Out of this World
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch

VERHALEN

M.G. Crow - Autopech Down Under

12/2/2026

0 Opmerkingen

 
Nee, nee, nee! Het kan niet, het mag niet. Mijn hart klopt tegen mijn borstbeen, alsof het wil ontsnappen voor ik de boom raak. Mijn wagen is stuurloos. De remmen hebben het begeven en ik zie enkel de damp die uit de motorkap opstijgt.
Ik sluit mijn ogen. Net op dit moment moet mijn goedkope huurauto het begeven.
Een schietgebed ontsnapt me, na gevloek dat me doet vermoeden dat ze hierboven niet naar mij gaan luisteren.
Mijn leven flitst aan mij voorbij. De confrontatie met al mijn fouten maakt me op slag nederig. Als een film spelen er beelden door mijn hoofd. Ik cijferde me weg, letterlijk. Mijn werk en carrière werden alles voor mij. Ik wilde rijk worden voor mijn gezin, zonder te beseffen dat ik het net daardoor uit elkaar deed vallen.
Ik miste de eerste stappen van mijn kinderen, want ik was nodig op kantoor.  Ze vielen samen met mijn promotie als bankdirecteur.
Had ik mijn collega met haar tarot maar ernstig genomen. Ze trok de toren en waarschuwde me voor het onoverkomelijke. Gelukkig was het tijdens de pauze of dat domme wicht was ontslagen, ook al was ze een goede effectendossierbeheerder.
Op een dag was mijn vrouw weg. Ze nam mijn zoon en dochter mee. De scheiding sloeg bij me in als een donderslag bij heldere hemel. De torenkaart komt me hierbij voor de geest. Straks ga ik die nonsens nog geloven.
Ik stortte in. Burn-out was het onverbiddelijke verdict van de dokter. Wat deed ik? Ik boekte deze reis naar Australië. Ik ben hier al ruim twee weken en heb al zowat het hele eiland gezien.  Foto’s van de opera van Sydney en ga zo verder heb ik op mijn SD-kaart opgeslagen.
Op de steden geraakte ik uitgekeken en ik begaf me in de outback.
Hier ben ik dan, gestrand in Wilsons Promontory. Mijn verdomde huursardienenblik kan het terrein niet aan. De betere auto’s waren niet beschikbaar. Dat komt ervan als je impulsief een last minute boekt.
Een schok trekt door mijn lichaam. De gordel voorkomt dat ik door de voorruit vlieg als mijn voertuig tot stilstand komt.
Vol ongeloof open ik mijn ogen. De voorbumper is nog geen meter van de boom verwijderd. Het benzinepeil staat op nul. Was dit mijn redding?
Ik scharrel in het handschoenvak dat net als het stuur voor mij aan de verkeerde kant lijkt te zitten en stap uit. Wat ik vastneem, weet ik niet. Niets dringt tot me door.
Mijn benen lijken van rubber. Ze houden me amper overeind. Ik kan nog net op tijd tegen de boom aan leunen. De warme motorkap vertrouw ik niet. Met mijn laatste rede besef ik dat ik me daaraan zou verbranden.
Hier sta ik dus, aan de kant van de weg naast een wrak en zonder mobiel bereik om de verhuurfirma te contacteren. Nu pas merk ik dat ik mijn smartphone in mijn hand heb.

Ik sla enkele zoemende insecten van me af. Er is een moeras in de buurt. De natte hitte is een hel. Mijn T-shirt kleeft doorweekt aan mijn huid. Ik lijk een wandelend buffet voor de muggen, alsof mijn verbrande huid nog niet genoeg afziet.
Een ruisend geluid trekt mijn aandacht naar de struiken, waarin beweging komt. Mijn adem stokt als ik besef dat iets me nadert. Het kan niets anders zijn dan een wild dier. Ik zie het al voor me: een roedel dingo’s? Of erger: leven er hier nog dinosaurussen?
Het zweet stroomt met beken uit mijn poriën, mijn keel brandt en mijn water is bijna op. Mijn hoop vervaagt als de zoute druppels mijn ogen gaan irriteren.
‘Meneer?’
Mijn mond valt open als er een man uit de struiken tevoorschijn komt. Een medemens was het laatste waar ik me aan verwachtte.
‘Wat doet u hier? Hebt u het bord niet gezien?’ Een man maakt afwerende armgebaren. Wil hij me wegjagen? Waarom?
Ik schraap mijn keel en zeg in mijn beste Engels: ‘Meneer, ik ben verloren gereden en mijn auto heeft het begeven.’
De man, die ik tegen de dertig schat, kijkt hoofdschuddend van mij weg naar het dampende autowrak.
‘Ik ben Jan Peeters uit Mechelen,’ zeg ik, de man de hand reikend.
Mijn ogen laten hem niet los. Ik zie er, ondanks liters zonnebrandolie, uit als een gekookte kreeft. Zijn donkere huid is beter aan het klimaat aangepast.
‘Wesley Barnes.’ De man drukt mijn hand niet, maar blijft zenuwachtig rondkijken.
Ik probeer zijn onrust niet over te nemen, maar merk dat ik ook begin te trappelen, alsof ik hier zo snel mogelijk weg moet zijn. Is hij hier ook gestrand? Zijn we met twee?
‘Wat doet u hier?’ vraag ik in mijn beste Engels.
‘Dat kan ik jou ook vragen.’ De man klinkt aarzelend. Hij lijkt niet echt opgezet met mijn aanwezigheid.
‘Ik ben verloren gereden toen ik de natuur wilde verkennen.’ Ik kijk hem smekend aan en onderbreek mijn pleidooi als ik zijn geïrriteerde gezicht zie. ‘Alstublieft, meneer Barnes.’
‘Dokter Barnes, zoöloog. Zeg maar gewoon Wesley. Mijn oom kan je auto fiksen, maar die geraakt hier niet voor morgenochtend. Ik ben de assistent van professor Gilbert, van Deakin University in Geelong. Jouw aanwezigheid kan mijn onderzoek verstoren, maar ik ga het risico nemen je te helpen.’ Hij klinkt alsof hij luidop nadenkt in plaats van zich voor te stellen.
‘Oké, Wesley.’ Blijkbaar zijn we twee universitair geschoolden bij elkaar. Ik snap niet waarom hij het een risico vindt me te helpen. Hij is niet op zijn gemak en ik nog minder.
‘Mijn blokhut is hier wat verderop,’ zegt Wesley, terwijl hij naar de struiken wijst. ‘Daar heb ik een radio en een satelliettelefoon. Met dat ding ga je niet veel kunnen doen.’
Hij kijkt naar de smartphone, die ik nog steeds in mijn handen heb. Ik sta versteld. Even had ik verwacht dat hij ging zeggen dat hij verderop ook met pech stond. Dan waren we samen voer voor wilde dieren.
‘Wat moet ik doen?’ vraag ik ten einde raad.
‘Vooral deze nacht niet hier rondhangen. Het is bijna donker.’
Wesley’s opmerking doet me op mijn scherm kijken. Ik heb geen verbinding, maar de klok liegt niet. Het is later dan ik dacht.
Ik besluit Wesley te volgen, al vind ik hem een vreemde vogel. Naar mijn gevoel heeft hij iets te verbergen. Toch lijkt op een wildvreemde vertrouwen beter dan om te komen van ontbering en uitdroging.
We naderen een blokhut, die er verweerd uitziet. Stukken van de houten buitenmuren zijn gehavend, alsof er iets tegen heeft gereden. Ik kijk rond, maar heb geen idee wat de schade kan hebben veroorzaakt. 

In de sober ingerichte blokhut is het enige wat er echt opvalt de schermen, waarop te zien is wat de camera’s in de omgeving waarnemen.
Het dringt langzaam tot me door: ik ben in Australië, niet in mijn vertrouwde omgeving in de Lage Landen. Ik ben in het gezelschap van een wetenschapper, die blijkbaar de dieren die hier leven monitort, en tevens de eerste Aboriginal die ik hier tijdens mijn reis ben tegengekomen.
‘Wilt u iets drinken?’ vraagt Wesley.
Hij komt me vriendelijk over, maar ik ben allesbehalve op mijn gemak. De blik in zijn donkere ogen verraadt een latent wantrouwen, of projecteer ik het mijne op hem?
Hier ben ik dan, die blanke Europeaan die zijn werk komt verstoren door autopech. Natuurlijk moet hij me wel achterlijk vinden. Ik voel me een sukkel tegenover de lokale bevolking die hier al eeuwen leeft. Zij weten hoe ze hier moeten overleven.
Ik kijk toe hoe mijn gastheer koffie zet. De machine begint te reutelen.
‘Het wordt een lange nacht. Als je hem te sterk vindt, kan je hem met wat water verdunnen,’ zegt Wesley.
Ik knik. Heeft hij hier iets anders dan koffie? Als het zo is, biedt hij het in ieder geval niet aan. Ik ben zo uitgedroogd dat het me niet kan schelen wat ik drink. Er zijn zelfs mensen die om te overleven hun eigen urine drinken. Ik wil er niet aan denken. Zelfs atoomkoffie lijkt me smakelijker.
Wesley schenkt een kop in en overhandigt ze me nadat ik aan de tafel ben gaan zitten. Hij merkt dat ik over zijn schouder naar de schermen kijk.
‘Ik raad je aan je niet met mijn werk te bemoeien.’ Hij klinkt scherp en steekt een vermanende vinger op.
Ik knik, maar ben niet zeker of mijn nieuwsgierigheid het me gaat toelaten om mijn belofte te houden. Ik spreek ze voor alle veiligheid niet uit.
Wesley’s donkere ogen lijken dwars door mij heen te kijken. Ik krijg geen vat op hem en huiver. Waarom voel ik me niet op mijn gemak? Is hij een seriemoordenaar die me in mijn slaap gaat vermoorden?
Ik tokkel met mijn vingers op het tafelblad. Om mijn zenuwen te kalmeren neem ik een slok koffie. De bittere smaak van de warme drank kwelt mijn smaakpapillen. De waarschuwing van mijn gastheer is me nu duidelijk. Dit is geen koffie, maar een cafeïnebom om een nacht zonder slaap door te komen.
‘Wat je ook gaat zien, je zal er met niemand over praten,’ zegt Wesley over zijn schouder naar de schermen wijzend. Hij loopt erheen en neemt plaats op de stoel. ‘Wat je ook doet: ga niet naar buiten.’
Hoe ongemakkelijk ik me ook voel, ik heb er compleet geen zin in om op dit uur en op deze plaats de blokhut te verlaten. Mijn gastheer maakt me ongemakkelijk, maar ik weet niet wat ik buiten kan verwachten.
Het valt me op dat Wesley’s toon minder formeel klinkt. Ik zou haast durven te zweren dat ik zijn hand zie trillen als hij de muis neemt om tussen de schermen te navigeren.
‘Ik denk niet dat ik ergens heenga.’ Ik probeer ontspannen te klinken, maar mijn stem trilt even hard als elke vezel van mijn lichaam.
Er klopt iets niet. Het is alsof ik een aanwezigheid gewaarword. Iets sluipt buiten rond en houdt de blokhut in de gaten. Naar alle waarschijnlijkheid beeld ik het me in, maar het gevoel laat me niet los.
Ik heb geen idee hoe lang ik met Wesley in de blokhut zit. Het lijkt een eeuwigheid. Ik geeuw. De koffie verliest langzaam zijn effect op mij. Mogelijk ga ik toch indommelen.
Misschien moet ik Wesley vertrouwen. Het is de angst voor het onbekende die me parten speelt. Als ik mijn gezelschap beter leer kennen, zal het vertrouwen wel groeien.
‘Ga maar slapen,’ zegt Wesley, zonder op te kijken van zijn schermen en toetsenbord. Zijn zenuwachtige getokkel begint op mijn systeem te werken.
‘Denk je dat ik dat ga kunnen?’ Ik haal mijn schouders op.
De grond begint lichtjes te trillen. Ik zie Wesley een vinger voor zijn lippen houden, als teken dat ik moet zwijgen.
Ik snap niet wat er gaande is, maar krijg het idee dat er iets nadert waar ik meer schrik voor moet hebben dan voor de lokale wetenschapper.
Een luid geluid doet me opschrikken. Het klinkt alsof er iemand naast de blokhut staat te brullen. Ik leg spontaan mijn handen op mijn oren. Mijn hart springt bijna uit mijn borstkas.
Wesley neemt een hoofdtelefoon en fluistert: ‘Wat je ook doet, blijf hier en spreek niet te luid.’
Zijn toon en de trage manier waarop zijn woorden eruit komen, zijn signalen dat ik beter kan luisteren. Hij heeft me dit al eens gezegd en lijkt het te menen. Ik merk dat zijn handen ook trillen. Ik krijg de indruk dat hij ook bang is, maar wel weet wat er aan de hand is.
‘Wat is dat?’ Ik fluister mijn vraag als ik een groot dier op het scherm zie verschijnen. Wat het is, kan ik niet zeggen. Het lijkt een enorm reptiel, dat iets wegheeft van een hond. Mijn eerste omschrijving zou zijn: Godzilla op vier poten.
Ik plas bijna in mijn broek als ik zie dat het monster op de blokhut afstevent.
‘Een bunyip.’ Wesley kijkt me even aan over zijn schouder.
Mijn ogen worden groter. Wat ik op het scherm achter hem zie verschijnen, doet mijn hele lichaam trillen. Alle haartjes op mijn huid komen overeind. Het is alsof een grote muil zich openspert om Wesley te verslinden. Ik kijk rechtstreeks in de keel van een enorm beest.
‘Je hebt dit niet gezien,’ zegt Wesley met gedempte stem. ‘Als je erover spreekt: het weet je te vinden. Geloof me maar.’
Ik knik, verdwaasd. Wat Wesley daarna doet, begrijp ik helemaal niet. Ik zie hem knopjes indrukken en op zijn toetsenbord tokkelen. Tot mijn grote verbazing verandert wat er op het scherm verschijnt. De beelden van de bunyip worden vervangen door opnames die doen vermoeden dat er niets aan de hand is.
Op de achtergrond zie ik een dingo, die rustig mag passeren in onze richting. De bunyip wordt vakkundig weggewerkt.
‘Is het weg?’ vraag ik, nog steeds met gedempte stem.
Wesley schudt zijn hoofd. ‘Nee, maar ik wis hem van de beelden.’
‘Waarom?’
‘Professor Gilbert kan best niet weten dat bunyips bestaan. Dan komen de blanken erop jagen en is het hek van de dam.’
Onbewust heb ik mijn stoel dichter bij die van Wesley geschoven. Ik hoor het brullen buiten weer. Het klinkt dichterbij. Ik schrik als ik doffe ploffen hoor, die de komst van het grote beest aankondigen.
De koffie in Wesley’s mok golft. Dit lijkt op Jurassic Park. Het moet een nachtmerrie zijn. Ik heb die film vlak voor mijn vertrek met mijn kinderen gezien. Mijn ex was eens toegeeflijk. Ik mocht ze nog eens zien. Beleef ik nu een nachtmerrie? Word ik straks wakker in mijn hotelkamer?
Een volgende schreeuw doet me bevriezen. Dat beest klinkt alsof het me met haar en huid gaat opslokken.
Mijn God! Het wezen verschijnt nu op een camera vlak bij de blokhut. Het loopt er rond en er klinkt een bonk als de staart de muur raakt. Ik voel de grond trillen, elke keer als hij zijn logge poot met scherpe klauwen op de grond zet. Het is zo hevig dat ik me aan mijn stoel vasthoud om er niet af te vallen. Ook Wesley’s handen liggen op de leuningen. Het lijkt wel of we in een lichte aardbeving zitten.
Een gil blijft hangen in mijn keel, uit vrees dat het monster in de blokhut zou binnenbreken om mij en Wesley op te eten. Inwendig rammel ik het Onzevader en een Weesgegroet door elkaar af. De zondagsschool was te lang geleden. De tekst doet er niet toe. Dat beest lijkt eeuwig rond ons te draaien.
Opnieuw raakt het de muur. De blokhut trilt ervan. Ik bijt op mijn tanden. De vragen razen door mijn hoofd, maar ik stel ze niet luidop omdat ik merk dat Wesley ook geen kick geeft. Hij weet wat hij doet. Als hij stil blijft, verroer ik zeker niet.
Ik hoor een dierlijke kreet als die van een hond. Op het scherm zie ik de bunyip een prooi grijpen, net voor Wesley hem vervangt door andere beelden, die laten blijken dat er niets te zien is. Het is de arme dingo die in de muil vol scherpe tijden verdwijnt.
Met perfecte digitale precisie bewerkt Wesley de beelden, die voorgoed op mijn netvlies zijn gegrift. Ik vermoed dat hij hiervoor iets anders dan biologie heeft gestudeerd, want ik snap niet hoe hij het doet. Ik merk dat hij in stilte werkt en ik waag het nog steeds niet om mijn mond open te doen.
Vraag me niet hoelang we daar als standbeelden hebben gezeten, maar het trillen van de vloer neemt af en uiteindelijk valt er een doodse stilte als het monster ver genoeg van de blokhut vandaan is.
‘Vertel niemand hierover,’ zegt Wesley, wanneer hij de kust veilig acht. ‘De bunyip jaagt op andere dieren, maar lust ook mensen. Als de blanken weten dat hij bestaat, is volgens mijn geloof niemand meer veilig.’
‘Kunnen mensen als ik er niet beter tegen gewaarschuwd worden, als het toch zo gevaarlijk is?’ De vraag is eruit voor ik het doorheb.
Wesley bekijkt me fronsend. ‘Mijn mensen weten dat we ’s nachts binnen moeten blijven. We leven al met hen samen sinds de Droomtijd. Als de bunyip verdwijnt, gaat er iets ergs gebeuren. Meer mag ik je niet vertellen. Onze Ouderen leggen ons regels op die we moeten naleven. Ik heb je al te veel laten zien. Normaal waarschuwen we blanken voor deze dieren, maar laten we ze aan hen over als ze niet willen luisteren. Zeg tegen niemand wat je gezien hebt, want anders kom ik ook in de problemen. Als mijn oom hier morgen aankomt, heb je niets gezien.’
‘Waarom mag het dan niet geweten zijn dat deze wezens bestaan? Misschien kunnen we ze beschermen, zoals we bijvoorbeeld met tijgers, olifanten en panda’s doen.’’
Wesley kijkt me indringend aan. Ik zie vuur in zijn ogen. Hij schudt zijn hoofd. ‘Jij denkt niet zoals normale blanken. Anders had ik je niet hierheen gehaald. Ja, jullie kweken dieren in gevangenschap. Denk je dat dit is wat de bunyip wil? Jullie hebben ons ook in reservaten    gezet, net als de oorspronkelijke bevolking van Amerika. Ik zou je moeten haten, maar je bent nog steeds een medemens. Ik wil me niet tot dat niveau verlagen.’
Ik word stil van deze bekentenis. Zo had ik het nog niet bekeken.
‘Weet je waarom ik deze job doe? Ik kan zo de bunyips beschermen. Professor Gilbert neemt me niet ernstig. Ik word minder betaald dan zijn andere assistenten. Ik ben ook de enige die hier midden in de nacht in een blokhut wil gaan zitten. De blanken voelen zich daar te goed voor. Jij lijkt niet op mij neer te kijken omdat ik een andere huidskleur heb, maar waarom denk je dat je mijn mensen zo weinig in het openbaar ziet hier?’
Ik voel me nederig. Nooit had ik erbij stilgestaan dat de kloof tussen blank en zwart zo groot kon zijn. Waar ik vandaan kom, zijn er wetten die de rechten van anders gekleurde medemensen garanderen. Beschouw ik dat als vanzelfsprekend, terwijl het dat niet is?
‘Ik denk dat we veilig zijn.’ Wesley kijkt weer naar het scherm. Ik merk dat hij geëmotioneerd is.
‘Hoeveel van deze dieren lopen hier rond?’ vraag ik na een luide geeuw.
Wesley haalt zijn schouders op. ‘Ik weet het niet. Ze zijn altijd al zeldzaam geweest en komen enkel ’s nachts tevoorschijn. Zelfs ik heb geen idee waar ze zich overdag schuilhouden. Volgens mij zit er in deze regio een koppel. Twee jaar terug hadden ze een jong. Dat is ondertussen uitgezworven. Ik vermoed dat het een vrouwtje is dat nu bij een mannetje in een andere regio zit.’
‘Ze leven dus in paren?’
Wesley knikt. ‘Je zag daarnet het mannetje. Het vrouwtje heb ik al een tijdje niet meer gezien. Volgens mij hebben ze weer een jong, of vrees ik dat ze er niet meer is. Niemand kent hun levensverwachting. Ik hoop ze beter in kaart te krijgen voor mijn mensen.’
Een triest gevoel bekruipt me. Ik begin die monsters die me levend zouden verscheuren al sympathiek te vinden en begrijp Wesley’s motieven. Anderzijds wil ik er niet bij stilstaan hoeveel mensen in deze regio verdwenen zijn en mogelijk in de maag van een bunyip zijn geëindigd.
Het beeld van massa’s toeristen met nachtkijkers en camera’s die hier massaal komen om het beest te spotten, overvalt me. Ik snap waarom het niet wenselijk is. Ik ga overmorgen weer naar huis en hoop nooit meer een bunyip tegen te komen.


De volgende ochtend knipper ik met mijn ogen naar het zonlicht dat op mijn gezicht valt door het raam dat openstaat. Ik herinner me dat het de avond ervoor was afgedekt. Het was toen zo donker dat ik er niet op heb gelet.
Ik herinner me mijn nachtmerrie. Op de achtergrond hoor ik timmergeluiden.
Ik ruik de koffie. De zaag buiten stopt en Wesley komt binnen.
‘Mijn oom is onderweg,’ zegt hij, me een kop overhandigend.
Dankbaar neem ik ze aan.
Ik wil hem vertellen over mijn droom, maar twijfel of het een goed idee is. Was het wel een droom? Ik wil geloven van wel.
Enkele minuten later wordt er op de deur geklopt.
Wesley laat een man binnen die een even donkere huid heeft. In zijn donkere haren zitten witte lijnen. Ze wisselen woorden die ik niet versta.
‘Dit is mijn oom Brian.’ Wesley wijst naar de man. ‘Hij heeft je auto gevonden en hersteld.’
Na de koffie gaan we naar buiten. Mijn huurauto staat al op de takelwagen van oom Brian.
Als ik naar de blokhut kijk, zie ik dat een deel van de buitenmuur haast versplinterd is. Het had niet veel gescheeld of ik was een hapje voor de bunyip.
Ik neem afscheid van Wesley, die meteen verder aan de slag gaat om de schade te herstellen, en neem naast zijn oom plaats in de stuurcabine van zijn voertuig. De oom moet het ook wel gezien hebben, maar ik doe wat ik heb beloofd en hou mijn mond, ook al zie ik hem fronsen.
We rijden naar zijn garage. Het enige geluid in de wagen zijn de popdeuntjes die uit de radio weerklinken.
Ik kijk naar mijn smartphone en heb weer netwerk. De batterij is bijna leeg, maar ik kan de verhuurfirma bereiken. Oom Brian geeft het adres van zijn garage door. Dat is de eerste keer dat ik hem hoor spreken.
‘Bedankt,’ zeg ik.
De man lacht zijn hagelwitte tanden bloot. ‘Mijn neefje zal blij zijn dat hij wat gezelschap had. Ik zou gek worden als ik elke nacht daar eenzaam in de blokhut zou zitten.’
‘Zeg dat wel.’
We overlopen de praktische dingen en ik laat bewust niet merken wat ik die nacht heb gezien. De verhuurfirma is van zijn woord. Ze brengen me een vervangwagen, waarmee ik terug naar het hotel kan.
Ik merk dat er iets op de achterkant van het kaartje dat oom Brian me gaf is geschreven. Ik lees: ‘Als je er nog met iemand over wil praten’, gevolgd door een mailadres van Wesley. Ik denk dat ik hem zeker nog ga contacteren als ik thuis ben, maar eerder om hem te vragen wat ik moet doen als mijn computer vastloopt, of wat voor dier ik in mijn tuin waarneem, dan om het over die nacht te hebben.
Als ik twee dagen later boven de oceaan vlieg, begin ik te fantaseren dat er zo'n creatuur in de dierentuin in mijn buurt zou zitten. Ik schrik als de stewardess me een drankje en een broodje aanbiedt.
​Volgens mij weet Wesley dat ik mijn belofte ga houden. Als ik weer in de Lage Landen ben, zal ik honderduit over mijn reis vertellen, ook over dat ik gestrand ben en dat lieve Aboriginals me geholpen hebben. Over de bunyip ga ik in alle talen zwijgen.


0 Opmerkingen

Je opmerking wordt geplaatst nadat deze is goedgekeurd.


Laat een antwoord achter.

    Inhoudstafel fictie
    Oproep verhalen
    AI-gegenereerde fictie
Powered by Maak je eigen unieke website met aanpasbare sjablonen.
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch