Out of this World
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch

VERHALEN

M.G. Crow - De zonnedanseres

9/5/2026

0 Opmerkingen

 
Ik voel me een vreemde in dit huis waarin ik geboren ben. De kinderen die hier rondlopen en te veel lawaai maken voor mijn fijne zintuigen, zijn mijn broertjes en zusjes. Ik kan me ze niet meer herinneren.
De goden riepen me, nog voor ik enige herinnering had. Nog voor de drie jongens en vier meisjes na mij geboren werden uit dezelfde moeder, verwekt door dezelfde vader.
Een zieneres uit verre oorden nam me mee toen ik nog te jong was om me te herinneren wie ik was. Ze vertelde me dat ik uitverkoren was. Ik ga mijn volk van de ondergang redden. Daarom leerde ze me dansen.
Ik ken de passen van het ritueel van de zon. Ik ben haar dochter, uitverkoren om haar te dienen. Mijn offer zal voorspoed brengen als de valse goden mijn mensen dreigen te vernietigen. Hiervoor moest ik elders opgroeien.
Nu ik enkele maanden terug in mijn geboortedorp ben, ver weg uit de tempel waar ik opgroeide en mijn opleiding kreeg, weer bij mijn ouders, kan ik niet zeggen wat me aan hen bindt. Deze mensen zijn vreemden voor mij. Mijn zusje is vijftien. Ze was pas geboren toen ik werd meegenomen, als uitverkoren dochter van de zon. Ik weet niet of ik toen al kon lopen, maar de hogepriesteres geloofde dat ik kon dansen. Haar verrimpelde gezicht achtervolgt me in mijn dromen. Ze is de moeder die nooit mocht baren. Haar eeuwige glimlach verbergt volgens mij de pijn van dochters die ze moest afgeven.
Wat doe ik hier? Mijn zusje heeft een man op het oog. Ons broertje van dertien denkt er al een te zijn. De rest zijn nog kinderen. Ze werken mee op het land. Mijn jongste zusje hangt nog aan de borst van onze moeder, die de leeftijd van mijn zusje had toen ik geboren werd.
Alles draait om me. De laatste tijd voel ik me niet lekker. Is het mijn maandelijkse periode, die steeds verder weg blijft? Ik ben nooit met een man geweest. Dit hoort bij mijn status. Ik kan als priesteres mezelf niet weggeven en mag geen kinderen krijgen. Op papier ben ik de vertegenwoordiger van zij die de gemeenschap baart.
Veel zegt het me niet. Mannen? Ik vind ze vreemd en tolereer ze amper. Vrouwen? Ik kan er mezelf niet echt meer mee identificeren, sinds ik de tempel in het zuiden verliet.
Ik ben thuis. Mijn hart bloedt naar de tempel, naar mijn zusters.
Hier val ik op. Mijn haren zijn kortgeknipt. De andere vrouwen dragen ze lang en steken ze op. Ik heb enkel mijn kam van been om de mijne in model te brengen. Ik wil ze laten groeien, maar ik mag niet, want ze kunnen mijn bewegingen verstoren als ik dans.
Dansen. Ik wil niets liever. De passen van de zon, om ze op te roepen in tijden van onheil. Waarom heb ik ze geleerd? Ik ben hier nu een maand. Er gebeurt niets, of toch …
 
Mijn zusje komt de helling opgelopen, gillend alsof ze in hoge nood is. Ze is compleet in paniek. Met haar handen maakt ze ruwe gebaren. Haar lange haren, die dezelfde kleur hebben als mijn korte lokken, wapperen in de wind.
‘Tindra?’ Ik sla mijn armen om haar heen, als ze me om de hals valt.
Haar ademhaling is diep en haar klamme zweet druipt op mijn huid. Buiten stoppen de honden, die de hele tijd op mijn systeem werkten, met blaffen. Ik had nooit gedacht dat die stilte me nog meer zenuwen zou geven.
‘Het komt.’ Ze kijkt me aan met haar grote, diepblauwe ogen. ‘Tarae, de zon gaat onder in de zomer. Het is je tijd. Je moet dansen.’
Ik slik. Meent ze het? Hiervoor ben ik in de wieg gelegd? Onze ouders hebben hiervoor een boomstam uitgehold. Mijn doodskist staat klaar. Het hele dorp is klaar om me te begraven. Ben ik klaar om te sterven? Is dit de werkelijke reden waarom ik hier ben? Ik wil er niet aan denken.
Lang kan ik niet nadenken. Ik hoor de paniek buiten. Kreten van mensen en stilte van dieren. Geen schaap blaat, geen vogel zingt. Het wordt op slag kouder en donkerder. Dit is de dood van de zon, die ik moet stoppen. Dit is het moment, waarvoor ik ben gemaakt. Als ik niets doe, sterft iedereen.
Zonder na te denken laat ik mijn zusje los en sta ik op. Ik krijg rillingen over mijn hele lichaam. Mijn korte touwenrok is niet voor dit weer bestemd. Het is zomer en lijkt nu plots op de koudste poolnacht ooit af te stevenen.
Trillend op mijn benen grijp ik de fles die de hogepriesteres me gaf. Dit is mijn moment. Ik mag niet wankelen. Mijn blik gaat naar de zonneschijf aan mijn gordel. Ze hangt goed. Dit is een teken van de goden. Ik mag niet twijfelen.
Voorzichtig open ik de verzegelde fles. Van deze drank mag ik niets verspillen. De goden willen het. Dat is me op het hart gedrukt. De stem van de hogepriesteres klinkt in mijn hoofd. Ze spreekt me toe, vanaf kilometers ver. Ze gelooft in me, of dat neem ik aan. Als ik niet uitverkoren was, had ik niet al die jaren bij haar geleefd.
Mijn zusje bekijkt me met grote ogen. Ik glimlach en neem een teug en nog een. De bittere smaak van de drank kwekt mijn mond, maar ik slik het zo snel mogelijk door. Dat moet zo. Ik mag niet aarzelen. Ik moet handelen.
Terwijl de inhoud van de fles me inwendig lijkt op te warmen, wordt het donkerder. De nacht valt in de zomer. Dat kan niet. Dat mag niet.
Ik stap naar buiten, amper in staat om mijn voeten te voelen. Ik lijk te zweven. Dit is wat de hogepriesteres me had verteld. Het moment is gekomen. Mijn moment.
Ik zie de mensen kijken, vanuit hun huizen. Ze wagen zich niet op het plein, zoals ik. Het deert me niet. Ik brand vanbinnen, in mijn korte topje en rok van koorden. Dat de zon verdwijnt, is mijn zorg.
Als ik mijn voeten verzet, hoor ik ze weer: de trommels in de tempel. Mijn pas verandert. Ik begin te dansen. Mijn armen en benen vormen de gebaren die ik heb geleerd. Spontaan ga ik bewegen zoals ik heb geleerd.
Mijn passen worden sneller, wilder. Ik ga erin op. Mijn ultieme dans wordt aanschouwd door de mensen die zich stilaan rondom mij verzamelen, de kille zomerse poolnacht trotserend.
Als ik dans, voel ik mijn krachten toenemen. Ik stijg op, uit mijn lichaam. Het is alsof ik mezelf zie bewegen op het plein, omsingeld door mijn dorpsgenoten, die vreemden voor mij zijn.
Mijn ziel gaat omhoog, naar de zon. Ik krijg het steeds warmer. Ik brand vanbinnen, alsof mijn lichaam het vuur van de zon daar omarmt.
Ademen wordt zwaarder, maar ik doe verder. Mijn voeten lijken de grond niet meer te raken. Het grauwe landschap krijgt felle kleuren. Ik zie mezelf dansen, steeds heviger, alsof ik van bovenaf mezelf gade sla.
Ik zie anders. Hoop, dromen, paden die ik niet bewandeld heb. De jongemannen rondom mij, met wie ik nooit zal trouwen. De kinderen die ik nooit zal hebben.
De pijn verscheurt me. Als ik mijn eigen verlangens volg, sterft iedereen. De lucht wordt ijl. Ik zak in elkaar en wil verder dansen, met de moed der wanhoop. Ik zie mezelf ploeteren, omringd door mensen die langzaam naderen, in het midden van de duisternis. Langzaam maar zeker zak ik af naar een andere realiteit, als mijn lichaam de strijd opgeeft.
 
De zon keert weer, net als de warmte. Het is een zomerdag en heel de gemeenschap verzamelt zich rond een uit een boomstam gehouwen kist. Er ligt een koeienhuid in. Mijn vader tilt me op en legt me erop.
Plots is deze grote, stevige man zo vertrouwd. Het is alsof ik weer weet dat hij me vasthield als baby. Ik zie tranen in mijn moeders ogen. Het is alsof ik weer weet hoe het was aan haar borst te liggen.
Mijn zusje komt naar de kist. Ze legt mijn kam erin. Iets verder staat haar verloofde. Ze had het huwelijk uitgesteld tot ik terug was. Ik ben terug. Ik geef hun mijn zegen.
Enkele vrouwen leggen duizendblad op mij. Ze bedanken me voor het terugbrengen van de zon.
Ik aanvaard hun dankbaarheid, hun offergaven. Toch knaagt er iets in mij. Ik hoor hier niet. Waar wel?
Ik wil naar de tempel. Ik wil naar de hogepriesteres.
Dan zie ik het licht waar ze me over verteld hadden. Ik zie mijn zusters staan. Enkelen heb ik gekend, het merendeel niet. Ze wenken me. Ik ga naar hen.
Nog één keer kijk ik over mijn schouder en zie dat ze mijn kist dichtmaken. De geur van eikenhout en kruiden bereikt me, maar niet meer door mijn neus. Mijn lichaam neemt niets meer waar, mijn ziel des te meer.
Ik volg mijn zusters naar het licht. Hun roep klinkt luider dan die van mijn mensen. Ik heb gedaan wat van mij werd verlangd. Nu is tijd voor mijn volgende fase.
0 Opmerkingen

Je opmerking wordt geplaatst nadat deze is goedgekeurd.


Laat een antwoord achter.

    Inhoudstafel fictie
    Oproep verhalen
    AI-gegenereerde fictie
Powered by Maak je eigen unieke website met aanpasbare sjablonen.
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch