|
1.
Het gebeurde allemaal op een zonovergoten, warme ochtend: ik werd wakker in de mand van mijn hondje en was veranderd in een Kaninchenteckel. Ik lag knus in het nestje, rekte me geeuwend uit en had geenszins door dat ik in een hond was veranderd. Ik dacht dat ik gewoon in de mand was beland. Toen ik mijn onderbuik likte schrok ik me een hoedje, al meld ik dit eerder, eh, eufemistisch. Voordat ik verder kon nadenken ging de kamerdeur met een harde klap open en zag ik mezelf de woonkamer inlopen, waar ik in de mand lag. De persoon staarde me in een shocktoestand aan. Zij zei iets in mensentaal dat ik tot mijn verbazing niet begreep, maar wel kon raden. Ik was mijn hondje geworden en mijn hondje was mij geworden. We staarden elkaar wezenloos aan. Ik zag daar voor mij een slonzige vrouw staan in mijn te grote pyjama, zonder make-up, het haar alle kanten op. Ik wilde haar om hulp vragen, maar ze begreep me niet. Ik was hondentaal aan het spreken. Ik zag mijzelf naar de badkamer rennen, verbluft dat een viervoeter zo goed overweg kon met twee benen. Daar stond ik dan, bij de mand, onwennig met die vier poten. De woonkamer was ineens zo groot. Wat rook ik toch? Kwam de geur van buiten? Was mijn reukorgaan zo sterk? Ik moest plots hoognodig plassen en poepen, waarschijnlijk getriggerd door mijn heftige angst. De achterdeur naar de kleine tuin was dicht. Moest ik hier op mijn eigen vloer mijn behoefte doen? Even ophouden dan maar, ik had nu andere zorgen. Mijn mond was woestijndroog, ik moest iets drinken, liefst koffie, maar dat was in deze situatie niet haalbaar. Het bakje met water naast de mand was half vol. Er dreven niet nader te identificeren bruine slierten en zwarte stipjes in het water. Welke dag was het ook alweer vandaag? Zondag, pfoei, geen werk, maar ik had wel iets anders op mijn agenda staan, iets zeer belangrijks: een groot tuinfeest, dat was het, bij mijn aanstaande schoonouders. Mijn vriend zou me vanmiddag ophalen en we zouden samen naar zijn ouders gaan. Mijn vriend en ik kenden elkaar lang, maar ik wist niet zeker of hij zou accepteren dat ik een hond was geworden. Hij was marinier en was gisteren teruggekomen van een missie. Sinds hij de opleiding tot marinier had gevolgd was hij sterk veranderd. Hij was staccato gaan spreken, ook tegen mij, was wantrouwig geworden, ook naar mij toe, en gedroeg zich toch wat egoïstischer, als ik het voorzichtig mag omschrijven, een arrogante zelfzekerheid. Misschien was hij vroeger al zo, maar had ik het niet opgemerkt. Een vriendin die ik na lang twijfelen in vertrouwen had genomen drukte me op het hart dat er echt niks aan de hand was met mijn wederhelft. Ik was wat jaloers volgens haar, maar dat was geen ramp, ze kende een goede relatiecoach die me snel kon fiksen. Ze had geen oor naar mijn protesten, dat ik me misschien tekort gedaan voelde. Mijn subjectieve mening telde volgens haar niet. Mannen hadden soms hun buien, wij vrouwen moesten dat doorzien. Ik moest gewoon wat meer aandacht geven, mannen hielden van extra belangstelling, zoals honden. Ze stuurde me het nummer van de coach voor het geval dat. Omdat ik niet van verrassingen hield wist ik wat er op het tuinfeest ging gebeuren. Mijn vriend zou daar mijn hand vragen. Sinds deze kennisgeving maakte ik mezelf wijs dat hij de ware was. Mannen waren toch allemaal dezelfde. Iedereen mankeerde wel iets. Ik hoorde mezelf boven in de badkamer rommelen en hard schreeuwen. Ik vermoedde dat ik daar boven aan het vloeken was. Ik moest echt hoognodig, de aandrang was niet meer vol te houden. Ik ging vlug in een hoek staan, deed mijn bibberende staart omhoog en liet een natte drol op de vloer plonzen. Vervolgens plaste ik bij de tafelpoot naast mij. Iets in mij dwong mij de urine en de stront te besnuffelen, maar gelukkig kon ik me nog net beheersen. Het verbaasde me weer dat alles zo groot en hoog was. Mijn baasje kwam terug, pakte me op en ging op de zetel mij traag strelen. Ik ervoer dit alles als een complete vervreemding. In wezen zat mijn hond mij te strelen. Ze zei zachtjes iets, maar ik verstond haar niet. Ik luisterde goed hoe het timbre van haar stem was. Ze klonk verdrietig. Ze pakte mijn telefoon en staarde naar het donkere scherm. In mijn hondentaal zei ik mijn toegangscode. Ze begreep me niet. Forse tranen biggelden over haar gezicht. Ik likte haar blote armen als troost. Ze zei iets liefs, maar wat precies was me een raadsel. Eigenlijk was het ook niet zo belangrijk wat ze zei. Ik had honger. In het bakje naast de waterbak lagen nog restjes van kippenhartjes. Ik had ze zelf gisteren nog klaargemaakt. Ik had er toch geen zin in. Het irriteerde me dat ik telkens snuffelend over de grond liep. Het was iets onbedwingbaars. Ik merkte ook dat ik continu op mijn hoede was, waarschijnlijk omdat ik zo laag bij de grond liep. 2. Ik hoorde en rook buiten iets, een andere hond die werd uitgelaten. Waren mijn zintuigen zo sterk? Als een bij naar een bloem werd ik naar het raam getrokken. Een Tibetaanse terriër passeerde met zijn baasje. ‘He, lekker wijfie, zit je me zo aan te staren?’ Moest ik geshockeerd zijn door zijn vulgair taalgebruik of door het feit dat ik hem verstond? De Tibetaan keek me uitdagend aan. ‘Sst, straks bij de hondenwei! We kunnen dan snuffelen en knuffelen, je weet wel. Tot zo!’ knipoogde hij brutaal. Ik rende geschrokken terug naar mijn mandje. De tijd drong. Mijn vriend kwam zo en ik was nog steeds een teckel. Boven hoorde ik gestamp. Ook viel er iets op de grond dat op glas leek. Wat deed zij daar toch? Mijn vriend hield niet van honden. Hij had daar allerlei ideeën over die ik hier beter niet kan verkondigen. Dat ik een hond had was eigenlijk de hoofdreden waarom we nog niet samenwoonden. Hij woonde bij zijn ouders en ik hier. Het was me dan ook volstrekt onduidelijk waarom hij toch ineens mijn hand ging vragen. De bel van de voordeur ging. Ik rook meteen wie het was: mijn vriend. Mijn baasje, eigenlijk mijn teckel, rende naar beneden. Ik stond ook vliegensvlug bij de voordeur. Ze opende de deur en omhelsde en kuste hem meteen. He, zei ik, zo doen we dat niet. Ik vermoedde dat ik blafte. Verbluft stond mijn vriend mijn baasje aan te staren en zei iets dat ik helaas niet verstond. Ze omhelsde hem weer. He, blijf van hem af, ja? Ik ben zijn vriendin, niet jij! Niemand luisterde naar mij. Mijn vriend kwam binnen en keek rond. Flapjanus, blijf van hem af! Ze negeerden mij gewoon. Ik werd overmand door een drang om hen stevig te bijten. Mijn baasje tilde mij op en liep met mijn vriend de woonkamer in. Dit was niet normaal! Die hypocriet pikte mijn vriend in! Dat was toch ongehoord en ongezien! De schijnheilige teckel zat met mijn vriend te kletsen. Vanuit mijn mandje probeerde ik te bedaren en te begrijpen wat ze zeiden. In plaats van het probleem op te lossen zat ze mijn vriend in te palmen. Wat zijn honden toch gemene beesten! Ik moest mijn vriend een boodschap geven, dat ik zijn vriendin was! Ik ging bij hen staan en zei dat ze ermee moesten ophouden. Niemand wilde luisteren. Ik probeerde harder te spreken, tevergeefs, ze zaten bijna in elkaars mond, walgelijk. Ik moest weer plassen. Liefst had ik het tegen hun benen willen doen. Ik haastte me naar de voordeur en zei meermaals dat ik wilde urineren. Als bij wonder kwam de zogenaamde actrice naar de voordeur en deed mij de riem om, nota bene, het was haar riem die ik nu over mijn hoofd kreeg. Met zijn drieën stapten we naar buiten. De tortelduifjes liepen hand in hand. Die vriend van mij had al jaren niet meer met mij zo gelopen! Ik trok met opzet zo hard aan de riem dat ze niet langzaam konden lopen. Bij de eerste boom deed ik snel een plasje en liep meteen door. Ik moest razendsnel die vriend van mij duidelijk maken wat er aan de hand was. In de hondenwei waar ik dagelijks kwam werd mijn riem losgemaakt. De hondenwei was leeg, op de Tibetaanse terriër na die ik zojuist had gezien. ‘He, fijn dat je gekomen bent,’ zei hij blij. ‘Wat zullen we eerst doen? Beetje rennen of meteen knuffelen? Je snapt wel wat ik bedoel.’ ‘Wil je alsjeblieft ophouden met die flauwekul? Ik heb een probleem, een groot probleem,’ zei ik. ‘O, maar ik houd niet van problemen, ook niet van grote.’ ‘Luister, blokhoofd,’ zei ik, ‘ik ben geen hond.’ ‘Wat dan? Een cavia met lange oren?’ ‘Nee! Een mens, ik ben een mens!’ ‘Je ziet er toch uit als een hond.’ ‘Toch ben ik het niet! Ik ben vanmorgen zo wakker geworden. Ik ben mijn teckel geworden en mijn teckel is mij geworden.’ ‘Schatje, ik vrees dat je een groot probleem hebt.’ ‘Doe niet zo onnozel! Kun je me helpen, heb je een idee?’ De Tibetaan dacht na en zei na een lange stilte: ‘Tja, wat zal ik zeggen? Ken je de kikker?’ ‘Welke kikker? Kermit?’ vroeg ik geïrriteerd. Ik keek vlug naar die twee pinda’s die bijna tot een blok pindakaas waren gesmolten. ‘Je weet wel,’ zei de Tibetaan, ‘die kikker die gekust werd door de prinses.’ ‘Wat? Zit je me in de maling te nemen? Geloof jij in sprookjes?’ De Tibetaan keek me wazig aan. ‘Heb je een beter idee? Laat je door je lieve vriendje kussen, misschien verander je dan in een kikker, sorry, sorry, ik bedoel in een mens. Je snapt me wel, toch? Dan kunnen jullie mensenpuppy’s maken, gezellig toch?’ Ik zuchtte heel diep. De Tibetaan liep al traag weg en zei: ‘Schatje, probeer het, sprookjes bestaan. Als het niet lukt, laat het me dan weten. Succes!’ De Tibetaan verdween met zijn baasje. De twee zomertortels stonden nog op dezelfde plek. Vuile stroopwafel met je hoge hakken, ik walg van je! We gingen terug naar huis. Ik had geen zin om achterom te kijken. Thuis kroop ik in mijn mandje en observeerde besmuikt de woonkamer. Terwijl mijn vriend op zijn telefoon bezig was rommelde die slappe teef boven in mijn slaapkamer. Eindelijk kwam ze naar beneden. Ze had mijn mooiste jurk aangedaan! Hoe durfde ze? Mijn vriend, die verrader, smolt ter plekke. Ik was blij dat ik niet verstond wat ze zeiden. Ik werd in een reistas geplaatst en werd naar de dikke auto van mijn vriend gebracht. Ik werd argeloos op de achterbank gedumpt. Tijdens de rit naar onze eindbestemming, het tuinfeest, dacht ik na over de bevrijdende oplossing. Dit was mijn laatste kans. Ik moest die zogenaamde vriend van me op de een of andere manier berichten om mij te kussen. 3. Mijn vriend had nooit een dier gekust. Zelfs mij kuste hij met een soort tegenzin. Het zou niet gemakkelijk worden. Als hij mijn sein begreep zou het in theorie geen probleem moeten zijn. Het tuinfeest was al druk. Mensenlichamen zaten of stonden op stoelen en bonte kleedjes, en kletsten uit hun dikke, gebronsde nekken over onzinnige zaken. Mijn ongewassen, overmatig geparfumeerde baasje werd door iedereen omhelst en gekust. Zo was ik nog nooit ontvangen! En wat stonken mensen toch! Velen wilden me aaien, maar ik gromde zo vals dat niemand het in zijn hoofd kreeg om me te benaderen. Ik was hier met een missie. Het ging om leven of dood. Die onbetrouwbare vriend van mij die hier in deze flora op een roze wolk zweefde, moest mij kussen voordat hij zijn verrassingsaanval zou doen. Een DJ draaide zachte muziek terwijl mensen gezellig met elkaar roddelden. Ik ging tussen mijn vriend en de vleier staan. Ze letten niet op mij. Ik maakte, mijn achterpootje optillend, ongemerkt een plasje bij hun schoenen en rende meteen met wapperende oren weg. De situatie was buitengewoon complex. Hoe kon ik ervoor zorgen dat die onverschillige slijmerd mij kuste? Ondertussen tikte de tijd weg. Er werd gegeten en gedronken. Ze mochten allen stikken! Ik legde me neer onder een struik en doezelde door de loomte in. Toen ik wakker werd was het al avond. Er werd vrolijk gedanst. Ook de valse tortelduifjes dansten blij rond. Mijn vriend had met mij slechts een keer gedanst en dat was voordat we een koppel waren. Ik sloop voorzichtig tussen de dansers naar die twee huichelaars en liet een dikke scheet. Dat is dan weer een voordeel van hond zijn. Ik moest wel opletten dat niemand op mij trapte, ik had een donkere schutkleur. Bij die twee kwijlenden aangekomen ging ik tussen hen staan. Ik herkende de neppe lach, daar was ze goed in. De slijmjurk tilde me op en walste met mij verder in haar armen. Mijn gezicht draaide ik naar mijn vriend. Hij keek me vreemd aan. Kus me, alsjeblieft, kus me, maar hij danste vrolijk door. Net alsof mijn baasje me begreep, kuste zij mij en lachte met rossige wangetjes. Ik kreeg kotsneigingen. Ineens tilde ze me wat hoger op zodat ik op ooghoogte met mijn vriend was. Ze kuste mijn rug en zei iets. Zei ze, kus mijn hondje? Mijn vriend, die snoodaard met wie ik meer dan tien jaar samen was, staarde me dromerig aan. Hij aaide mijn kop. Begreep hij de situatie? Toen zag ik zijn verlovingsring aan zijn ringvinger. Ik draaide mijn kop om en zag dat die fleemkous ook een ring om had. Mijn aanhalige vriend kwam met zijn hoofd dicht bij mijn snuit. Hij leek me echt te willen kussen. Hij was zo euforisch over zijn nieuwe geliefde dat hij zelfs bereid was om een hondje te kussen. Ik draaide kribbig mijn kop weg. Nee, dit wilde ik niet, ik wilde niet meer gekust worden. Ik schreeuwde néééé! Als zij gelukkig waren was ik te veel. Ik rukte me los en sprong ondanks de vrij grote hoogte op de grond. Met tranen in mijn ogen rende ik schielijk naar een struik, waar ik me de rest van de avond verschool. 4. De volgende ochtend werd ik door de levensgezellen uitgelaten. We gingen naar de hondenwei, waar de Tibetaan bezig was een Afghaanse windhond te versieren. ‘He,’ zei hij, ‘je bent er nog. Is het mislukt? Ben je door zijn kus niet veranderd of heeft hij je niet willen kussen?’ ‘De gelukzalige deserteur wilde me wel kussen, maar ik wilde niet.’ De Tibetaan dacht na terwijl de Afghaan me stil en onbewogen aankeek. ‘Het hoeft niet meer. Het is zo goed,’ zei ik met een schorre stem. ‘Ik zal straks weglopen en een nieuw baasje zoeken.’ De Tibetaan knikte traag. ‘Ik snap je, schatje.’ Dit verhaal werd ingezonden voor de verhalenwedstrijd 'De boodschap'..
0 Opmerkingen
Je opmerking wordt geplaatst nadat deze is goedgekeurd.
Laat een antwoord achter. |