Out of this World
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch

Van deze wereld

Mainstream literatuur

Hay van den Munckhof - Jekaterina

1/8/2026

0 Opmerkingen

 
Moskou - 22 september 1762 – 10.00 uur in de ochtend
Exact om tien uur in de ochtend geeft prins Troebetskoj het teken dat de dertig ruiters van de cavaleriebrigade en de overige vijftig groepen van de kroningsstoet in beweging zet. Onder mijn baldakijn kijk ik toe hoe de processie als een levend, veelkleurig lint door het Facettenpaleis en over de ceremoniële Rode Trap naar het plein voor de kathedraal stroomt, waar straks de eigenlijke kroningsplechtigheid plaats zal vinden.
               Minzaam knik ik naar de voorste van de negen hoge functionarissen, wier enige taak het is om het baldakijn te dragen, waaronder ik zo dadelijk als laatste van de lange stoet op weg zal gaan. Daarna houd ik mijn blik op de Rode Trap gericht, waar ik de tijd wil nemen om een moment halt te houden. Om te beginnen is dit de perfecte plek om de arme sloebers te zien die in alle vroegte vochten om een plaats op een van de daken rond het Kremlin, als ik tenminste de verhalen van de zenuwachtig giechelende hofdames mag geloven, die mij vanmorgen in mijn gewaad hielpen.
               Hoe amusant ook, natuurlijk is dat bijzaak. Allereerst wil ik op de Rode Trap de herinnering verdrijven aan de eerste keer dat ik hier stond. Als een vijftienjarig wicht uit het onbeduidende Stettin, dat geen woord meer Russisch sprak dan het credo dat ik voor mijn doop van buiten moest leren, ging ik in 1744 over diezelfde trap op weg naar mijn verloving met iemand die enkel in naam mijn man zou worden.
               Er was slechts één moment waarop ik euforischer was dan nu. Dat was na het aanhoren van het verlossende bericht, het bericht waar ik in de achttien jaar van mijn zogenaamde huwelijk meer dan eens over droomde en dat de weg vrijmaakte voor deze dag…

 
Stettin – 3 mei 1736 – Verjaardag
Babet komt al vroeg mijn slaapkamer binnen, naar ik hoop om me voor te lezen, iets waar ik iedere dag opnieuw reikhalzend naar uitkijk. Vaak komt ze aanzetten met een fragment uit de bijbel, maar soms heb ik geluk en vertelt ze over paleizen, avonturen en knappe prinsen uit verre landen.
               Het is de morgen na mijn zevende verjaardag, dus deze keer reken ik meer dan anders op een spannend verhaal, waarbij ik weg kan dromen en me voor kan stellen hoe mijn leven er uit zal gaan zien als ik eenmaal oud genoeg ben om voor een echte prinses door te gaan. Een ding neem ik me vast voor. Mijn leven moet en zal interessanter worden dan dat van mijn gouvernante…
                Een enkele blik op Babets betraande gezicht is genoeg om te weten dat ik vanmorgen pech heb. Deze keer is ze duidelijk niet naar mijn kamer gestuurd om me voor te lezen, maar met een heel andere opdracht.
               ‘Je vader…’ begint Babet, maar verder dan die paar woorden komt ze niet. Ze slaat de ogen neer, begint hevig te snikken en gaat naast me op het bed zitten.
               Een moment aarzel ik. Dan leg ik mijn hand op Babets schouder. Voor het eerst in mijn leven moet ik mijn gouvernante troosten in plaats van andersom. ‘Vertel me maar wat vader van me wil,’ zeg ik. ‘Het maakt me niets uit. Ik ben gisteren zeven jaar geworden en geen klein meisje meer.’
               Babet pakt een zakdoekje en veegt met driftige gebaren de tranen uit haar ogen. Dan knikt ze me toe. ‘Dat waren bijna precies de woorden van je vader,’ zegt ze. ‘Hij zei ook dat ik je niet langer als Sophia, maar als prinses Sophia aan moet spreken. Vanaf vandaag moet je van je vader serieus aan je toekomst gaan werken. Hij droeg me op om alle poppen en speelgoed van je kamer te halen.’
               Babet kijkt me zowaar met een medelijdende blik aan. Dat werkt vooral op mijn lachspieren, maar ik ben al wijs genoeg om me van de domme te houden en niet te laten merken dat ik in werkelijkheid heel tevreden ben met vaders woorden. Weet Babet veel… Al toen ik zes werd, droomde ik er van om door vader serieus genomen te worden. Nu het dan echt zo ver is, gaat hij me misschien eindelijk eens meenemen naar het hof van Brunswijk. Wie weet maak ik binnenkort wel een echt bal mee en zie ik voor de eerste keer al die prinsen en prinsessen uit voor mij nog onbekende landen. Ik prijs me opnieuw gelukkig dat mijn vader, al is hij niet bepaald rijk, als prins is geboren en belangrijk genoeg wordt gevonden om in die adellijke kringen te verkeren.
               Babet kent me niet goed genoeg om te raden welke fantasieën over mijn toekomst door mijn hoofd spoken, maar ze kent me wel goed genoeg om iets van mijn opwinding te voelen en enig idee te hebben waar die vandaan komt.
               ‘Helaas, prinses Sophia,’ gaat ze verder, vormelijker dan ik haar ooit eerder hoorde spreken, ‘ik vrees dat uw leven na vandaag niet veel spannender gaat worden, maar vooral inspannender.’
               ‘Je bedoelt dat ik een echte leraar krijg?’
               Verrast kijkt Babet me aan. ‘Ja, prinses Sophia. Hoe wist u dat?’
               Ik glimlach haar minzaam toe. ‘Omdat ik nu geen klein meisje meer ben, Babet.’
 
Stettin – 1 januari 1744 – De brief
Zoals ik op de eerste dag van ieder jaar pleeg te doen, pak ik ook vandaag na het ontbijt mijn dagboek en begin aan een verslag van het jaar dat achter mij ligt. Eerst zet ik in gedachten op een rij wat ik had willen bereiken, wat daarvan is terechtgekomen en wat mijn plannen en verwachtingen voor het nieuwe jaar zijn. Bij dat laatste, nu ik in mei vijftien word, ben ik me er steeds pijnlijker van bewust dat ik alleen maar af kan wachten welke huwelijkskandidaten zich komend jaar of daarna voor mij aan zullen dienen. Maar al heb ik daar geen rechtstreekse invloed op, gelukkig betekent dat nog lang niet dat ik alles gelaten en willoos moet ondergaan. Om te leren welke geheime wapenen een vrouw in de strijd kan gooien was het hof van Brunswijk, waar vader me na mijn tiende verjaardag voor het eerst mee naar toe nam, de beste leerschool die ik me maar kon wensen. Eenmaal daar had vader geen tijd voor mij en greep ik de kans om naar believen in alle zalen rond te dwalen met beide handen aan. Daar vergaapte ik mij aan wonderlijke en soms beschamende taferelen. Het liefst en het langst luisterde ik naar de scandaleuze verhalen van de oudere meisjes. Wat ik van hen hoorde, opende voorgoed mijn ogen, ook letterlijk, want hoewel iedereen me nog als een kind beschouwde, zag ik ook toen al haarscherp welke mannen echte kwaliteiten hadden en welke enkel te veel dronken en opzichtig naar de gunsten van de vrouwen hengelden. Vaak hadden die laatsten al een echtgenote. Zo leerde ik al jong dat huwelijk en liefde zelden en dan nog enkel bij toeval iets met elkaar te maken hebben.
               Aan mijn vroege kinderjaren denk ik zelden terug en in mijn dagboek zwijg ik er liever over. Niet alleen vind ik de tijd voor mijn zevende verjaardag niet meer van belang, maar ook is bijna alles daarvan uit mijn geheugen verdwenen. Enkel de sombere gangen van ons kasteel en een paar van Babets verhalen staan me nog helder voor de geest. Mijn echte herinneringen beginnen met de morgen waarop Babet mijn kamer binnenkwam, niet enkel om mijn speelgoed weg te halen, maar vooral met het bericht dat vader een kundige en strenge leermeester voor mij had gevonden in de persoon van meneer Wagner, de aalmoezenier van het regiment waarover hij het bevel voerde. Na die dag vertrok Babet naar haar familie in Stettin. Ik heb ik haar nooit meer gezien, maar meneer Wagner, die mij nu al zeven jaar onderricht in het Frans, Duits en de Heilige Schrift, des te vaker. Hoe saai zijn lessen ook mogen zijn, vanaf de allereerste dag besefte ik dat ik met het oog op mijn toekomst niet zonder hem kon. Ik nam me dus voor om er maar het beste van te maken. Al die zeven jaren slaagde ik er in om meneer Wagners vermaningen en zelfs zijn straffen geduldig te ondergaan, zonder hem ooit te laten merken hoe ik werkelijk over hem denk. Die houding bevalt me tot op heden prima en kan in de toekomst nog van pas komen…
               Ik besluit om het verleden verder te laten rusten en me te richten op de vraag wat mijn zestiende levensjaar me zal gaan brengen als ik in mei vijftien word. Net als ik door het raam van mijn studeervertrek naar de vers gevallen sneeuw in de tuin kijk om mijn gedachten te ordenen, klinkt stipt op tijd de welbekende klop op de deur. Het zal meneer Wagner zijn met de boodschap dat ook op nieuwjaarsdag mijn lessen op de vaste plaats en in de vaste volgorde door zullen gaan. Geërgerd, omdat ik nog niets aan het papier heb toevertrouwd en vrees dat ik straks de helft ben vergeten, leg ik mijn pen neer.
               ‘Kom binnen,’ zeg ik. Zoals altijd zorg ik er voor dat het ondanks alles vriendelijk klinkt.
               Het is echter niet meneer Wagner die de deur opent en naar binnen stapt, maar Charlotte, een van onze dienstmeisjes.
               ‘Vergeef me als ik u stoor, prinses Sophia,’ zegt Charlotte bedremmeld als ik mijn dagboek terzijde schuif en haar vragend aankijk. ‘Uw ouders stuurden mij. Ze verwachten u in de kleine zaal. Uw vader heeft meneer Wagner laten weten dat zijn lessen vandaag niet doorgaan.’
               Dat nieuws doet me op slag al het andere vergeten, zelfs de nog maagdelijk witte bladzijde van mijn dagboek. ‘Dank je, Charlotte,’ zeg ik, sta op en haast me naar de kleine zaal.
               Ik hoef slechts één blik op de salontafel te werpen om te weten waarom ik werd geroepen. Voor mijn vader ligt een dik pak ongeopende brieven.
               ‘Kom tegenover ons zitten, Sophia,’ zegt moeder. ‘Nu je binnenkort vijftien wordt, is de kans steeds groter dat er een brief tussen zit waarin je naam wordt genoemd.
               Moeders woorden winden mij zo op dat ik er niet langer in slaag om mijn gevoelens helemaal te verbergen. Ik ken moeder. Als ze mij iets langer dan normaal aankijkt en haar ogen daarbij glinsteren, weet ze meer dan ze wil vertellen. Ik loop om de tafel en ga met een diepe zucht zitten.
               Vader bekijkt de stapel brieven een voor een en schuift er drie naar moeder. ‘Deze zijn aan jou gericht, Johanna,’ zegt hij.
               Nu weet ik bijna zeker dat moeder op in ieder geval één van die brieven zat te wachten. Al is het misschien niet netjes, op het moment dat ze de eerste opent, buig ik me voorover, want een tekst ondersteboven lezen is een kunstje dat ik prima beheers.
               ‘…met de prinses, haar oudste dochter…’ lees ik. Zelfs het handschrift herken ik. Het is van maarschalk Brummer, die in dienst staat van keizerin Elisabeth, de Russische tsarina. Moeder heeft me al eerder een paar namens Elisabeth geschreven brieven laten lezen, maar daarin werd ik nog niet genoemd. Nu wel en eigenlijk kan dat maar één ding betekenen. Ze willen me aan grootvorst Peter koppelen, die Elisabeth mogelijk ooit op zal volgen.
               Zwijgend leest moeder de brief. Al snel kleuren haar wangen rood. Dat zegt mij genoeg, zeker als ze de brief neerlegt en niet vader, maar mij het eerst aankijkt.
               ‘August,’ zegt moeder, ‘ik moet zo snel mogelijk met Sophia naar Sint Petersburg en geloof me of niet, koning Frederik is bereid om alle kosten van onze reis te vergoeden.’
               Vader schrikt op en kijkt ontsteld van moeder naar mij. ‘Waarom?’
               ‘Dat staat natuurlijk niet in de brief,’ antwoordt moeder, ‘maar ik denk dat je het wel kunt raden. Zo te zien heeft Sophia dat zelf al gedaan. De tsarina zelf zal haar willen zien.’
               Vader kijkt me nadenkend aan voordat hij reageert. ‘Weet je wat het kan betekenen als je gelijk hebt, Johanna? Bijna niemand in Rusland is Luthers. Een huwelijk van Sophia met grootvorst Peter, ook al is hij zelf ook Pruisisch, zou betekenen dat ze haar eigen geloof af moet zweren.’
               Met grote ogen kijk ik vader aan. Dat is een punt waar ik helemaal nog niet over heb nagedacht. Misschien moet ik dat vanaf nu maar wel gaan doen.
               ‘Hebben we dan enige keus?’ reageert moeder. ‘Je weet dat we een verzoek van de tsarina onmogelijk naast ons neer kunnen leggen, zeker niet als er contact over is geweest met koning Frederik. Die zal op de hoogte zijn. Anders zou hij ons nooit aanbieden om alles te betalen.’
               Vader knikt en komt overeind. ‘Je hebt gelijk,’ zegt hij. ‘Ik laat meteen de hofmeester komen en draag hem op met de voorbereidingen voor jullie reis te beginnen. Zorg jij intussen voor genoeg warme kleding. Het kan bitterkoud worden en de wegen naar Sint Petersburg zijn moeilijk begaanbaar, zeker midden in de winter.’
 
Moskou – 28 juni 1744 – Vuurdoop
De abdis van het Novodevitsjiklooster, door de tsarina als mijn doopmeter uitverkoren, leidt me door het schip van de kloosterkerk naar het protserig versierde altaar. Daar wacht de aartsbisschop van Novgorod mij op, een fragiele grijsaard die zo te zien moeite heeft om op de been te blijven.
               Ik haal een keer diep maar zo onopvallend mogelijk adem en sluit me af voor de blikken van de nieuwsgierige toeschouwers, vooral die van moeder. Voor de zoveelste keer zet ik op een rijtje waar ik me op moet concentreren. Wil ik aan of buiten het Russische hof ooit serieus worden genomen, dan moet ik me bij dit eerste officiële optreden in mijn nieuwe land gelijk als een waardige gemalin presenteren. Daarbij moet ik mijn verleden zo veel mogelijk vergeten. De ellende van de eindeloos lijkende reis via Sint Petersburg naar Moskou laat ik achter mij en ook de vergeefse protesten van vader toen hem duidelijk werd dat ik het Lutherse geloof af zou moeten zweren. Maar van mijn ziekte vlak na aankomst in Moskou, die me bijna fataal werd, kan ik wel degelijk nuttig gebruik maken. Zelfs tijdens mijn ziekbed ging ik stug door met Russisch leren. Ik spreek het al veel beter dan mijn aanstaande verloofde, die meer interesse toont in drinkgelagen met zijn vrienden of het drillen van zijn persoonlijke Pruisische garde. Dat ik daar gunstig tegen afsteek, zal indruk maken, met name op tsarina Elisabeth. Daarom wil ik zeker hier en nu laten zien wie ik ben en wat ik kan.
               Devoot kniel ik neer op het rode kussen en ontvang de zegen van de aartsbisschop. Intussen oefen ik in mijn hoofd ijverig de woorden die zo dadelijk van mij worden verwacht.
               Ik sta op en leg zonder ook maar een keer te haperen mijn geloofsbelijdenis af, al zijn er nog heel wat woorden waarvan de precieze betekenis me ontgaat.
               Omdat ik voor het altaar sta, zie ik niets van de reacties, maar wat ik hoor nadat ik ben uitgesproken is duidelijk genoeg. De orthodoxe nonnen in de voorste banken weten hun verbazing niet te onderdrukken. Ze fluisteren onder elkaar. Het klinkt absoluut niet afkeurend, integendeel…
               Als ik naast de abdis de kerk uit schrijd, heb ik na mijn doop niet alleen een nieuw geloof, maar ook een nieuwe naam. Ik heet niet langer Sophia, maar Jekaterina Aleksejevna, een naam die de tsarina hoogst persoonlijk voor mij koos om haar eigen moeder, Catherina I, te eren. Tot voor kort wist ik niet eens wist dat Jekaterina de Russische benaming voor Catherina is.
               Omdat ik vlak langs moeder loop, kan ik haar nu moeilijk negeren. Ik glimlach naar haar, maar vraag me tegelijk af hoe lang ze nog in dit land zal zijn. De tsarina heeft ontdekt dat ze in feite namens koning Frederik hier is, dat die onze reis heeft betaald en dat moeder denkt met mij als geheim wapen een verbond tussen Rusland en Pruisen te kunnen forceren. Ze overschat zichzelf schromelijk, zo weet ik intussen. Ik zal niet in diezelfde val trappen en geduldig mijn rol als gehoorzame gemalin blijven spelen. Wie weet komen er dan ooit kansen om een eigen rol te spelen.
               Buiten het klooster staat een geblindeerde koets voor mij en Peter klaar. De rit van het klooster naar het Kremlin is een anticlimax, maar ook een moment om tot rust te komen en na te denken over morgen, als meteen na mijn doop de verloving zal volgen. Ik keuvel in het Duits wat met Peter over het komende feest, maar houd mijn ware gedachten voor me. Over staatszaken heb ik het al helemaal niet met hem. Peter hoeft nog niet te weten dat ik daar nu al meer over nadenk dan hij waarschijnlijk ooit zal doen.
Onze verloving is gepland op 29 juni, het feest van Petrus en Paulus. Na de ochtendgebeden loop ik naast Peter door het Facettenpaleis naar de Rode Trap. Op het hoogste punt kijk ik verbaasd in het rond naar de enorme menigte die zich intussen heeft verzameld om zich aan ons te vergapen. Dat is een totaal andere ervaring dan het leven aan het Russische hof, dat niet geheel en al nieuw voor mij is, want het lijkt in veel opzichten op het hof van Brunswijk. Op deze plek dringt pas volledig tot me door wat er in de luttele maanden na die brief op nieuwjaarsdag zoal met mij is gebeurd.
               Eenmaal in de Maria-Hemelvaartkathedraal is de eigenlijke verloving achter de rug voordat ik het helemaal besef. Zonder veel plichtplegingen schuift Elisabeth de ringen over onze vingers, waarna meteen de liturgie begint. De lange en vooral saaie preek die de metropoliet van Rostov afsteekt, gaat volkomen langs mij heen en niet alleen omdat ik het Russisch nog onvoldoende beheers. Met moeite slaag ik er in om tot het einde toe een oplettende indruk te maken.
               De lunch na afloop, gezeten tussen Peter en de tsarina, en vooral de festiviteiten ’s avonds zijn heel wat interessanter, al worden er zo veel heildronken uitgebracht dat ik de laatste uren van de dag in een soort droomtoestand doorbreng. Een ding is absoluut geen droom. Er zijn heel wat meer ogen op mij gericht dan op mijn toekomstige gemaal, vooral van de aanwezige prinsen en hoge officieren. Peter krijgt daar weinig van mee. Hij ligt al bijna met zijn hoofd op tafel…
 
Sint Petersburg – 21 augustus 1745 – Een eenzame huwelijksnacht
Om zeven uur ’s morgens hijsen twee hofdames me in mijn zilverbrokaten bruidsjapon, waarin ik enkel rechtopstaand een beetje normaal kan ademen, zo smal is de taille. Ik vraag me af of ik deze dag ga overleven als ik dit tot middernacht of langer moet blijven dragen. En al houd ik van juwelen, vandaag word ik er zo overdadig mee behangen dat ik van alle kanten schitter als ik mezelf in de spiegel bekijk. Liever had ik het bij een enkel halssnoer en mijn diamanten tiara gehouden, maar helaas zal ik moeten doen wat de tsarina op deze dag behaagt.
               Het eerste van de 120 rijtuigen, die stipt om tien uur voorrijden, is groot genoeg om plaats te bieden aan tien koppels in plaats van enkel Peter en ik. De rit naar de Kazankathedraal, de drie uur durende plechtigheid en het afsluitende bal in het paleis, gevolgd door een eindeloze slemppartij, gaat als in een roes aan mij voorbij. Het doet me denken aan de dag van mijn verloving, alleen gaat het deze keer om een echt huwelijk. Dat willen althans de giechelende hofdames me doen geloven als ze me na middernacht naar de slaapkamer begeleiden en me eindelijk uit mijn bruidsjapon verlossen. Pas uren later wankelt Peter naar binnen, maar verder dan zich languit op het hemelbed laten ploffen komt hij niet. Ik had niet anders van hem verwacht en ook niet echt op meer gehoopt. De roddelpraat van mijn hofdames heb ik niet eens nodig om te weten dat ik na deze dag kansen genoeg ga krijgen om mijn lot in eigen handen te nemen, ook waar het om de gunsten van mannen gaat. De voorbeelden zie ik vrijwel iedere dag en vooral iedere avond overal om mij heen. Met die troostende gedachte slaap ik bijna net zo snel als Peter in…


              
Sint Petersburg – 2 juli 1762 – Een onverwachte koliek
Met een groeiend gevoel van opwinding lees ik het laatste bericht van Aleksej Orlov. Nooit had ik durven dromen dat de kansen op de troon na Elisabeths dood al na luttele maanden zo in Peters nadeel en in mijn voordeel zouden kantelen. Peter is dus tijdens zijn gevangenschap ernstig ziek geworden van een onverwachte koliek, zo luidt de boodschap van Aleksej. Wat ik er precies van moet geloven, weet ik niet, maar eigenlijk is dat bijzaak. Als die kolieken leiden tot Peters spoedige dood, ga ik Aleksej rijkelijk belonen en deze keer niet alleen in mijn bed. Als een van de weinigen die ik volledig vertrouw kan ik hem een deel van de staatszaken toevertrouwen, waaronder de voorbereidingen voor mijn kroning als tsarina. Een datum heb ik nog niet in mijn hoofd, maar ik ben vastbesloten om mijn troonsbestijging binnen een paar maanden te organiseren, ruim voordat mijn binnenlandse en buitenlandse vijanden plannen kunnen smeden om me van de troon af te houden. Al eerder heb ik bedacht hoe ik dat aan ga pakken. Niemand, zeker koning Frederik niet, die mij via moeder voor zijn eigen doeleinden in probeerde te zetten, zal van een jonge vrouw als ik zoveel daadkracht en een snelle reactie verwachten. Ik ga hen voor een voldongen feit stellen voordat ze zich realiseren hoe ernstig ze zich hebben vergist. Aleksej effende de weg voor mij. Ook als er ooit een dag komt waarop ik niet langer het bed met hem deel, zal ik hem voor eeuwig dankbaar blijven.
               Peter maakte de grote, maar voor mij bijzonder profijtelijke fout om zijn kroning voor zich uit te schuiven en daarna ook nog eens op een domme en doorzichtige manier tegen mij en Aleksej samen te spannen. Dat ik hem na zijn arrestatie in zijn eigen landhuis op liet sluiten met enkel zijn hond en een enkele bediende als gezelschap, heeft hij geheel en al aan zichzelf te danken. Bang voor nieuwe samenzweringen was ik er op tegen dat hij daar bezoek ontving. Pas na aandringen van Aleksej stond ik het ten slotte schoorvoetend toe. Nu moet ik Aleksej nageven dat hij dat juist, om niet te zeggen uiterst slim heeft aangepakt. Peter nodigde enkel Pruisische zuipschuiten en andere nietsnutten uit om zich samen met hem te bezatten. Dat is waarschijnlijk het beste recept voor een geruisloos einde, waarbij ik zelf schone handen houd…
 
Moskou - 22 september 1762 – 10.10 uur in de ochtend
Wanneer ik op het hoogste punt van de Rode Trap plots halthoud, lukt het de negen functionarissen die mijn baldakijn dragen niet om precies tegelijk stil te staan. Geamuseerd kijk ik toe hoeveel moeite het hen kost om het baldakijn in balans en hun gezichten in de plooi te houden. Zo wil ik straks ook al die vorsten en gezanten zien reageren als ik plaatsneem op de troon, niet als regentes, zoals ze in stilte allemaal hoopten en de meesten van hen verwachtten, maar als de tsarina van alle Russen.
               Aleksej staat niet naast mij. Ik had dat graag gewild, maar op deze dag moet ik de schone schijn ophouden. Daarom heb ik hem een plaats direct achter mij toegewezen. Toch wil ik hem op dit moment en op deze plek mijn dankbaarheid tonen voor het beslissende bericht dat hij me op 3 juli bracht, het bericht dat Peter ons definitief heeft verlaten, waarna de weg naar de troonsopvolging voor mij open ligt. Dat is goeddeels Aleksejs verdienste, maar toch moet zelfs hij vanaf vandaag zijn plaats weten.
               Al is het eigenlijk in strijd met de etiquette, ik besluit dat ik me maar het beste meteen als een echte tsarina kan gaan gedragen. Vanaf vandaag ga ik tegen die etiquette zondigen wanneer ik dat verkies. Ik keer me dus om en werp Aleksej mijn allervriendelijkste glimlach toe. ‘Ook als tsarina zal ik naar al je adviezen blijven luisteren,’ zeg ik, ‘maar na vandaag verandert er wel iets. Kun je raden wat ik daarmee bedoel, Aleksej?’
               Een moment kijkt hij me verrast aan. ‘U luistert, maar gaat minder vaak doen wat ik voorstel,’ antwoordt hij dan.
               Deze keer lach ik hardop. ‘Je bent nog altijd snel van begrip, mijn beste Aleksej,’ zeg ik. 


0 Opmerkingen



Laat een antwoord achter.

    Inhoudstafel fictie
    Oproep verhalen
    ​
    AI-gegenereerde fictie
Powered by Maak je eigen unieke website met aanpasbare sjablonen.
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch