Out of this World
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch

VERHALEN

Miriam Ootjers - Nachtmerries

29/7/2026

0 Opmerkingen

 
Herverteld door overleving en Miriam[M1] 

De vroedvrouw keek neer op het kindje dat rustig in de wieg lag te slapen. ''t Arme wicht,' dacht ze. 'De zevende dochter. Wat daar van komt?' Voorlopig niets, zoals het leek. Het kind, dat de naam Martje had gekregen, zag er net zo mooi en gezond uit als haar zes oudere zusters.
De vroedvrouw was in dit dorp geboren, getogen en zou hier, als het aan haar lag, sterven ook. Ze kende de regio en haar verhalen door en door. Een zevende dochter, die was anders. Aan de buitenkant zag je er misschien niets van, maar achter dat fijne gezichtje schuilde iets dat de duvel aantrok. En dat bracht nooit veel goeds.
Ze stopte het kind voorzichtig in, streek het even over de blonde haartjes en verliet de woning. Ze was net zestig, het zou haar tijd wel duren.
 
Het was op haar zevende verjaardag dat het meisje een pop kreeg. Een meisje van jute, met door Martjes moeder genaaide kleertjes. Martje was er zo blij mee dat ze de pop overal mee naar toe nam.
Op een winderige najaarsdag zat Martje achter de heg met haar pop te spelen. Ze prikte stokjes in een paar afgevallen herfstbladeren en serveerde de 'koekjes' op een bord van boomschors.
Hoe het precies gebeurde kon Martje later niet vertellen, maar op het moment dat ze de koekjes op het bord had gelegd greep een felle windvlaag de pop, die op een boomstronk op haar traktatie had zitten wachten, nam het jute meisje mee en gooide hem een paar meter verderop in de sloot.
'Mama!' riep Martje, maar noch haar moeder, noch één van haar zussen kwam op haar geroep af. Voorzichtig stapte Martje de wallenkant in, maar dadelijk gleed haar voet uit op het natte gras, en met een gilletje trok ze haar voet terug. Als ze zou proberen bij het water te komen zou ze zeker zelf in de sloot vallen. Beteuterd keer ze naar haar pop, die midden in de sloot dreef en langzaam water opzoog. Nog even en haar geliefde speelgoed zou zinken.
'Dat is nu ook wat.'
Martje schrok op van de stem en keek van de pop naar de vrouw aan de andere kant van de sloot. 'U bent erg mooi,' zei ze met de oprechtheid van een tienjarige, de pop een seconde vergeten.
'Dank je,' antwoordde de vrouw met een glimlach.
'Ik heb nog nooit iemand met zulke zwarte haren gezien. En een glimmende jurk.' Het meisje wees naar de glanzende satijnen rok die onder de bruine, vilten mantel van de vrouw uit kwam. Toen schoot haar de pop weer te binnen. De vrouw volgde de ogen van het meisje, die nu strak op de zinkende pop gericht waren.
'Als ik de pop voor je uit de sloot haal, wat geef je mij daar dan voor terug?'
Martje keek over haar schouder naar de 'koekjes', die wonderwel niet waren weggewaaid in de herfstwind.
'Nee,' schudde de vrouw haar hoofd, 'ik wil geen koekjes.'
Martje keek om zich heen. Ze had geen ander bezit dan haar pop. En als ze die aan de vrouw moest geven, kon het jute meisje net zo goed in de sloot blijven liggen. Met een schouderophalen gaf ze aan dat ze het dan ook niet wist.
'Hmm,' bromde de vrouw en keek Martje over de sloot even aan. 'Misschien heb je nu niets dat je kunt geven, maar er komt vast wel een moment dat je mij van dienst kunt zijn. Laten we afspreken dat jij later, als je ouder bent, voor mij gaat werken. Een zevende dochter komt altijd van pas.'
Met het kinderhart dat schreeuwde om haar pop en het kinderhoofd dat niet veel verder keek dan het bad op zondag knikte Martje. De vrouw knikte ook.
'Martje!' klonk het vanuit het huis. 'Eten!'
Bij het horen van de stem van haar moeder wierp Martje een geërgerde blik over haar schouder. Toen ze weer om keek had de zwartharige vrouw de pop in haar handen, droog en schoon, alsof hij nooit in de sloot had gelegen. De vrouw wees naar de dam over de sloot en meisje en vrouw liepen elk aan hun eigen kant naar het punt waar Martje de pop aannam.
Er ging even een koude rilling door haar lijf toen ze de hand van de vrouw aanraakte. Toen draaide ze zich om en rende snel naar huis voor het eten. Die avond was Martje het hele voorval vergeten, alsof haar pop nooit in de sloot had gelegen.
 
Toen Martje op de dag na haar zeventiende verjaardag naar bed ging was ze zo moe, dat haar ogen dichtvielen nog voordat haar hoofd het kussen raakte. Ze werd geplaagd door een vreemde droom, waarin ze gedreven door een onzichtbare kracht diep in haar binnenste uit bed stapte. Haar hele lichaam trok en tintelde, en terwijl ze op blote voeten en in haar nachthemd door het raam naar buiten klom stootte ze haar hoofd tegen het kozijn, alsof ze zeker een halve meter langer was geworden.
Ze keek naar haar handen aan armen die niet leken te doen wat ze wilde, handen met gekromde vingers en lange, gele nagels. Vettige strengen asgrauw haar dansten voor haar ogen terwijl ze over de dorpsstraat naar het huis van de bakker sjokte, waar ze door het gesloten raam stapte. Slechts een kiertje tussen het kozijn en het raam had ze nodig, toen stond ze binnen.
Met haar lange, onhandige lijf klom ze op het bed en vervolgens op de borst van de man. Ze kneep met haar handen zijn keel dicht, net genoeg om hem piepend te laten happen naar lucht, maar niet te laten stikken. De man worstelde onder haar gewicht, maar werd niet wakker. Na een paar minuten liet Martje los, sprong van het bed, maakte een wilde rondedans door de kamer en verdween door het raam naar buiten.
In haar eigen bed schrok ze de volgende ochtend wakker. Wat een eigenaardige droom! Hij leek zo echt dat ze naar haar handen keek en voelde onder het laken of haar knieën niet zo knokig waren als in de afgelopen nacht. Tot haar opluchting was alles zoals het moest zijn, en ze schudde de droom van zich af. Tijdens haar dagelijkse taken werd de droom naar de achtergrond gedrukt, maar toen ze die avond in bed kroop zegde ze een kort gebed op met de vraag of ze alsjeblieft niet weer van die rare dromen mocht krijgen.
Toch stond ze die nacht weer in de slaapkamer van de bakker, en klom ze op zijn borst. Nacht na nacht rekte haar lichaam zich uit naar de gedaante van een slungelig, wasbleek wijf, danste ze haar onzichtbare dans over straat naar het huis van de bakker waar ze hem teisterde in zijn slaap, om vervolgens als Martje in haar eigen bed wakker te worden.
 
Toen brak de dag aan dat Martje naar de bakker gestuurd werd. Hoewel ze wist dat het maar dromen waren, durfde ze de man niet onder de ogen te komen en deed er alles aan om onder de taak uit te komen. Haar moeder keek haar een moment aan, duwde haar de mand in handen en met een onverbiddelijk 'gaan!' werd ze op pad gestuurd.
Met tegenzin stapte ze over de drempel van het winkeltje, de blik gericht op haar voeten. Pas toen ze een vrouwenstem vragend 'ja? Hoorde zeggen durfde Martje op te kijken. Achter haar rinkelde het belletje door de volgende klant die binnen kwam, en voordat Martje kon zeggen wat ze nodig had zei een heldere vrouwenstem: 'Is uw man er niet, vrouw bakker?'
Martje draaide zich om naar de stem. Daar stond een vrouw met glanzend zwarte haren, los over de schouders zoals het een fatsoenlijke vrouw eigenlijk niet betaamd. Maar wat Martjes aandacht vooral trok was de prachtige satijnen rok, die onder de bruine, vilten mantel uit kwam. Geen spoortje vuil, zag Martje, hoewel de zoom tot aan de grond reikte. Alsof de vrouw net uit een koets was gestapt in plaats van over de modderige straat te hebben gelopen. Voor de deur van de bakkerij stond echter geen koets.
'Ach,' zuchtte de bakkersvrouw, en trok Martje daarmee uit haar gedachten. 'Hij slaapt zo slecht, weet u. Iedere nacht wordt hij geplaagd door nare dromen. Een wijf dat zomaar in de slaapkamer staat, zonder een geluid te maken door de kamer danst en op zijn borst zit zodat het hem haast te benauwd wordt. Geen goede nachtrust heeft hij gehad sinds het moment dat dit hellewicht voor het eerst in zijn slaapkamer opdook.'
Het voelde alsof de grond onder Martjes voeten wegviel.
'Hmm,' bromde de vrouw. Ze knipoogde even naar Martje. Die staarde de vrouw nog steeds aan, terwijl ergens in haar geheugen een belletje ging rinkelen. Het klonk als een stemmetje dat vertelde over een mooie vrouw, een zevende zuster en een wederdienst voor het redden van een pop. De vrouw kwam haar zo bekend voor... En grijnsde ze nu even bij de woorden van de bakkersvrouw? 'Misschien dat een slecht geweten hem plaagt?' zei de vrouw.
De bakkersvrouw schudde haar hoofd. 'Het is een nachtmaar. De vroedvrouw heeft het gezegd.' De ogen van de zwartharige vrouw knepen even samen. 'En wat denkt u daar aan te doen, vrouw bakker?'
Maar de bakkersvrouw schudde haar hoofd. 'De vroedvrouw heeft gezegd dat we meel rond het bed moeten strooien, maar mijn man wil er niet aan. Hij noemt het onzin.'
De zwartharige vrouw knikte instemmend. 'Onzin, ja.'
'Maar waar kan ik u mee helpen,' veranderde de bakkersvrouw snel van onderwerp, Martje aansprekend. Martje wist even niet waar ze het zoeken moest. 'Eh...' Ze keek van de vrouw achter zich naar de vrouw achter de toonbank, draaide zich om en rende de deur uit.
 
Angstig stapte ze die avond haar bed in maar viel ondanks zichzelf toch in slaap. Ze danste over straat, kroop door een kier de slaapkamer binnen en bleef toen geschrokken op de vensterbank zitten. Door de hele slaapkamer was meel gestrooid, en ook op het laken waaronder de bakker sliep lag een wit waas. Martje bleef stil zitten. Over meel lopen betekende dat ze voetsporen achter zou laten, en het witte spul zou aan haar voeten blijven kleven zodat ze haar voetstappen naar huis konden volgen. En hoe graag Martje ook van deze vreselijke vloek af wilde, ze wilde niet dat ook maar iemand wist dat zij die 'nachtmaar' was die de bakker iedere avond teisterde in zijn slaap. Ze schaamde zich zo!
Ze kroop door de kier weer naar buiten en de straat op. Rusteloos rende ze door de straten op zoek naar een nieuw slachtoffer. Ze moest en zou iemand plagen vannacht. De onrust in haar lijf was gewoon te sterk.
Zo kwam het dat ze langs een boerderij snelde, waar een paard op stal snoof en stampte, toen hij haar aanwezigheid voelde. Martje ging de stal binnen, liep naar het paard en vlechtte de manen tot een kunstige tres, die ze vervolgens gebruikte om op zijn rug te klimmen.
De hele nacht reed ze op het paard, gaf het de sporen om harder en verder te lopen ook al was het dier duidelijk moe, tot de zon aan de einder verscheen. Ze liet het paard uitgeput en zwetend achter in de stal, snelde naar huis en sliep tot de zon helemaal boven de horizon stond.
Zo ging het dag na dag, week na week, jaar na jaar. Werd ze geweerd met door de stal of slaapkamer gestrooid meel, dan ging ze naar het volgende huis, tot iedereen in het dorp op de hoogte was van de rondwarende nachtmaar. En ze snelde naar een naburig dorp om daar haar nachtelijke plagerijen voort te zetten.
'Vrouw die haar ziel aan de duvel verkocht heeft', 'nachtmerrie' en 'hellewicht' zeiden de mensen, en keken met een schuin oog naar Martje. Want inmiddels was het verhaal van de vroedvrouw het hele dorp door gegaan. En in dat verhaal kwamen de woorden 'zevende dochter' een aantal keer voor.
 
Zelf inmiddels aardig op leeftijd woonde Martje in een klein huisje, nooit getrouwd en alle vrijers op afstand houdend uit angst dat ze haar geheim zouden ontdekken. Iedere avond legde ze haar hoofd op het kussen in de wetenschap dat ze de hele nacht op pad zou zijn.
Tot de nacht kwam dat ze in slaap viel, en pas de volgende ochtend wakker werd zonder de herinnering aan nachtelijke omzwervingen. Moeizaam stond ze op en liep naar de keuken, waar ze aan haar ontbijt opschrok door gebons op de deur. Het was de buurvrouw die vertelde dat ze dadelijk naar het huis van één van haar zusters moest komen. Ze was in de ochtend door haar man op bed gevonden, dood.
Pas toen vielen de puzzelstukken op zijn plaats. 'Niet meer de zevende zuster,' zei Martje, en de buurvrouw keek haar bevreemd aan, toen ze glimlachte. Snel hervond Martje zich en liep naar het huis van haar zuster. Voor de deur stond de zwartharige vrouw, net zo jong en fris als op de dag dat ze Martjes pop uit de sloot had gehaald. Haar ogen zochten die van Martje, maar deze liep haar zonder haar een blik waardig te gunnen voorbij. 'Zoek maar iemand anders, ik heb mijn schuld meer dan ingelost,' zei ze over haar schouder en zag nog net hoe de vrouw haar schouders ophaalde en zich omdraaide om weg te lopen, voordat ze zelf het huisje binnen ging.
En zo kwam het dat de streek van de ene op de andere dag verlost was van de nachtmaar. Maar eenieder die je in de streek vraagt zal je vertellen dat, zolang er zevende dochters geboren worden, er bij ieder huis een kom meel in de kast heeft staat.


[M1]Groninger Volksverhalen, voor 't merendeel verzameld door E.J. Onnekes – Huizenga bewerkt door K. ter Laan, J.B. Wolters, Groningen, Batavia, 1930, pagina 33 e.v.
0 Opmerkingen

Je opmerking wordt geplaatst nadat deze is goedgekeurd.


Laat een antwoord achter.

    Inhoudstafel fictie
    Oproep verhalen
    AI-gegenereerde fictie
Powered by Maak je eigen unieke website met aanpasbare sjablonen.
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch