|
Jij laat jouw stigma achter
Als brandwond op mijn verzegelde lippen. Jouw klamme handen Raken de mijne Onze blikken kruisen En zonder moeite Lees jij de verdrongen verhalen In mijn gerimpelde ooglid. Soms wil ik zonder - Jou en jij Zonder - Mij. Maar samen zijn wij En zonder Ben ik niet. Ik verstar Bij de gedachte Ik verwar. De uitkomst staat vast In een toekomstig handgeschreven Grafrede Van een nakomeling? Of misschien van iemand die me kent? Hier ligt: Zij die kon houden van Maar niet van zichzelf.
0 Opmerkingen
Mijn bloed smaakt naar ijzer
en roestig hart dat niet gesmeed werd toen het heet was Op mijn beste dagen ben ik goud meestal zilver dat is ook wat mijn haren ervan denken Zachter moet ik, zachter De meesterhanden ben ik zelf en het vuur en het aambeeld en het sissende water tot het heldere, scherpe blad Zingt De President heeft het er maar druk mee. Hij start een eerste oorlog, en dan een tweede om de eerste te laten vergeten, en dan een derde om de tweede te laten vergeten. Drukte is zijn belangrijkste wapen. Voor zijn leeftijd is hij heel actief, dat vindt hij belangrijk, dat wil hij uitstralen.
Eerst zeggen een heleboel mensen: was er niet eerst nog heibel daar in de woestijn? Later zeggen ze niets meer. Nu hebben zij het er ook maar druk mee – ze leven van dag tot dag, op het ritme van de President. Op een dag, net op het einde van de regeertermijn van de President, is iedereen de drukte moe. De President zelf, maar die mag het niet tonen, en de mensen ook, maar die durven het niet meer te tonen. Er wordt gestemd. Het is niet druk in de stemlokalen. Mijn hoofd doet pijn. De volledig door ons overwinbare toekomst, zoals we die aan de toog beschreven, lijkt ver weg.
Flarden van herinneringen over producten die de markten met zevenmijlslaarzen zouden veroveren, vliegen voorbij. Vage stukken van diensten die op kousenvoeten in de werelden van de mensen zouden binnensluipen tot ze er niet meer zonder konden, dienen zich kort aan mij aan, zijn dan weer weg. De pijnstiller neemt te veel tijd om zijn werk te doen. Ook de hemel is grauw vandaag, lijkt in niets op de eindeloze sterrenhemel die ons wankelend begeleidde naar huis. Wat een feest! Zat zij daar weer, Aloysia Zemelbroek. Vingertoppen geplooid rond een koffiebeker van bamboe, ogen strak gericht op haar scherm terwijl de trein stilviel in een niemandsland tussen twee stations. Het wifi-signaal wankelde. Haar livestream bevroor. ‘Typisch,’ zuchtte ze, hardop, alsof iemand luisterde. Tegenover haar zat een man in een bruine regenjas, krant op schoot, niet-bewegend. Ze fronste. ‘Zo’n krant lees je toch niet meer?’ zei ze, de toon honend, half lachend.
Hij keek op. Grijs, vermoeid, niet onvriendelijk. ‘En jij leeft in een wereld die niet bestaat,’ zei hij. Aloysia trok een wenkbrauw op. ‘Pardon?’ ‘Een wereld van meningen zonder ervaring. Mooie beelden zonder pijn.’ Zijn stem droeg geen woede, wel zekerheid. ‘Je weet niet wat echt is, meisje.’ Ze draaide haar gezicht naar het raam. Geen landschap, enkel nevel. Binnenin knaagde iets wat ze al jaren had leren negeren. ‘Wat is echt, dan?’ ‘Armoede. Eenzaamheid. Dingen die je volgers niet willen zien.’ De trein stond nog altijd stil. In haar hand trilde haar telefoon. Of haar hand zelf. Ze keek er niet naar. De stilte groeide. Hij keek weer naar zijn krant. Zij, voor het eerst, nergens naar. Buiten schoof de mist traag voorbij, als iets dat zich nergens thuis voelde. Aloysia probeerde het gesprek van zich af te zetten, maar de woorden van de man bleven in haar hangen als een splinter. ‘Ik ben geen kind meer,’ zei ze scherp. ‘Precies,’ antwoordde hij. ‘Dat maakt het erger.’ Hij vouwde zijn krant langzaam dicht. ‘Ik zag ooit een kind met een half gezicht. Jij post daarover in soundbites.' Zijn stem was vlak gebleven, zonder woede, zonder spot. Hij vertelde over reportages die nooit werden uitgezonden omdat gruwel niet sponsor-gepast was. Over vluchtelingenkampen waar geen wifi was, geen filters, geen publiek. Aloysia had niets gezegd. ‘Je zegt wat mensen willen horen,’ vervolgde hij, ‘net afwijkend genoeg om voor moedig door te gaan. Maar je leeft veilig. Je gebruikt andermans pijn als decor.’ Hij keek haar aan, zonder oordeel. En dat sneed dieper dan verwijt. Ze keek naar haar telefoon. Geen signaal. Geen publiek. ‘Waarom ben jij eigenlijk wie je bent?’ vroeg hij. Ze zocht het antwoord maar kon het niet vinden. De stilte werd zwaarder. De trein wachtte. Misschien wel op haar. In Aloysia raasden gedachten in het rond. Buiten loste het landschap op in een grauwe waas. Ze keek naar haar spiegelbeeld in het raam: een verzorgde versie van zichzelf, samengesteld uit routines en gewoonten, maar zonder werkelijke inhoud. Haar telefoon lag stil in haar hand, het scherm zwart. Ze schoof hem in haar tas, alsof het ding haar doorzag. Wat eerst een merkwaardig gesprek leek, was veranderd in een onrust die zich niet liet wegdrukken. Haar geheugen had zich geopend zonder toestemming. Ze dacht terug aan de stilte thuis, haar moeder aan het fornuis, haar vader opgesloten in zijn nieuws. Aan hoe ze leerde ruimte in te nemen door zichtbaar te zijn. De herinnering aan haar eerste post kwam terug. Een lach, net geforceerd genoeg om opgemerkt te worden. De reacties gaven haar bestaansrecht. Ze was ermee doorgegaan. De woorden van de man tegenover haar, voor wie leef je? hadden zich in haar vastgezet. Ze keek opnieuw naar haar spiegelbeeld. Niet naar haar uiterlijk, maar naar de onrust achter haar ogen. Haar handen lagen in haar schoot. Ze trilden niet van nervositeit, maar van besef. Ze sloot haar ogen en blikte terug. # Het duurde nog vijftien minuten voordat de trein bewoog, maar Aloysia voelde geen ongeduld meer. De man tegenover haar had zijn ogen gesloten, zijn krant opgevouwen tussen zijn handen. Hij leek niet meer op een uitdager, maar op iemand die zijn rol had vervuld. Toen de trein zich eindelijk in beweging zette, richtte hij zich op, knikte kort, en stapte uit bij het eerstvolgende station. Geen groet, geen hand. Alsof hij haar alleen iets moest afgeven. Aloysia bleef zitten. Haar telefoon lichtte weer op, meldingen stroomden binnen: gemiste oproepen, reacties, verzoeken om nieuwe content. Ze legde het apparaat naast zich neer. Thuis keek ze de video’s van zichzelf terug. De stem waarmee ze sprak, de poses, de mening die telkens net genoeg contrasteerde met de massa om op te vallen zonder weerstand op te roepen. ’s Avonds nam ze een nieuwe video op. Geen make-up, geen lichtplan, geen boodschap. Alleen haar gezicht en een stilte van enkele seconden. Toen zei ze: ‘Ik weet niet wie ik ben, en dat moet even genoeg zijn.’ Ze postte het zonder titel. Zonder hashtags. Zonder verwachtingen. De volgende ochtend opende ze haar account. De gebruikelijke rijen hartjes bleven uit. Een reactie stond onderaan: Dank je. Ik dacht dat ik de enige was die soms wakker ligt van vroeger. Ze glimlachte, niet voor het scherm, maar voor zichzelf. Buiten regende het. De stad was grijs. Alles was precies zoals het was voordat het begon. Ze dacht aan de man, aan zijn verhalen. Aan haar ouders. Aan de stilte thuis. Ze zou niet breken met haar oude leven. Maar ze zou het niet langer napraten. En op dat moment, daar, in het gewone licht van de ochtend, keek Aloysia voor het eerst écht achterom. Niet uit nostalgie, niet uit schuld. Maar omdat het nodig was. Het was geen nieuw hoofdstuk maar wel een eerlijk vervolg. 'Wat wil je doen?’ vraagt hij.
Langzaam kijkt ze op. Een licht verbaasde blik gaat naar de lege stoelen rond de grote eettafel. 'Ze zijn op kamp, vergeten, schat?’ Ze knippert traag, een rilling lijkt over haar rug te gaan. 'Zouden ze oké zijn?’ Hij masseert haar schouders, schrikt van de weerstand onder zijn vingers. 'Natuurlijk. En wij hebben het huis een hele week voor ons. Hoelang is dat geleden?’ Een vage glimlach zweeft over haar gezicht. 'Dus, wat wil je doen?’ herhaalt hij. Ze zucht en zakt op de bank. ‘Rusten. Gewoon rusten, schat. Is dat oké?’ Emojis staren me aan terwijl ik mijn hersenen pijnig over wat ik kan schrijven over de meest universele strijd die de mensheid heeft gevoerd sinds het begin van haar ontstaan.
Hoe voedsel werd gestolen uit holen van zij die niet durfden vechten. Hun vrouwen verkracht door mannen die dachten dat dit oké was. Zwakkeren werden verdrongen en misbruikt omdat ze zich niet konden verdedigen. Machtige stammen veroverden land omdat hun leider er zin in had. Slechts een zeldzame keer om zelf te overleven. Vaak in naam van een of andere god. Ik denk dat we nog steeds holenmensen zijn. De zachte klop op de hoteldeur vergroot de zenuwachtige glimlach om zijn mond.
'Ik heb jou gemist,’ fluistert ze in zijn oor als de deur in het slot valt en haar armen om hem sluiten. Verstaanbare woorden zijn het eerste half uur niet meer te horen, enkel klanken die wonden helen en verlangens blussen, vullen de haast zinderende lucht. 'Jij hebt mij duidelijk ook gemist,’ zegt ze zacht als ze naast hem neervalt en haar hoofd op zijn borst legt. Ze veegt de tranen van zijn wang, kust hem zacht en glimlacht begripvol. ‘Hoe gaat het met jouw vrouw?’ We zitten klem tussen machtsblokken en kunnen de uitweg niet meer vinden.
Drones boven ons hoofd als een hete gaswolk die elk moment kan ontploffen. Met ons overlevingspakketje klaar doen we maar verder. Wat moeten we anders: we hebben ze zelf gekozen. Is dit nu het leven? Vrede is steeds verder weg. Moeten we ons voorzien van een schuilkelder? Satellietcommunicatie? Of kunnen we nog gerust op café, een pint drinken met de vrienden die je volgende week hoopt terug te zien? Maar kijk dan wel waar de nooduitgang is. Tussen de dorpen aan weerszijden van de rivier was altijd een vorm van rivaliteit geweest. En nu een nieuwe brug beide oevers verbindt, weten de buren van de twee overzijden elkaar net als vroeger te mijden.
Alleen de werkloos geworden veerman, die de bewoners met hun roddels en nieuwtjes naar de overzijde voer, kent de geschiedenis van alle oude vetes. Nu staart hij met weemoed naar een schip dat traag stroomafwaarts glijdt en hem herinnert aan de JOHANNA met aan het roer de vrouw die hem altijd met een handkus groette, om vervolgens in het oneindig rivierenlandschap te verdwijnen. |