in als ze de laatste tien seconden naar negen uur aanvatten. Zijn hand gaat omhoog, zijn rechter wijsvinger maakt zich klaar om op de parlofoon te drukken. Hij knippert snel als de wijzers negen uur voorbij lopen en het stil blijft. Hij wrijft met zijn linkerhand in zijn oog, de klok gaat onverstoord verder.
‘Wat …’
Het blijft stil. Angst dat ook de stem is verdwenen, drukt op zijn borst. Een gevoel van eenzaamheid slaat in zijn maag. Hij wil opstaan, hij wankelt en valt terug in de stoel die hij naast de deur heeft gezet. Zoals elk jaar, die eerste maandag van juli.
Hij tikt op de klok, het maakt geen verschil. De tweede minuut na negen uur wordt ingezet, de derde volgt, zonder dat een bel weerklinkt.
‘Dit kan niet.’ Hij veegt het zweet van zijn voorhoofd met zijn zakdoek. ‘Deed ik iets fout?’
Nog steeds blijft het stil. Met veel moeite slaagt Aiden erin om overeind te komen. Hij wankelt naar de deur. Hij wil ze openen, zijn hand laat de klink weer los.
‘Je moet wachten tot de bel gaat.’
‘Misschien is ze stuk.’
Die mogelijkheid jaagt een golf van opluchting door zijn lijf. ‘Natuurlijk, dat ik daar niet aan dacht. De bel is stuk. Dat is het! Het is een jaar geleden dat er nog op werd gedrukt. Dat kan niet anders. De brief is er wel. Je moet hem alleen gaan halen. Alles is normaal. Toch?’
Het antwoord waar hij op wacht, blijft uit. De bevestiging waar hij op hoopt, komt niet, net zomin als het aanjagen van de twijfel waar de stem zich altijd met veel plezier aan waagt.
‘Ik ga kijken.’
Hij grist de sleutel van de plek waar hij altijd ligt en loopt naar de deur.
‘Wat als de bel zo dadelijk toch gaat?’
‘Dan zal ik al onderweg zijn.’
Hij opent de deur, de klap waarmee ze achter hem sluit, schrikt hem op. De sleutel in zijn hand stelt hem gerust.
‘De sleutel van de …’
Hij klopt op zijn broekzak, ook de sleutel van de brievenbus zit klaar. Hij hing er een grotere sleutelhanger aan om zeker te zijn dat hij het kleinood zou voelen. Een druk op de liftknop, gevolgd door een piep dat zijn verzoek goed is ontvangen, verlaagt de rillingen die onophoudelijk door hem razen.
‘Het is oké. Het komt goed. De bel is stuk. Dat is alles.’
Een ogenblik wil hij op zijn eigen deurbel drukken, hij doet het niet.
‘Dat is niet hetzelfde als beneden. Dat bewijst niets als die werkt.’
De lift laat lang op zich wachten, maar ze komt. Ze is leeg, hij stapt in, drukt op 0 en wacht tot het toestel zich in beweging zet. Ze stopt meerdere keren, hij gaat achteruit als medebewoners instappen. Hij kijkt niemand aan, hij negeert hun nieuwsgierige blikken. Hij heeft maar een doel.
De stilte in zijn hoofd jaagt hem angst aan, maar hij probeert kalm te blijven. Ook al duurt het ontiegelijk lang om naar beneden te raken. Het lijkt wel of het hele blok tegelijk in de lift wil stappen. Bij de tiende stop wil hij roepen dat de lift vol is en dat hij naar beneden moet, maar geen woord verlaat zijn mond.
Eindelijk bereiken ze de benedenverdieping, hij wil zich als eerste naar buiten wurmen, enkele oudere vrouwen kijken hem boos aan en gaan – opzettelijk, zonder twijfel – tergend traag voor hem door de kleine opening. Ze houden hun kin in de lucht en kijken hem verwijtend aan. Hij negeert hun blikken en glipt langs hen door naar de brievenbus. Zijn hand trilt als hij de sleutel in het slot wil steken, het geeft niet mee.
‘Nee …’
Zijn hand trilt nog harder, zweet druppelt van zijn voorhoofd.
‘Is er iets, jongeman?’ vraagt een vrouw naast hem. ‘Waarom probeer je mijn brievenbus te openen?’
Een ogenblik wordt alles zwart in Aidens hoofd, dan keert het licht terug en kan hij weer ademen. ‘So … sorry.’ Hij kijkt haar schuin aan. ‘Dat was niet de bedoeling. Ik …’
‘Vergissen is menselijk,’ zegt de vrouw vriendelijk. Ze kijkt hem met half dichtgeknepen ogen aan. ‘Is alles goed?’
‘Eh, ja. Sorry.’
‘Je ziet bleek. Kom je wel genoeg buiten?’
Aiden antwoordt niet. Hij probeert naar haar te glimlachen en steekt zijn sleutel in het juiste slot. Hij begrijpt niet hoe hij zich zo kon vergissen, maar hij weet dat het toeval is. De stress, ongetwijfeld. Dit keer geeft de sleutel mee. Hij aarzelt als hij merkt dat de vrouw nog steeds naar hem kijkt en wacht met de deur te openen. In zijn ooghoek ziet hij hoe de vrouw hem nog even bekijkt, hoe ze haar hoofd schudt, haar post neemt en naar de lift loopt. Gehaast trekt hij de deur open, zijn hart stokt als er geen enveloppe te zien is.
‘Hoe …’ Meer woorden slagen er niet in zijn mond te verlaten. Het wordt zwart voor zijn ogen, hij grijpt zich vast aan de rand van de brievenbussen, ademt enkele keren diep in en ziet weer. Hij begrijpt het niet. Hij kijkt op zijn uurwerk, het is de eerste maandag van juli. Hij staart naar het grote scherm aan de ingang van de hal, ook daar verschijnt dezelfde datum in heldere, gele letters.
‘Geel …’
Met een ruk kijkt hij weer naar de geopende brievenbus, een geel voorwerp in de verste hoek trekt zijn aandacht. Dat het geen enveloppe is, is duidelijk. Zijn hand slaat tegen de rand, zijn knokkels roffelen tegen de kanten als hij naar de achterste wand van de smalle, lange ruimte tast. Hij voelt een briefje, hij probeert het tussen zijn vingers te vatten. Het valt. Hij ademt drie keer diep in, zijn hand vertraagt, hij onderneemt een nieuwe poging. Dit keer lukt het. Het briefje kleeft tussen zijn bezwete vingers. Hij trekt het dichterbij.
‘Er staat iets op …’
Een ogenblik denkt hij dat de stem terug is, het besef dat hij het is die dit fluistert, jaagt de onrust verder aan. Hij trekt het briefje naar buiten, kijkt gehaast om zich heen. De hal is weer leeg, met vochtige ogen kijkt hij naar de tekst op het briefje. Het beeld is troebel, hij wrijft en ziet de tekst. Er staat slechts een enkel woord op.
‘O …,’ fluistert hij.
Hij weet niet hoelang hij al naar het briefje kijkt als iemand op zijn schouder tikt.
‘Sorry, meneer, maar mag ik even?’
Gedesoriënteerd kijkt Aiden op. ‘Huh?’
De man gebaart naar de brievenbus naast de zijne. ‘Mag ik ook mijn brievenbus leegmaken?’ vraagt de man. Hij kijkt vriendelijk, toch schijnt verveeldheid door in zijn blik. ‘Of verwacht u nog een brief die plots in uw bus zal opduiken?’
‘Huh?’ Verward kijkt Aiden op. ‘Wat zegt u?’
‘Niets.’ De man kijkt echt verveeld. ‘Mag ik? Ik heb nog dingen te doen.’
De woorden van de man blijven door Aidens hoofd razen, maar hij kan geen klank over zijn lippen krijgen. Tegen zijn zin sluit hij zijn bus en zet enkele stappen achteruit. De man mompelt een dank u, haalt zijn bus leeg en loopt, na nog een hoofdschuddende blik naar Aiden, naar de lift. Ook nu denkt Aiden dat hij hem een weirdo noemt. Hij gaat er niet op in, maar staart naar het briefje in zijn hand, het woord doet zijn hoofd tollen.
‘Wat deed ik dan al die tijd?’
Het uitblijven van een reactie van de stem verhoogt de onrust.
‘Zou het …’
Hij brengt het briefje naar zijn neus, de bekende zoete geur helpt niet om zijn kalmte te hervinden.
‘Waarom geen brief meer?’
Dat staat toch op het papiertje.
Een schok gaat door Aidens lijf.
‘Je bent er nog.’
Het blijft stil. Twijfel of hij het goed hoorde, vecht met de groeiende onrust.
‘Wat moet ik nu doen?’
Dat staat toch op het papiertje.
‘Ben jij het echt?’
De stilte is haast onwerkelijk. De hal is leeg. De lift beweegt niet. Geluiden van de stad dringen niet door.
‘Hoe moet ik dat doen?’
Het blijft doodstil. Aiden staart naar de brievenbus, langzaam beweegt zijn hoofd richting lift. ‘Je moet naar boven. Rustig nadenken over wat je moet doen. Hier ga je de antwoorden niet vinden. Toch?’
Het verwachte antwoord in zijn hoofd blijft uit. Hij schuifelt naar de lift, zijn vinger krijgt een schok als hij de lift roept en even later aarzelend naar binnen stapt. Dit keer is de lift leeg, ze blijft in die toestand tot hij op zijn verdieping uitstapt en zijn appartement binnen glipt.
‘Hoe kan dit?’ Hij kijkt naar het briefje, het bevat nog steeds een enkel woord. ‘Ik moet de andere brieven zien. Misschien heb ik iets gemist.’ Met zware benen loopt hij naar de keukentafel waar hij de laatste brief liet liggen.
‘Waar …’
De tafel is leeg. De brief die hij vanochtend voor het laatst las, is verdwenen. Een snelle blik over zijn schouder bevestigt hem dat het slot van de deur intact is.
‘Je legde hem zeker al weg.’
De onrust zakt weer. Met twee grote stappen staat hij voor de kast in de woonkamer waar hij alle brieven zorgvuldig bewaart. Netjes op een stapel. Per jaar. Al herlas hij ze nooit. De voltooide brief ging op de stapel en bleef daar onaangeroerd liggen.
Hij opent de kast, zijn hand blijft trillend hangen in de opwarmende lucht.
‘Waar …’
De legger waar zo’n tien brieven horen te liggen, is leeg.
‘Wie …’
Hier komt niemand.
Aiden opent de andere kastdeur, ook daar is alles leeg. Hij zakt in elkaar. Hij rilt, rolt op. Zijn knieën drukken tegen zijn borst, hij kan bijna niet ademen.
‘Wat nu? Wat nu?’
Tientallen keren herhaalt hij de twee woorden. Zijn hoofd is blank. Tranen rollen over zijn wangen.
Kalmeer!
Hij hoort de stem niet. Het besef dat ze er nog steeds is, dringt niet tot hem door. Hij wil ze niet horen. Ze is niet echt.
Zoals de brieven.
Zijn ademhaling vertraagt.
‘Die waren wel echt.’
Ben je zeker?
Hij zakt tegen de kast op de grond. Zijn benen tegen zijn borst getrokken, staart hij uit het enige raam dat zijn appartement rijk is. Het zicht over de stad is donker. Overal rond hem staan hoge torens, net zoals de zijne.
‘De brief is verkeerd geleverd.’
Hij hoort de woorden uit zijn mond, hij weet dat het niet waar is.
‘Dan zou het briefje er niet zijn.’
‘Maar …’
Lange tijd blijft hij stil.
‘Hoe moet ik nu verder? Wat moet ik doen?’
Dat staat toch op het papiertje.
‘Waarom kom jij alleen nog om dat te zeggen?’
Weer blijft het stil.
‘Waarom nu? Waarom niet eerder?’
De stilte om hem heen is intens.
‘Was ik er niet klaar voor?’
Nog steeds komt er geen antwoord.
‘Maar … ik weet niet hoe.’
Hij sluit zijn ogen, vermoeidheid die hij niet eerder voelde, komt over hem. Hij weet niet hoelang hij weg was als het geluid van de bel hem opschrikt. Het duurt even voor hij beseft wat het is.
‘De brief!’
Hij wil overeind staan, zijn benen weigeren dienst. Duizend naalden prikken, hij valt op zijn zijde. Zijn hoofd botst tegen de kast, hij schokt. Langzaam kan hij zijn benen bewegen, hij kruipt op handen en voeten naar de deur. Hij reikt naar de bel, zijn handen geraken er niet bij. Hij trekt zich op aan de stoel die er nog steeds staat, met trillende vingers slaagt zijn derde poging.
‘Ja?’
Zijn stem klinkt luider dan hij wil, het maakt niet uit. De brief is er.
‘Meneer Pieters?’
‘Dat ben ik. Is er een brief?’
Een ogenblik blijft het stil. ’Brief? Nee. Weet ik niets van. Het is om te melden dat de lift een paar dagen niet bruikbaar zal zijn. Er zijn dringende herstellingen nodig. Gaat dat lukken voor u? Heeft u hulp nodig?’
Aiden wil antwoorden, beelden van de vorige keer dat de lift stuk was, flitsen door zijn hoofd.
‘Toen was er wel een brief.’ Zijn stem is bijna onhoorbaar.
‘Meneer Pieters?’ De stem in de parlofoon klinkt verveeld. ‘Gaat het lukken? Indien niet, zal iemand van het gebouw u boodschappen brengen. Is dat nodig?’
‘Huh? Wat? Nee … Dat is nie …’
Een klik geeft aan dat de verbinding alweer is verbroken. Aiden ploft neer op de stoel. Zijn benen prikken nog steeds, zijn hoofd tolt.
‘Wat moet ik nu doen?’
Dat staat toch op het papiertje.
De stem jaagt een schok door zijn lijf.
‘Ik weet niet hoe.’
Begin bij het begin.
Hij wil vragen hoe, een beeld van hem die naar buiten gaat, flitst voorbij.
Zie je wel.
‘Maar … dat is gevaarlijk.’ Hij schokt. ‘Zonder brief.’
Er komt geen antwoord.
‘Wat als ik het juiste niet ontwijk?’ Hij sluit zijn ogen. ‘Wat als ik het juiste wel ontwijk?’
Een rilling trekt over zijn ruggengraat. Beelden van zijn leven van de laatste tien jaren tuimelen door elkaar. Ze lijken identiek. Geen afwisseling in zijn dagelijkse routine. Enkel de brief die hem gebood iets anders te doen, wat hij deed, nooit iets anders.
Aiden staat overeind van de stoel. Hij kijkt om zich heen. De grauwheid van zijn appartement beukt in zijn maag. Nooit eerder stond hij erbij stil dat er geen kleur zit in zijn kamer.
‘Moet ik dit schilderen?’
Hij knikt enkel en loopt naar zijn kleerkast. Ook daar overheerst dezelfde somberheid.
‘Hoe komt dit?’
Een flits vliegt voorbij. Beelden van een man en een vrouw beuken in zijn hoofd.
‘Wie zijn dat?’
Hij kent het antwoord. Hij weet wie die mensen zijn, een sluier verhindert hem om hen helder te zien. Beelden van een duistere tijd zoeken zich een weg door zijn geest.
‘Was ik niet altijd alleen?’
Het hernieuwde besef dat alles voor de komst van de brieven een donkere vlek is in zijn hoofd, drukt hem op de stoel. Rillingen nemen bezit van zijn lijf.
‘Wie zijn dat?’
Een gevoel van warmte werkt zich omhoog in zijn borst. Tegelijk snijden vlijmscherpe messen stukken uit de warmte. Een pijn die hij niet herkent, rukt slierten uit zijn hart.
‘Wat …’ Hij hapt naar lucht. Een ogenblik denkt hij dat hij gaat stikken, dan hervat zijn adem en kalmeert hij weer.
‘Je moet naar buiten.’
Het idee om zonder reden naar buiten te gaan, maakt was van zijn benen. De wetenschap dat hij zonder bescherming uit de deur moet stappen, doet Aiden opnieuw naar lucht happen. Heel even, dan vermengt het idee met het woord op het papiertje. Hij kijkt er opnieuw naar, het bonzen in zijn borst vermindert.
‘Je moet!’
Aarzelend stapt hij naar de deur.
‘Jouw sleutels!’
Hij klopt op zijn broekzak, de sleutelbos puilt uit.
‘Die heb ik.’
Hij loopt naar buiten, de lift brengt hem zonder problemen naar beneden. De hal is leeg, ondanks het grote aantal inwoners van dit gebouw.
‘Waar moet ik naartoe?’
Er komt geen antwoord, hij loopt naar buiten, zoals hij elke dag doet als hij naar zijn werk gaat, maar hij slaat niet linksaf. Hij blijft staan en kijkt naar het kleine park dat groen hoort te brengen in een grauwe omgeving. Het park dat wordt beheerst door jongeren die graag mensen lastig vallen. Dat weet hij. Daarom komt hij er niet.
‘Ik ga naar daar.’
‘Dat is gevaarlijk.’
‘Ja.’
Hij loopt verder, sneller dan hij gewoon is. Zijn hoofd komt langzaam omhoog. Zijn ogen vangen de blik van een vrouw die hem passeert, een enkele seconde, een schok gaat door zijn lijf als hij de angst in haar ogen ziet. Snel keert ze weg en vervolgt haar pad, haar hoofd tussen haar schouders getrokken zoals …
‘Zoals jij.’
Hij gaat verder, loopt nog sneller. Zijn hoofd gaat verder omhoog, hij ziet een kind aan de overkant van de straat. Het heeft een pop in de hand, hij ziet de vrolijke kleuren, een glimlach poogt de verstarring van zijn lippen te doorbreken.
‘Kleur.’
De woorden stokken in zijn keel als zijn voet blijft haken achter een opstekende tegel. Hij wankelt, zijn armen molenwieken, hij kan zich niet houden en valt op zijn knieën. Een pijnscheut vliegt door zijn lijf naar boven, zijn licht gaat enkele tellen uit tot groeiend gejoel om hem heen hem wekt.
‘Hé, kijk eens hier. Die zagen we nog niet eerder. Moeten we deze kerel eens leren dat dit park van ons is?’
Langzaam opent Aiden zijn ogen, drie kerels staan over hem gebogen. Eentje port in zijn buik, het doet pijn. Hij wil zijn ogen weer sluiten, zich oprollen en wachten tot ze hem met rust laten.
Dat is net niet wat je moet doen.
‘Maar, wat als ze mij … ‘
Wat als je hen dat laat doen?
Een onbekend gevoel verjaagt de pijn die nog steeds vanuit zijn knie omhoog vliegt. Moeizaam keert Aiden zich om en richt zich op. Potsierlijk wankelt hij enkele keren, tot zichtbaar jolijt van de kerels die om hem heen dansen.
‘Daar gaan we niet veel moeite mee hebben,’ lacht de grootste van de drie en geeft Aiden een nieuwe por.
Aiden blijft staan, hij richt zijn hoofd op en kijkt de man recht aan. Hij heeft geen idee waar de kracht in zijn lijf vandaan komt, maar hij knippert niet en tekent een nieuwe glimlach om zijn mond.
Het is duidelijk dat dit niet de reactie is die de kerel had verwacht. Hij gaat een halve stap achteruit en kijkt een ogenblik twijfelend naar zijn maten.
‘Wat denk je? Lesje leren?’ zegt hij na een korte aarzeling.
De twee anderen knikken en alsof ze het hebben afgesproken, springen ze boven op Aiden. Deze probeert zich te verweren, maar zijn tengere lijf is geen partij voor deze kerels. Slagen landen in zijn buik en op zijn hoofd. Hij wil roepen, geen woord verlaat zijn lippen nog.
Al wat je nodig hebt, staat op het briefje.
De woorden galmen in Aidens hoofd, plots blijft hij bewegingloos staan. Zijn lichaam verstart, de slagen die nog steeds blijven komen, slaan te pletter op zijn verstijfde lijf. De kerels aarzelen. Als een zoutpilaar staat Aiden tussen hen in, hij houdt zijn handen gekruist voor zijn borst, loensend kijkt hij hen aan. Hij heft zijn hoofd omhoog. Met half dichtgeknepen ogen kijkt hij de grootste aan, zijn mond opent. Een kreet, startend diep in zijn lijf, bouwt op. Woorden ontbreken, rauwe gevoelens razen naar buiten. Hij schreeuwt, luid genoeg om ruiten te doen trillen. Hij brult, haast hard genoeg om de trommelvliezen van de mannen te doen springen. Ze stoppen met slaan, kijken elkaar vragend aan. Ze aarzelen, tot de grootste het zekere voor het onzekere neemt en enkele stappen achteruit zet, op de voet gevolgd door de andere twee. Hij kijkt Aiden verbaasd aan, hij gebaart naar de anderen en maakt zich uit de voeten.
Nog even blijft Aiden verdergaan, dan zakt hij in elkaar op de stoep. Hij hijgt, zweet stroomt uit elke porie. Zijn ogen zijn wijd open, hij kijkt naar een plek in de verte. Hij ziet schimmen. Hij wrijft in zijn ogen, bloed prikt erin. Hij neemt een papieren zakdoek en veegt het weg. Hij knippert, het beeld blijft. De beeltenissen van twee mensen worden steeds helderder voor hem.
‘Wie …’
Hij slikt zijn woorden in, hij weet wie ze zijn. De beeltenissen worden duidelijk, ze zijn dichtbij, een nieuwe glimlach vormt om zijn mond. De pijn van de slagen is verdwenen, de brandende priemen in zijn keel komen tot rust.
‘Dag mama,’ fluistert hij.
‘Dag lieverd.’
Haar stem is zo zacht als de herinnering die losbreekt in zijn hoofd.
‘Dag vriend,’ zegt zijn vader.
‘Dag papa.’
Hij lacht en huilt. Zijn lichaam schokt.
‘Je hebt het goed gedaan,’ zegt zijn moeder. ‘We zijn fier op jou.’
Aidens gezicht betrekt. Beelden die hij zich niet kon herinneren, breken door. Hij ziet deze mensen voor hem, maar in zijn herinnering staan ze niet overeind. Ze liggen. In een vreemde houding. Bloed stroomt uit hun lichamen. Zijn oren horen niet meer, doof van de knallen die weerklonken uit pistolen die hoorden bij mensen die hij niet kende. Hij keek hen aan, wilde roepen dat ze dat niet hadden mogen doen. Hij ziet hoe pistolen zich naar hem richten. Hij is er zeker van dat hem hetzelfde lot wacht als het geluid van sirenes de schoten tegenhoudt en de mannen weglopen. Hij schudt zijn hoofd, de herinnering vervaagt.
‘Wat gebeurde er, mama?’ Zijn stem is zacht, maar hij weet dat ze hem horen.
‘Daar kon jij niets aan doen, lieve schat,’ antwoordt zijn moeder.
De wetenschap dat hij er wel aan kon doen, vliegt door zijn hoofd. Hij wilde naar de bioscoop. Die eerste maandag van juli. Tien jaar geleden. Zijn ouders niet.
‘Het is gevaarlijk in die buurt,’ had vader gezegd.
‘Maar …’
Aiden had aangedrongen. Ze hadden toegegeven, hun toegift met hun leven bekocht. De vrolijkheid die hij voelde bij het weerzien van zijn ouders, wordt aan flarden geslagen.
‘Het is wel mijn schuld, papa,’ fluistert hij.
‘Nee!’ Vaders stem klinkt ferm. ‘Jij hebt niet geschoten, vriend. Jij kon er niets aan doen.’
‘Maar …’
‘Niet, Aiden. Niet, hoor je mij?’
Vader lacht naar hem. ‘Je hebt het goed gedaan, Aiden.’
‘Stuurden jullie …’ Aiden aarzelt. Hij kan het niet geloven. ‘Stuurden jullie die brieven?’
Ze glimlachen beiden. ‘We beloofden toch dat we voor jou zouden zorgen?’
Aiden zwijgt. Dat beloofden ze inderdaad. Toen hij naar hen toe kroop en ze, elk een bebloede hand in de zijne, naast hem lagen. Hij voelde het leven uit hen stromen, hij zag hoe ze stierven. Hij hoorde hoe ze beloofden dat ze er altijd zouden zijn voor hem.
‘Waarom stoppen jullie er nu mee?’ Zijn stem trilt. Tranen stromen snel. ‘Ik heb jullie toch nog nodig?’
‘Wij blijven er voor jou, Aiden,’ antwoordt zijn moeder. ‘Maar je bent sterk genoeg om zelf je weg te zoeken in deze wereld.’ Ze glimlacht. ‘Het is tijd.’
‘Maar … Wat als ik het niet kan?’
‘Je kan het wel, Aiden, dat moet je geloven. Wij blijven waken. Maar het is jouw leven nu. Je moet het zelf nemen. Zelf leven.’
‘Stuurden jullie ook dat briefje?’
‘Wat denk je?’ Aidens vader kijkt hem met vochtige ogen aan.
Aiden glimlacht ook. Het voelt goed. Voor het eerst in lang verschijnt een echte lach om zijn mond. ‘Dank je, papa.’
Zijn vader knikt.
‘Dank je, mama.’
Ook zijn moeder knikt.
‘Doe wat op het briefje staat, Aiden. Dan komt alles goed.’
‘Dat doe …’
Het beeld van zijn ouders vervaagt, zijn adem stokt. De pijn die door zijn knie raasde toen hij viel, die verdwenen was toen hij zijn ouders zag, is terug. Zijn gezicht verkrampt. De glimlach is weer weg. Toch voelt hij zich anders.
Een stem achter hem schrikt hem op.
‘Aiden? Ben jij dat?’
Hij probeert om te kijken, ook zijn rug doet pijn. Een jonge vrouw knielt bij hem. Hij kent haar.
‘Aiden? Gaat het?’
Verward kijkt hij haar aan.
‘Ik ben het, Sara. Ik zit twee rijen verder van jou op het werk. Ken je mij niet?’
Verlegen knikt hij. ‘Ja, sorry. Natuurlijk. Ik … ik ben gevallen.’
‘Dat zie ik.’ Ze glimlacht kort. ‘Kan je opstaan?’
Ze reikt haar hand, ze voelt warm in de zijne. Moeizaam kruipt hij overeind.
‘Voorzichtig. Je hebt toch niets gebroken?’
Ze laat hem niet los, knijpt zacht in zijn hand. Een rilling loopt uit haar vingers naar zijn buik.
‘Ik denk het niet.’
Scheef kijkt hij haar aan. Het lijkt alsof hij haar voor het eerst ziet. Ze lijkt het te merken en knipoogt.
‘Kom, je armen zijn duidelijk geschaafd. Die moeten worden verzorgd. Ik woon hier vlakbij.’
Aiden zegt even niets. Hij kijkt over zijn schouder naar de plek waar zijn ouders stonden. Hij lacht. Hij kijkt naar het briefje in zijn hand. Hij lacht harder. Hij kijkt naar Sara, de glimlach om zijn mond verbreedt.
‘Dank je, Sara,’ zegt hij.
Vragend kijkt ze hem aan. ‘Waarvoor? Ik deed nog niets?’
Aiden antwoordt niet, hij kijkt naar het briefje in zijn hand.
‘Wat staat daarop?’ vraagt ze. ‘Als ik dat mag weten.’
Hij kijkt er even naar, draait het gele papiertje naar haar.
‘Leef!’ leest ze. ‘Een goed advies.’ Ze glimlacht. ‘Maar toch gaan we eerst jouw wonden verzorgen, anders zou dat wel eens van korte duur kunnen zijn. Ga je mee?’
‘Graag,’ antwoordt Aiden. ‘Heel graag.’

Dit is het tweede en slotdeel van het verhaal.
0 Opmerkingen

Je opmerking wordt geplaatst nadat deze is goedgekeurd.


Laat een antwoord achter.

    Inhoudstafel fictie
    Oproep verhalen
    AI-gegenereerde fictie
Powered by Maak je eigen unieke website met aanpasbare sjablonen.
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch