Out of this World
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch

VERHALEN

Petra Coret - Levensecht

27/11/2025

0 Opmerkingen

 
Zilver glinsterde het beekje. Op de oevers weefden zwarte spinnen hun webben tussen de takken van de struiken. De blaadjes daar waren nog groen in tegenstelling tot die van de bomen erboven. Langzaam dwarrelde het geel naar beneden om daar op te gaan in het bruine tapijt. Er was geen rood. Geen bessenrood of roodborstjesrood of het zachte geeloranjerood van de avond.
Misschien straks nog, dat had ze nog niet besloten.
Ze spoelde haar penseel uit, legde he
t zorgvuldig neer en deed haar schort af. Het rood moest maar wachten.  Eerst maar eens eten koken.
Isobel schuifelde naar haar bescheiden keukentje. Ze twijfelde even.
‘Het kleinste pannetje is voldoende vandaag’
, zei ze tegen niemand in het bijzonder. Ze weerhield zich nog net om een blik te werpen op de lege hoek waar de mand ooit stond. ‘Je bent te oud om weer een hond te nemen.'  Volgens haar nicht dan. Maar wat was oud? Met haar ogen dicht haalde ze het beeld voor zich van Bobbie, het zwart-witte hondje dat haar had vergezeld tijdens de lange jaren sinds de dood van Thierry. Bijna hoorde ze hem trippelen over de tegels. Nee, ze moest sterk zijn.
Na het eten zakte ze vermoeid in haar lievelingsstoel. En viel zoals altijd in slaap halverwege het nieuws. Een paar uur later werd ze ruw gewekt door een of andere reclamespot. Waarom waren die dingen altijd zo hard? Tijd om naar bed te gaan in ieder geval. Een dag als altijd.

In Schotland in oktober had je ‘squalls’. Dat waren ijskoude regenbuien die zowat horizontaal naar beneden kwamen. Haar jasje was te dun en ze was vergeten een warme sjaal in te pakken. De liefdevolle blikken van de man naast haar maakten echter alles goed. De natuur was betoverend mooi. Ruig en onaangetast als de watervallen die onder het bruggetje door klaterden.
Isobel werd met een glimlach op haar gezicht wakker. Ooit zouden ze teruggaan naar dat plaatsje, maar dan met beter weer.
Het was er nooit van gekomen.Op weg naar de badkamer passeerde ze het schilderijtje in wording. Het was vast niet volmaakt, maar ach… Een rood balletje lag op de oever naast het beekje.
Pas toen ze wat ontbeten had en haar lange grijze haren had opgestoken realiseerde ze zich dat er iets vreemds was. Ze slofte naar de schildersezel en keek nog eens naar de tubes verf. De rode tube was nog dicht, ongebruikt. En toch was daar dat rode balletje. Ze poetste haar bril nog maar eens op. Daar was het. Een rood balletje. Vreemd.
Die had ze niet geschilderd, toch? Ze haalde haar schouders op. Ze zou zich wel vergist hebben.
Later die dag kwam Margje, de huishoudelijke hulp. Zoals gewoonlijk had ze weer allerlei op
- en aanmerkingen over hoe Isobel haar leven en haar appartementje organiseerde. Meestal negeerde Isobel dat. Ze bedoelde het vast goed. Maar dit keer begon ze over de schildersezel die ze bijna omverstootte met de stofzuiger. Nadat Isobel scherp ‘Kijk uit!’ had geroepen, was haar antwoord dat ze dat ding dan ook maar niet zo moest neerzetten. En waarom had ze niet een normale hobby zoals breien of haken of borduren. Iets wat minder ruimte innam.
Isobel hield de opmerking dat ze kennelijk wilde dat zijzelf als oudere minder ruimte moest innemen voor zich. In plaats daarvan antwoordde ze dat het volgens de huisarts juist goed was om iets nieuws te proberen om haar hersens in vorm te houden en dat ze in haar jeugd genoeg gehaakt en gebreid had. En wat het borduren betreft: het bewijs daarvan hing in de vorm van verschillende werken en werkjes ingelijst aan de muur. Ze vermeldde er niet bij dat haar handen niet meer zo geschikt waren voor dat fijne werk.
Margje besefte dat ze te ver was gegaan en kwam met een compliment.
‘Die zwanen zijn wel goed gelukt. Levensecht. Ik wist niet dat er ook zwarte zwanen waren en dat die een rode snavel hebben.’
Isobel poetste haar bril nog even goed op. Op het schilderij stonden twee majestueuze zwarte zwanen met rode snavels die over het beekje zeilden. Ze had helemaal geen zwanen geschilderd! Dat zei ze maar niet, ze wilde niet dat Margje dacht dat ze gek aan het worden was. Weer iets dat ze zich niet kon herinneren. Net als die rode bal.
Die er dus niet was!
Na het vertrek van Margje ging de oude vrouw even dichtbij het schilderij staan. Twee zwarte zwanen op het beekje en geen rode bal. Ze raakte het doek aan op de plek waar de zwanen stonden. De verf was droog.
De rest van die dinsdagmiddag was Isobel weer alleen. Ze zat voor de schildersezel en bedacht wat ze nog meer ging schilderen aan de scène op het doek. Ze deed haar ogen dicht en probeerde zich te herinneren wat ze die vakantie verder nog had meegemaakt.
Het merendeel van de tijd waren ze in Edinburgh geweest. Bij het kasteel en in de oude straten. Daar had ze bewust niet voor gekozen bij dit eerste schilderij. Dan moest ze namelijk mensen schilderen en daar was ze niet zo goed in. En dus had ze een herinnering
aan dat ene uitstapje op het canvas neergezet.
De busrit was lang en vermoeiend geweest. Vooral voor haar man die met zijn lange benen nauwelijks in het stoeltje paste. Maar ze had daar voor het eerst bergen gezien van dichtbij en die watervallen waren ook onvergetelijk. Ze waren even alleen, daar. Zonder de andere passagiers. En op die dag waren ze precies vijftien jaar getrouwd.
Hij had uit een verborgen vakje in zijn jas een ring gehaald die ze nog steeds droeg.
Een gouden ring met een rode steen. Hij wist dat ze van rood hield. Oh, wat miste ze hem. Zijn scheve glimlach als hij naar haar keek. De warmte die straalde uit zijn bruine ogen. Het kuiltje in zijn kin.
Isobel zuchtte. Thierry…
Toen ze haar ogen weer opende waren de zwanen weg. Natuurlijk. Het is dat ook Margje ze gezien had
, anders zou ze nog denken dat ze inderdaad gek aan het worden was. Ze stond op en schuifelde naar het raam. De heftige regenval van de laatste weken legde een waas over de wereld buiten. Niet lang meer en dan zouden de bomen ook de laatste blaadjes verloren hebben en bleef er weinig kleur meer achter dan uitgewassen grijs en blauw. En zwart.
In haar jeugd had ze in een straat gewoond met
Japanse kersenbomen. In de lente was er een weelde aan donkerroze bloemen en in de herfst warmrode bladeren. Ze werd er elke keer weer vrolijk van. De gemeente had ze omgehakt omdat ze geen exotische bomen wilden hebben in Nederland. Dus stonden er later dunne takjes met wat spaarzame bladeren waar niemand blij van werd.
Ze keerde terug naar haar schilderij. Er was geen verandering dit keer. Ze concentreerde zich op het watervalletje. Witte spatten op het blauw. Kleine stenen die afgesleten werden door het water. Takken en bladeren die werden meegesleurd door de golven. Ze vroeg zich af waar het water heenging. Naar zee?
Het was stil in huis. Zelfs de radio hielp niet. Er werd wel gepraat maar niet tegen haar. Misschien moest ze toch maar opnieuw een huisdier nemen. Geen hond, want die moet je uitlaten. En met haar brakke benen ging dat niet zo goed. Een vogel dan? Of twee. Gezellig in een kooitje samen. Een tante van haar had ooit agapornissen gehad. ‘Lovebirds’ in het Engels. Ze liet ze regelmatig rondvliegen en dan kwamen ze bij haar zitten om een hapje te nemen uit het fruit
dat ze aan het eten was. Leuke beestjes.
Haar nicht had haar aangeraden om naar de ontmoetingsochtenden te gaan hier in het gebouw. Ze was een keer geweest. Ze voelde zich er niet thuis. De mensen, voornamelijk oudere vrouwen, praatten over dingen die haar niet interesseerden en deden geestdodende spelletjes van het jaar kruik. Niets voor haar. Ze kon diepzinniger gesprekken voeren met de
kassière van de supermarkt.
Wat haar eraan deed denken dat ze boodschappen moest bestellen. In tegenstelling tot leeftijdsgenoten die ze wel eens sprak in de lift
, had Isobel in elk geval genoeg digitale vaardigheden om zelfstandig te bankieren en online dingen te bestellen die ze nodig had. Dat kon niet anders met een man die in de IT zat.
De zware boodschappen en dingen die ze nodig had
, maar waar ze geen zin in had om voor naar de winkel te gaan, bestelde ze. Dan kon ze, als ze naar buiten ging, alleen de leuke winkels bezoeken. Zoals boekwinkels.
Ze besloot ook maar meteen wat wijn te bestellen. In haar eentje dronk ze niet veel
, maar af en toe was het wel lekker. En vooral bij deze sombere dagen was een glaasje chianti met een chocolaatje best behaaglijk.
Terug naar het schilderij. Het bruggetje verdiende nog wat aandacht. Het hout zag er nog te nieuw uit. Zorgvuldig schilderde ze wat vage vegen op de leuning. Haar oude vingers beefden een beetje maar dat gaf niet. Ze slaagde erin om het rode vogeltje niet te besmeuren. Tevreden keek ze naar haar werk. Het rode vogeltje keek terug.
Wat?!
Ze schoof met krukje en al een stuk achteruit.
Waar kwam dit nou weer vandaan? Ze pakte de rode tube en deed hem open. Er was geen verf uit. Ze doopte haar wijsvinger in de verf en raakte daarmee het schilderij aan in een hoek. Het was bijna dezelfde kleur als
die van het vogeltje. Maar afgezien van het feit dat ze het vogeltje niet had geschilderd - voor zover ze zich kon herinneren dan -  zat er wat groen doorheen leek het wel.
Er was iets vreemds aan de hand. Zoveel was duidelijk. Ze keek naar het portret van haar overleden man dat op het bureau stond. De laatste foto van hem die ze had. De verf en de ezel met toebehoren waren het laatste verjaarscadeau geweest
dat ze van hem had gekregen.
Niet lang daarna was hij ziek geworden en na zijn laatste bezoek aan het ziekenhuis was hij thuis in bed overleden. De ezel en de verf en al het andere werden ingepakt en later meeverhuisd naar deze aanleunwoning toen hun huis veel te groot bleek voor een vrouw op leeftijd. Pas vorige week had ze de doos eindelijk uitgepakt.
‘Thierry, wat heb je gedaan?’
De man in de foto keek haar aan met zijn gebruikelijke ondeugende glimlach en zei niets. Isobel was e
rvan overtuigd dat hij op de een of andere manier toch verantwoordelijk was voor de vreemde gebeurtenissen. Volslagen onredelijk natuurlijk. Maar hun hele leven samen was hij degene geweest die haar altijd aan het lachen kreeg. Linksom of rechtsom. Was dit zijn idee van een laatste grap?
Na het eten ging Isobel aan het zware bureau zitten dat nog van haar man was geweest. Ze had erop gestaan om het mee te nemen naar de nieuwe woning ondanks het feit dat het nogal wat ruimte innam. Ze klapte de laptop open en wachtte op de link die haar zou verbinden met haar dochter in de Verenigde Staten. Wat haar betreft was dit het enige goede dat uit de coronatijd was overgebleven. Een reis naar de VS was duur en vermoeiend op haar leeftijd. En nu kon ze haar enige kind elke week zien en spreken.
En haar kleindochter natuurlijk. Dat kleine wondertje. Dat waren ze allebei trouwens. Tijdens de reis naar Schotland was het gebeurd. Na lange tijd onzekerheid en een diagnose die maar niet positief werd
, was Isobel dan toch op meer dan veertigjarige leeftijd in blijde verwachting geraakt. Valerie, haar dochter, had min of meer hetzelfde meegemaakt. Ook haar dochter was pas laat in haar leven gekomen.
Valerie en haar man Steve kwamen om de beurt aan het woord. Ze vertelden over hun nieuwe huis en de tuin die ze gingen inrichten en over de verkiezingen en natuurlijk de tornado’s die het land teisterden. Isobel op haar beurt vertelde over de regen die al wekenlang aanhield en over het schilderij dat ze aan het maken was. Ze tilde zelfs haar laptop even opzij om het te laten zien.
‘Mooi, oma’
, klonk een stemmetje. De bovenkant van een hoofd met bruine vlechtjes werd zichtbaar op het scherm. Het kind klom op de schoot van haar moeder en begon meteen te babbelen in haar gebruikelijke mengeling van Engels en Nederlands.
Zij had ook geverfd. Maar dan een konijn. En ze hield haar knuffel omhoog. Het was het beestje dat Isobel zelf voor haar had gekocht. Met het vestje en de sokken die zijzelf had gebreid. Ze waren onafscheidelijk, die knuffel en Joyce.
Het kind was een spraakwaterval waar geen speld tussen te krijgen was. Het ging van de hak op de tak. Over school. Over het tochtje naar de dierentuin. De papegaaien. En Halloween dat er weer aankwam. En oma kwam dit jaar toch zeker wel met Kerst. Ze miste oma zo.
Het gesprek liep ten einde toen Steve het meisje optilde met de mededeling dat oma nu echt naar bed moest.
Vlak voordat Valerie de link verbrak keek ze Isobel even bezorgd aan.
‘Mam, zal ik je morgen nog even bellen?’
‘Nee, lieverd, ik red me wel.’


Later, toen ze in bed lag, realiseerde ze zich pas waarom Valerie die vraag gesteld had. Morgen was de dag dat zij en Thierry vijfenvijftig jaar getrouwd zouden zijn geweest. Isobel draaide zich nog maar eens om. Wat haar betreft waren ze nog steeds getrouwd. Haar man was nu alleen… iets verder weg. Te ver weg, soms… Ze pakte het kussen dat aan zijn kant van het bed lag en omarmde het stevig.
Ze sliep en droomde. Steeds verder terug in de tijd. Van de laatste dagen in het ziekenhuis naast haar man die aan verontrustend veel slangetjes en draden lag.
‘Beloof me dat je niet al te verdrietig bent straks. Ik wil dat je gelukkig bent.’
Dan de vele etentjes bij dat ene restaurantje in de buurt. Wat er ook op de kaart stond, ze koos altijd hetzelfde. Hoezeer Thierry haar ook plaagde. Daarna de bruiloft van hun dochter met de man die ook zij al snel in het hart gesloten hadden
, ondanks het feit dat hij haar ver weg zou nemen naar het land aan de overkant van de oceaan. En daarvoor: vele vakanties naar het strand of de bossen in dat oude autootje waaraan Thierry voortdurend zat te sleutelen omdat het steeds kapot ging. Het meisje dat speelde in de berm terwijl ze wachtten op de Wegenwacht.
Weer een scene in het ziekenhuis: Thierry die hun pasgeboren kindje in de armen nam alsof het de grootste schat op aarde was. Wat ook zo was, natuurlijk. Tot slot die ene vakantie in Schotland die alles veranderde.


Ze werd wakker in een koud huis.
Isobel twijfelde of ze de verwarming
zou aanzetten. Gas was zo duur tegenwoordig. En al die milieuexperts in de media die maar zaten te zemelen over warmtepompen en zonnepanelen etc. Ze woonde op de zevende verdieping, dan werkte een warmtepomp helemaal niet. En wat haar betrof mochten ze het dak volgooien met zonnepanelen, maar daar ging ze niet over als simpele huurder.
Automatisch zocht ze naar die fijne rode sjaal die ze nog in Schotland had gekocht.
Oh, ja. Die was tijdens de verhuizing zoekgeraakt. Haar dochter had gezegd dat ze dan maar een nieuwe moest bestellen. Alsof het zo simpel was.
Ze besloot pannenkoeken te eten als ontbijt. Het was per slot van rekening een beetje feest. Uit de magnetron dan wel. De lunchroom was te ver weg en het regende bovendien. En zelf bakken… Voor éé
n persoon? Dat was zó niet feestelijk.
Desondanks smaakten de pannenkoeken prima. Verse waren natuurlijk beter, maar ja. Volgend jaar weer als het weer wat beter was.
Net op tijd nam ze de laatste hap. De bel ging. Een sproetige jongeman bracht de doos met wijn die ze besteld had. Ze gaf hem een ruime fooi, omdat het een feestdag was. Ze legde alle flessen op een na in het rek. Die laatste was voor vanavond. En morgenavond. En die avond daarna. Want zo snel kreeg ze die fles niet op in haar eentje.
Ondertussen ging ze weer voor haar schilderij zitten. Alles bij elkaar was ze best tevreden over haar werk. Ze bedacht dat er eigenlijk geen reden was om niet nu al een glaasje te nemen. Isobel stond op en terwijl ze zich omdraaide zag ze nog net de roodgeruite sjaal die over het bruggetje hing. Ze besloot zich niet langer te storen aan dit soort waandenkbeelden. Ze moest een nieuwe bril. Dat was alles.
En inderdaad, toen ze terugkwam was de sjaal weg. Ze werkte dit keer aan de boomtoppen en de flarden van de oktoberlucht daartussen. Het was mooi weer geweest, die dag. Het begon pas de volgende morgen weer te regenen. Het kasteel was mooi geweest en de oude straatjes eveneens. De oude kerk was indrukwekkend, de musea overweldigend en het eten heerlijk.
Toch was dit, in haar herinnering dan, de mooiste dag van allemaal geweest.
Ze werkte ijverig door. Niemand die haar stoorde. De dag verstreek sneller dan verwacht en het werd langzaam donker. Ze had zowaar honger gekregen.
Zorgvuldig haalde ze alle ingrediënten voor haar lievelingskostje tevoorschijn en begon ze klaar te maken. Even vroeg ze zich nog af waarom ze die champignons toevoegde. Dat was iets wat Thierry graag at. Zij vond ze niet vies, maar het hoefde van haar niet per s
e. Automatisme, waarschijnlijk. Ze had dit gerecht al zo vaak klaargemaakt mèt champignons dat het zonder niet compleet was. En trouwens, zo was Thierry er toch een beetje bij.
De wijn paste prima bij het eten en misschien dronk ze meer dan ze van plan was. Hoe dan ook, na het toetje ging ze nog even voor het schilderij zitten met haar halve glas wijn.
Een rode roos lag op de brug.
En iets verder nog een. En nog verder een derde. En zo verder en verder. Het waren dezelfde rozen die Thierry haar elk jaar had gegeven. Een voor elk jaar dat ze getrouwd waren. Op het laatst had ze twee vazen nodig gehad om ze in te zetten.
Ze reikte ernaar met haar linkerhand.
‘Ach, mijn liefste. Mijn allerliefste…’

***** 
Een mannenstem klonk door het portiek toen de liftdeuren opengingen.
‘Weet je zeker dat het een goed idee was om die kleine mee te nemen?’
‘Had je haar dan willen achterlaten in de hotelkamer?’ antwoordde een vrouwenstem.
De politielinten rondom de deur waren inmiddels weggehaald. Het nieuwe slot glom de bezoekers tegemoet. De schade aan de deurpost was zo goed als onzichtbaar. De huismeester had goed zijn best gedaan.
Met enige aarzeling stak de vrouw de nieuwe sleutel in het slot en opende de deur.
Het was er stoffig. Natuurlijk. Er was in geen maanden iemand binnen geweest om schoon te maken. Verder was het min of meer zoals de politiebeam
bte beschreven had. Het bestek en de bordjes afgewassen op het aanrecht, maar nog niet opgeruimd. Het gebroken wijnglas had de recherche meegenomen en onderzocht en de grote rode vlek onder de schildersezel en het krukje was er nog steeds. Het was verf, had de recherche vastgesteld. Geen bloed.
‘Komt oma zo?’ vroeg het kind met haar knuffelkonijn in de armen zoals altijd. Voordat haar moeder haar tegen kon houden huppelde ze door het kleine appartement. Even bleef ze bij het raam staan kijken. De bloesem aan de bomen was bijna uitgebloeid.
Het had nogal wat tijd gekost voordat de politie tot de conclusie was gekomen dat ze eigenlijk niet wisten wat er was gebeurd. En wanneer dat dan precies was gebeurd.
De koerier had op woensdag de wijn bezorgd, maar de bezorger van de supermarkt had de dag erna voor een dichte deur gestaan. Op dinsdag was de huishoudelijke hulp langsgeweest die mevrouw Gravestein niet thuis had aangetroffen. En ook geen briefje waar ze dan was, zoals ze wel eens had gedaan.
De dag daarna had Valerie tevergeefs gebeld. En gebeld. En gebeld. En daarna… Dat was een periode waar ze liever niet aan dacht. Ze voelde zich inmens schuldig dat ze niet vaker op bezoek was gekomen. Vooral in die laatste maanden. Maar het was zo druk op het werk, en de vlucht zo duur. En zo waren er vele redenen om niet te gaan.
Steve nam haar troostend in de armen. Hij had een tubetje verf in zijn handen.
‘Wat is dat?’
‘Het lag op de grond. Rode verf. Er moet iemand op zijn gaan staan want het is helemaal leeg.’ Hij wees naar de rode vlek op het laminaat.
‘Maar er zijn geen voetsporen…’
‘Tja..’
Een vreemd merk ook. Valerie had er nog nooit van gehoord. Conte de fé
es.
‘Mama, kijk! Oma!’ riep de kleine Joyce, wijzend op het schilderij.
Valerie omarmde haar dochter.
‘Ja, lieverd. Wij missen oma ook.’
‘Nee! Kijk! Daar, daar is oma.’
Valerie wierp een blik op het schilderij achter haar dochter. Ze voelde zich ijskoud worden. Het was het boslandschap
dat haar moeder haar had getoond, de laatste keer dat ze haar sprak. Een zwart-wit hondje met een rode bal in zijn bek zat op het bruggetje. Die was er daarnet beslist niet geweest. Maar dat was niet hetgene waarvan haar bloed zo’n beetje bevroor in haar hele lichaam.
​Aan het einde van het pad dat liep vanaf het bruggetje was het silhouet zichtbaar van een man en een vrouw die elkaar innig omhelsden. Ook dat was er daarnet niet geweest. De vrouw had een bos met rode rozen in haar handen.
0 Opmerkingen

Je opmerking wordt geplaatst nadat deze is goedgekeurd.


Laat een antwoord achter.

    Inhoudstafel fictie
    Oproep verhalen
    AI-gegenereerde fictie
Powered by Maak je eigen unieke website met aanpasbare sjablonen.
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch