|
Het is het midden van een frisse decemberdag.
Ik ben alleen in de voortuin een sneeuwman aan het bouwen wanneer, zonder enig geluid, het hele heelal naast mij neerdaalt. Ik kan een heleboel sterren, melkwegstelsels, clusters en superclusters zien die erin draaien, maar het grootste deel is slechts lege ruimte. De zwarte kleur van zijn uitgestrekte oceanen van leegte contrasteert scherp met de witheid van de sneeuw. Ik heb lang naar deze dag uitgekeken, als de veelbelovende wetenschapper die ik ben. Nu kunnen het gebarsten vergrootglas en het rafelige meetlint, zaken die ik altijd bij me draag, eindelijk echt worden ingezet. Ik onderzoek het heelal grondig met mijn instrumenten. Ik rek het meetlint uit en probeer die eeuwenoude vervelende vraag op te lossen of het oneindig is of niet, maar helaas is het lint niet lang genoeg voor die taak. Met behulp van het vergrootglas zoek ik naar een fabricagelabel met de specificaties van de kosmos: waar en door wie het gemaakt is; de datum van vervaardiging en vervaldatum; bruto- en nettogewichten; de exacte ingrediënten … maar helaas is het etiket nergens te vinden, of het is te klein om te zien. Het valt me op dat het heelal, van alle mensen ter wereld, ervoor heeft gekozen aan míjn voeten te vallen. Dit moet ongetwijfeld (en ik denk niet dat ik te vermetel ben door tot deze conclusie te komen) een directe en persoonlijke boodschap aan mij zijn van de Kosmos. De betekenis ervan is misschien nog niet geheel duidelijk en de wijze van communicatie is nogal dramatisch, maar het is ongetwijfeld een veelbelovende boodschap. Maar dan een verpletterende gedachte: wat als dit het gevolg is van een wens die ik heb gedaan voor een kerstcadeau? Ik kan niet ontkennen dat ik een paar weken geleden, in een moment van frivole hebzucht, de hele wereld heb gewenst. Ik merk dat de Kosmos lelijke striemen heeft, waarschijnlijk van te snel uitdijen na de oerknal, en hij ziet er te vormloos uit naar mijn smaak. Misschien kan ik boete doen voor het laten neerstorten ervan door hem glad te strijken en om te vormen tot een mooie symmetrische bol. Met trillende vingers pak ik hem voorzichtig op. Ondanks dat het grotendeels uit vacuüm bestaat, blijkt het heelal verrassend stevig en kneedbaar in mijn handen, een beetje als Play-Doh, en ik kan het niet laten het te draaien en te vormen tot allerlei structuren. In mijn speelse opwinding vergeet ik helemaal om het tot een bol te vormen en in plaats daarvan neemt het in snelle opeenvolging de gedaanten aan van een slang, schildpad, olifant, pannenkoek, donut en zadel. Plotseling valt het heelal uiteen in ontelbare kleine, donkere stukjes die uit mijn handen vallen en in de sneeuw belanden. Een verwoestende ramp! Ik moet het veel te ver hebben uitgerekt en verwrongen waardoor het broos was geworden. Hoe zal ik het ooit weer in elkaar kunnen zetten? Ik zou kunnen proberen de lijm te gebruiken die ik heb gebruikt om een modelvliegtuig te bouwen, maar dat zou vast een hopeloze onderneming zijn, want ik heb geen handleiding voor het samenstellen van het heelal. Ik vrees de straf die ik ongetwijfeld van mijn ouders zal krijgen voor het breken van de hele kosmos, waarvan het bewijs zoveel moeilijker te verbergen zal zijn dan die gebroken vaas. Ik sjok naar het flatgebouw, gebukt onder de gevolgen van mijn daden en niet in staat een uitweg te zien uit het dilemma. In mijn kamer gooi ik mezelf op bed en val onmiddellijk in een diepe slaap. Na slechts een paar uur word ik wakker. Ik voel me vrij verfrist en neem een snelle douche. Buiten is er een vreemde drukte die ik tot aan mijn appartement op de vijfde verdieping kan horen, dus ren ik met grote stappen de lange trap af, gevolgd door mijn buren, allemaal benieuwd wat er aan de hand is. Een wit gat[1] is neergestort in de gemeenschappelijke achtertuin. De buitenaardse tint van zijn witheid, oneindig zuiverder dan de kleur van de verse sneeuw waarin het is geland, betovert me en ik word gedwongen het gat in te gaan, ook al weet ik dat ik daarmee elke wet van de natuurkunde overtreed. Vanbinnen zie ik niets dan een sneeuwstorm van spookachtige asgrauwe vormen die om me heen wervelen en ik haast me een weg naar buiten te vinden, ongeduldig om te ontdekken wat er aan de andere kant ligt. Tot mijn grote teleurstelling ziet alles er precies hetzelfde uit als daarvoor. Ik ben bijna blij het witte gat naar de hemel te zien opstijgen (overeenkomstig de universele wet van levitatie, die ik aan de universiteit had bestudeerd), want ik had gehoopt dat het me zou helpen uit mijn afschuwelijke penibele situatie met het verbrokkelde heelal. Maar in plaats van me naar een plek te brengen waar ik opnieuw kon beginnen, bracht het witte gat me niets dan ontgoocheling. Mijn buren rennen naar het flatgebouw en ik volg hen neerslachtig, terwijl ik over mijn schouder kijk om er zeker van te zijn dat ik niet tegen hen opbots. Terug in mijn flat droog ik mezelf grondig af van de douche die ik zo dadelijk ga nemen, en ga dan in bed liggen, me uitgerust voelend van de diepe slaap waar ik nu in val. [1] Een wit gat is een hypothetisch gebied van ruimtetijd dat van buitenaf niet betreden kan worden, maar waaruit materie en licht wel kunnen ontsnappen. Het is het omgekeerde van een zwart gat, dat van buitenaf wel betreden kan worden, maar waaruit niets, inclusief licht, kan ontsnappen. Vertaling: Finn Audenaert
0 Opmerkingen
13 Augustus. Vergaderzaal 2. Gemeentehuis Berkhuizen, Drenthe. 13:00-13:23.
Naam aanwezigen: Dhr. Vinks, Mw. Messink, Dhr. Bruyns, [?] van het Groeneblad. # Dhr. Vinks: Een goedemorgen … nee, excuses, een goedemiddag gewenst aan de aanwezigen. Hierbij open ik de vergadering met juffrouw … de heer … excuses, ik wil nergens van uitgaan, maar hoe wil je dat wij je aanspreken? [?] van het Groeneblad: Wij bekommeren ons niet om het tweezijdige van het vlees. De bloem bloeit waar het gaat. ‘Man’ en ‘vrouw’ is ons om het even, want alleen onze kreet naar uw soort is wat telt. Dhr. Vinks: Juist. Dus als wij van de raad je willen aanspreken, dan zeggen wij …? [?] van het Groeneblad: Peyrimm van het groene blad is genoeg. En wij danken u voor de kans om ons het woord te geven. Mw. Messink: Gossie, wat is het toch een schat, niewaar? Dhr. Bruyns: Mhn. Mw. Messink: Zo beleefd. Dat zie je mijn kleinkinderen niet doen. Als die praten snap ik geen snars van wat ze zeggen. Dhr. Bruyns: Mhn. Dhr. Vinks: Juist. Ter samenvatting: je hebt ons gevraagd om te overleggen over het bouwplan van het bouwproject ‘Hoveniersveld’, dat binnen vijf jaar voltooid moet zijn en onze gemeente zal voorzien van meer dan veertig nieuwe woningen. Volgens jouw brief, een die handgeschreven was op een erg mooi stuk perkament– Mw. Messink: O ja, dat was mooi. Dat zo’n jong meisje zo mooi kon schrijven had ik nooit gedacht. Dhr. Bruyns: Meisje? Is het geen jongen? [?] van het Groeneblad: Wij zijn beiden en geen, met nimmer bloed of aderen of vlees. En wij zijn niet jong, want wij waren hier toen uw soort nog vluchtte voor de lange kou en gejaagd werd door de grote tand en klauw. Mw. Messink: Gossie, dat zegt ze zo mooi, niewaar? Dhr. Bruyns: Mhn. Dhr. Vinks: Nou, ik denk dat mijn collega’s en ik het erover eens zijn dat je bezwaar zeker onze aandacht heeft getrokken. En we zijn altijd blij als een jeugdig iemand zich wil inlaten met sociale zaken. We willen je dus nu de tijd geven om je bezwaar tegen het bouwproject toe te lichten. [?] van het Groeneblad: Dank u. [staat op uit stoel] Mensen des bestuurs van het huis der gemeenten. Hoor ons nu. Wij, Peyrimm van het groene blad, komen nu hier als avatar van het groen om u– Dhr. Vinks: Pardon voor de onderbreking. Groen? De groene unie? [?] van het Groeneblad: Nee. Het groen. Dhr. Vinks: Welk groen? Is dit een jeugdorganisatie of zoiets dergelijks? [?] van het Groeneblad: Het groen. Alles waar u op leeft. Het blad van de boom. Het gras waar u op loopt. Alles wat u laat ademen. Dhr. Vinks: … juist. Ga verder. [?] van het Groeneblad: Dank u. Mensen van het huis der gemeenten, wij staan nu hier in naam der bomen die u van plan bent te kappen om dit project tot leven te brengen. Oude eiken, sommige de laatsten van hun soort die nog in dit gebied wortel aan grond hebben. Brengers van schaduw. Behoeders van ontelbare soorten die hun laatste schuilplek in de bast en takken hebben kunnen vinden. Met uw plan brengt u een slachting voort die het einde zal betekenen van al dit leven. Hiermee geeft u de genadeklap aan wat leeft, vervangen door koude steen en de grijze dood waarmee uw soort het land heeft verminkt. In de vroege tijd, toen uw soort nog jong en zwak was, leefde u in harmonie met het groen, niet anders dan de tor, de vogel en het hert dat met ons leefde. Maar u ging verder en verder. Nu hangt het laatste dat leeft aan een dunne stam, een bes die snel zal vallen maar nimmer iemand zal voeden. Wij smeken u om van uw plan af te zien, voordat het echt te laat is en meer drastische stappen ondernomen moeten worden. Wij danken u. [Korte stilte] Mw. Messink: Nou, dat is heel mooi gezegd. Echt knap, hoor. Dhr. Bruyns: Mhn. Dhr. Vinks: Zeker. We zijn erg onder de indruk. Maar nu moeten wij helaas overgaan tot onze beslissing, en ik moet je helaas mededelen dat deze niet veranderd is. Het project is goedgekeurd en wij hebben de vergunningen hiervoor al uitgegeven. Maar we waarderen je interesse zeker. [?] van het Groeneblad: Wij begrijpen het niet. Zegt u … dat u onze waarschuwing niet aanvaardt? Dhr. Vinks: We begrijpen je passie, en we leven met je mee. Het is inderdaad erg jammer dat die bomen weg moeten, maar er is nu eenmaal geen andere optie. Het is simpelweg een ruimteprobleem, en het oppervlak van dit bosgebied is precies wat we nodig hebben voor het nieuwbouwproject. Wij zijn een groeiende gemeente, en daar moeten we op inspelen. [?] van het Groeneblad: U veroordeelt niet alleen de bomen tot de dood, maar ook de anderen van uw soort. Dhr. Vinks: Anderen? Naar mijn weten wonen er geen mensen in dat bos. [?] van het Groeneblad: Wij hebben het over allen van het vlees! Zij die onze lucht inademen. Zij die ons fruit en onze zaden als voedsel zien. Het hert. De eekhoorn. De specht. De– Mw. Messink: Maar lieve schat, dat zijn toch geen mensen? Dat zijn dieren. Dat is niet hetzelfde. [?] van het Groeneblad: Hoezo niet? Ze zijn allen van het rood en bot en de adem. Deelnemers van het draaiende rad des levens, waar wij allen synchroon met elkaar bestaan. Het rood eet het groen en ademt wat zij uitstoten. Het groen eet het stervende rood en ademt in wat zij weer– Dhr. Vinks: Dit rood, is dat een andere politieke organisatie? Ik begrijp niet– [?] van het Groeneblad: Geen van jullie begrijpen het. Dood dit deel des werelds, en drijf daarmee allen van uw soort de dood in. Wij kunnen niet zonder elkaar, en het groen smeekt u om genade. Laat deze bomen leven, en red daarmee alles wat leeft. Mw. Messink: Gossie, wat zegt ze dat mooi. Zo poëtisch. Dhr. Bruyns: Hmn. Dhr. Vinks: Ongeacht hoe mooi het gezegd wordt, we kunnen niet afwijken van de uitbreidingsplannen van onze gemeente om een stel torretjes en mussen van een huisje te voorzien. Maar we kunnen tee-zee-tee het nog hebben over een motie om elk nieuwbouwproject van een vogelhuisje te voorzien. Mw. Messink: Wat een enig idee. Dhr. Bruyns: Zal dat het tijdschema van het project niet verlengen? Mw. Messink: O ja. Laat dan maar zitten. Dhr. Vinks: Ik denk dat we daarmee deze vergadering kunnen afronden. Het bezwaar is helaas ongegrond, want er zijn te veel factoren waar wij rekening mee moeten houden. [?] van het Groeneblad: Maar– Dhr. Vinks: Het spijt me, maar het project gaat door volgens het vastgelegde plan. Bedankt voor je tijd. [?] van het Groeneblad: Maar het groen! En alles van het rood dat erin leeft? Mw. Messink: Lieve schat, het zijn maar dieren. We moeten als mensen voorrang geven aan wat mensen nodig hebben. De dieren redden zich wel op het weiland. Dhr. Bruyns: Hmn. [korte stilte] [?] van het Groeneblad: Uw soort … u ziet uzelf als los van dit alles? U denkt dat het groen en de grond en de lucht niet een en hetzelfde is? Door deze bomen te kappen, doodt u uzelf ook, zo niet langzamer dan– Dhr. Vinks: Ik denk dat wij hier een beetje van het onderwerp afwijken. Mw. Messink: Ik moet ook zeggen dat er nog veel natuur op ons land te vinden is, dus een paar bomen minder kunnen wij zeker wel mee leven, hoor. [?] van het Groeneblad: Welk groen spreekt u over? Mw. Messink: De velden rond onze boerderijen, natuurlijk. Daar groeit genoeg. [korte stilte] [?] van het Groeneblad: Gras. Velden vol gras, waar nimmer een andere plant groeit omdat u het niet toelaat. Gras dat alleen als voer voor het leven dat u uitperst mag dienen. Leven dat u de schaduw der bomen onthoudt, omdat u dan makkelijker kan tellen hoeveel van deze dieren u bezit. Grond die leeg is, waar zelfs de pier nauwelijks kan leven omdat het schijt van uw dieren, uw vlees ter consumptie, alles verzuurt. Dit noemt u ‘natuur’? Mw. Messink: Tja, dat hoort nou eenmaal bij het Nederlands landschap. Dhr. Bruyns: Mhn. [?] van het Groeneblad: Dood. Dhr. Vinks: Wat zegt u? [?] van het Groeneblad: Dood. Alles wat u aanraakt, maakt dood. Het groen stuurde mij als avatar, deze vorm des kinds, om u te smeken om het niet te ver laten gaan. Het groen hoopte u te kunnen raken met onze waarschuwing. Maar nu zien wij het. Nee, wij wisten dit altijd al. Mw. Messink: Pardon, voorzitter … maar is er nog wat water? Mijn waterkan is leeg, en ik voel mij een beetje flauw. Dhr. Vinks: Ja, het is inderdaad een beetje benauwd hier. [?] van het Groeneblad: U zult niet veranderen. Nooit was er een soort zoals u, die uw eigen leefgebied vergiftigt en doodt zonder enig besef hoe u er uzelf mee om zult brengen. Pas als de laatste boom ontworteld is en u snakt naar de lucht die wij u al die tijd hebben geschonken, zult u het begrijpen. Maar de anderen van het vlees kunnen hier niet op wachten. Er is geen tijd meer om te wachten met de hoop dat u de waarheid ziet die voor ons allen zo duidelijk is. Dhr. Vinks: Zijn … zijn jullie ook zo duizelig? Is er een gaslek of zo? [?] van het Groeneblad: Adem in. Adem diep in, jullie die denken los te staan van alles. Wij geven jullie waar jullie naar zullen snakken als de laatste boom is geveld. Meer dan dat jullie aankunnen. Mw. Messink: Is …? Kijk! Ze groeit! Dhr. Vinks: Ik … kan niet … wat–? [?] van het Groeneblad: Vul uzelf met ons geschenk. Neem het allemaal. Meer dan u aankunt. Dhr. Bruyns: Zuurstof! Te … te veel zuurstof! [?] van het Groeneblad: Toen deze wereld jong was, lang voor uw soort zonder staart en tand bestond, was het groen te sterk. Wij werden te groot. Wij krompen het gebied van het rood in. Ademden te veel uit. Ons bereik was te ver. In deze tijd wisten wij wanneer wij te sterk werden … en wanneer wij onze aantallen moesten terugtrekken. Mw. Messink: Doe … doe een raam open– Dhr. Vinks: Kan … niet! Zit vast! Wortels! Alles vastgegroeid! [?] van het Groeneblad: Als u zich niet terugtrekt, dan duwen wij u terug. Zoals wij van het groen onszelf verminderden, zo zullen wij u terug naar weinig brengen. Dhr. Vinks: Wat … wat doet ze met haar vingers? [?] van het Groeneblad: Leef met ons. Leef naast ons. Of brand zoals wij onszelf durfden te verbranden voor de toekomst van het leven. Dhr. Bruyns: Goeie God! Stop haar! Stop haar! Mw. Messink: Wat … wat is er– Dhr. Bruyns: Te veel zuurstof. Hout tegen hout! Als ze een vonk maakt–! [?] van het Groeneblad: Dit was onze laatste waarschuwing. Wij hopen dat uw afsprong de les leert. Dhr. Bruyns: Stop haar! Sto– # Toevoeging: Deze vergadering wordt gezien als de oorzaak van de brand die het gemeentehuis van Berkhuizen vernietigd heeft, zowel als het begin van ‘de grote groei’, waar de gemeente Berkhuizen en het omliggende gebied, de provincie en een deel van Duitsland kompleet werden overrompeld door een explosie van bomen, planten en andere groei die niet kan verwoest worden met onze huidige plant-bestrijdende materialen. Deze groei is de reden achter het grootschalige evacuatieplan, waarbij meerdere Nederlandse gemeenten ontruimd moesten worden om de agressieve plantengroei te vermijden. Vier jaar na de brand en de groei heeft een expeditie samengesteld door de EU-commissie de tocht naar het epicentrum van deze ramp, genaamd ‘point green-zero’, ondernomen. Deze transcriptie is het enige wat in de ruïne van Gemeentehuis Berkhuizen is gevonden dat niet door de brand is vernietigd of door de navolgende groei is verslonden. Het bestand was opgeslagen op een USB-stick die werd gevonden in de handen van een verschroeid skelet, gezeteld in een stoel overgroeid met wortels en klimop. Naast dit skelet waren de geraamten van twee andere mensen gevonden, opgeslokt door de wortels van een bijzonder hoge boom. Ze zijn sterk, heer Offa.’
Langzaam kijkt de man op. Hij strijkt zijn lange haren naar achter, neemt een slok bier uit zijn gouden roemer en zucht. 'We moeten die verdomde Welshmen buiten houden. Of ze lopen ons allemaal onder de voet.’ 'Hoe wilt u dat doen?’ 'Offa’s Dyke,’ zegt hij nadat hij lange tijd in het vuur heeft gestaard. ‘Geen muur, zoals die van Hadrianus. Die was te laag. Wij hebben een dijk nodig.’ Opnieuw een diepe zucht en een grote slok bier. ‘Want ik vertrouw die Welshmen net zo min als dat ik hun plaatsnamen versta.’ Ik heb geen talent voor tekenen, nooit gehad. Geef me een potlood of een penseel, en ik klungel wel wat, maar op grafisch vlak ben ik niet merkelijk geëvolueerd sinds ik een jaar of zes was. En toen tekende ik nog behoorlijk vaak -- elke week was het minstens een keer of twee van moeten, in de lagere school. Gezellig hoor, die tekenuurtjes, zeker als het regende, vond ik.
Ik kan ook best genieten van een mooi schilderij of een geslaagde ets of zo – ik ben geen barbaar, wel integendeel. Op reis spring ik altijd wel een museum binnen, en ik kan wellicht een kunstenaar of vijf opnoemen uit elke eeuw sinds de vijftiende; dat doen ze me niet allemaal na! Maar zelf tekenen? Nee, sorry – geen talent, geen tijd, geen ambitie. Daarom heb ik dus je hulp nodig. Ik heb begrepen dat je prima werk levert, als je maar gedetailleerde instructies krijgt, met voldoende context. Wel, hierboven staat dus al een beetje context. Maar je wilt wellicht ook weten waarvoor ik tekeningen nodig heb. Dat zal ik dan ook maar uit de doeken doen: ik geloof namelijk in het geschreven woord. Ik heb een website, zie je, en daarop publiceer ik verhalen. Er zijn mensen - meer dan je zou denken, zelfs - die voor hun eigen plezier verhalen verzinnen en uitschrijven. Vind ik zelf ook erg fijn. Ze worden er niet meteen voor betaald (helemaal nooit, eigenlijk), maar zitten toch uren te zwoegen op een paar bladzijden tekst. Ze schrijven, herschrijven, schaven en morrelen tot ze zelf vinden dat het helemaal goed zit. Soms laten ze iemand anders hun tekst lezen en becommentariëren, zodat ze weer bijna opnieuw kunnen beginnen. Enfin, na al dat gedoe willen ze hun tekst graag publiceren. Dan hebben ze het gevoel toch iets te hebben bereikt. En daarvoor dient dus mijn website: die publiceert verhalen, gratis en voor niks, en voor de aardigheid. Voor de literatuur, voor de passie, eventueel. Mooi, toch? Ik ben er zelf erg blij mee. Maar droge tekst slikt zo lastig weg, en het oog wil ook wat. Vandaar, dus: ik wil prentjes! Plaatje bij het praatje! Liefst prentjes die het verhaal echt illustreren, zodat je in een oogopslag al weet waarover het gaat, en liefst ook wat er gaat gebeuren - dat is weer leeswerk gespaard, want sommige van die schrijvers vinden zichzelf geweldig en emmeren nogal een eind weg. Zo, dat is de context. Als ik je een tekst voeder, genereer jij dan gauw iets generieks? Nee, mooi hoeft het niet te zijn hoor, als het maar functioneel is. Zo ernstig moet je het allemaal niet nemen – die passie, dat is vooral bij wijze van spreken. Tegenwoordig heeft iedereen een passie, al is het breien of kombucha proeven. Benieuwd wat het wordt – bijgevoegd is een verhaaltje. Lees het even door, zou ik zeggen, en spuw eens iets uit. Promptissimo! Ze zeggen – ik heb het al wel duizend keer gehoord – dat de laatste trein, die deze wereld nog had kunnen verlaten, nooit is vertrokken. Dat is natuurlijk gewoon een gemene leugen. Ik weet niet wie dat heeft verspreid. Maar misschien is het maar beter zo. Je hoeft niet alles aan de grote klok te hangen.
Ik was nog op tijd op het station. De trein stond er nog. Ik stapte in een van de middelste wagons, omdat ik wist dat de wagons aan het begin en het einde het gevaarlijkst waren. Er kwamen steeds meer mensen bij, de coupés raakten propvol. De kleinere kinderen zaten op schoot bij hun ouders, de grotere op de vloer, enkele dapperen op de bagageplank. Er kwamen er nog steeds bij. Het dak van de trein was leeg; na alles wat er tot dan toe was gebeurd, durfde niemand het risico te nemen om erop te klimmen. We vertrokken precies op tijd. (Ik weet het, want ik keek op mijn horloge.) De stoomlocomotief liet een lange toeter klinken en de trein kwam eindelijk in beweging. Ja! Het was een stoomlocomotief. De geruchten gaan over elektrische locomotieven en diesellocomotieven, maar stroom was er toen al lang niet meer. En waar zou de diesel vandaan moeten komen? Op de trappen bij de open deuren klampten zich nog enkele mensen vast. Wanhopig probeerden ze zich een weg naar boven te banen. Bij de eerste bocht werden ze allemaal weggejaagd. Zes of zeven van hen renden nog naast de schokkende trein mee en schreeuwden en smeekten om mee te mogen, maar na verloop van tijd raakten ze een voor een achterop. We moesten de deuren sluiten, want anders hadden we geen schijn van kans gehad. Langzaam kropen we de berg op. Het was zo stil als in een crypte. Later begonnen sommigen te bidden. De samengeperste menigte schommelde bij elke schok naar voren, naar achteren, naar voren, naar achteren. Er ontstond wat gerommel in de gang, waarna er bij de deur van het coupé een man in uniform verscheen, een conducteur. Met veel moeite trok hij de deur open en brulde: ‘Uw kaartjes, alstublieft!’ Eerst keek iedereen hem verbaasd aan, maar even later begonnen velen in hun zakken en tassen te rommelen. Een voor een kwamen de kaartjes tevoorschijn. Eerlijk gezegd: het was niet eens bij me opgekomen om een kaartje te kopen. Oké, waar we vandaan kwamen, dat was duidelijk, maar wat was de bestemming? Wat had ik moeten zeggen, waar wil ik een kaartje voor? Naar een andere wereld? En hoe bepaalden ze überhaupt de afstand, de kilometers, en hoeveel je daarvoor moest betalen? Toen ik op het kaartje van de vrouw naast me keek, zag ik hoeveel het kostte. Terwijl de conducteur iedereen netjes een voor een controleerde, wierp hij af en toe een stiekeme blik op mij. Toen hij met iedereen klaar was, keek hij me een tijdje afwachtend aan en zei toen op besliste toon: ‘Kom mee!’ Iedereen staarde me aan alsof ik een moordenaar was. Wat had ik anders kunnen doen? Ik volgde hem. Eerst dacht ik dat hij me eruit wilde zetten, maar ik wist dat er geen halte was en dat hij de trein niet kon laten stoppen, want dan zouden we te laat komen. Hij kon me hooguit uit de rijdende trein gooien, want uit eigen beweging zou ik er zeker niet uit springen, hoewel we zo langzaam reden dat het volgens mij geen kwaad zou hebben gekund. We gingen terug. Het duurde wel een half uur voordat we ons een weg hadden gebaand naar de laatste wagon. Die had geen coupés, ik kon er dwars doorheen kijken. Er zaten maar een paar mensen in, twee vrouwen en vijf mannen. Misschien hadden ze elders geen plaats kunnen vinden en waren ze nu bang voor wat hen te wachten stond? Maar ze straalden geen enkele angst uit. Ik zou eerder zeggen dat ze me wantrouwend bekeken. De conducteur liet zich op een van de tweezitsbanken vallen en grijnsde. ‘Hier kunnen we tenminste even de benen strekken.’ Ik ging tegenover hem zitten. We zwegen. En zwegen. Na een tijdje zei hij: ‘Dus u bent er ook achter gekomen?’ Ik liet hem zijn gang gaan en knikte. Uit het voortdurende gemompel bleek dat de anderen elkaar allemaal kenden. Ik begreep niet echt waar ze het over hadden; ik ving alleen een paar luidere halve zinnen op: ‘Het komt wel, het blijft wel!’, ‘Alweer die smerige zak’, ‘En wees dan snel!’ We bereikten de top van de berg. Ik keek op mijn horloge: we waren er precies op tijd, tot op de seconde nauwkeurig. De trein schoot in beweging en we begonnen aan de afdaling. De conducteur stond lusteloos op en liep naar de voorhal. Ik zag niet wat hij deed, ik zat met mijn rug naar hem toe. De trein raasde al zo snel dat ik niet eens begreep hoe hij op de rails kon blijven. Maar dat was nu juist de essentie van het geheel: de snelheid! Ik wist het heel goed, maar toch kromp mijn maag ineen. Ik draaide mijn hoofd dan ook weg van het raam, zodat ik het voorbij razende landschap niet hoefde te zien. Ik herinner me dat er door mijn hoofd ging dat het beter was geweest om na zonsondergang te vertrekken, want dan had ik niets gezien van die waanzinnige vaart. Maar dan was het al te laat geweest om te vertrekken. Plotseling kwam er een man binnen. Even herkende ik hem niet: het was de conducteur, maar dan in andere kleding – om de een of andere reden had hij zich omgekleed. ‘Maak jullie klaar,’ riep hij tegen de anderen. Er klonk een hoop gerammel. Van onder de stoelen en uit de koffers kwamen allerlei stukken gereedschap tevoorschijn: harken, haken, breekijzers. Onder leiding van de conducteur gingen drie mannen naar de voorruimte en … De wagon schokte hevig en begon vervolgens zichtbaar te vertragen. Ik begreep niet wat er aan de hand was en liep achter de anderen aan. Tot mijn verbazing zag ik dat de wagon van de trein was losgekoppeld en al zo’n dertig meter voor ons reed. Af en toe remden de anderen op een teken van de conducteur met de hand, waardoor we steeds verder achterop raakten. We raakten zo ver achterop dat we niets meer konden zien, alleen nog maar horen. Daarna was ik nog zo’n uur lang helemaal doof. Misschien was dat maar beter ook. Ik vermoedde wel wat er gebeurd was en probeerde me ook mentaal voor te bereiden op het zicht dat me te wachten stond, maar … Het voorste derde deel van de locomotief ontbrak; dat was er nog doorheen gekomen, maar de trein zelf … In strijd met de wetten van de fysica was hij tot minstens de helft samengedrukt. Toen zag ik waar de spanklemmen en haken voor dienden. Ik liep langs de rails terug naar de stad. Ja! Ik had ook een handvol kaartjes bij me. Op het station hebben ze ze allemaal zonder een woord teruggewisseld. Vertaling: Finn Audenaert Na Jorges dood bracht ik een tijdlang mijn dagen door met herinneringen bijeen te rapen uit alle hoeken van het huis, als was het vuile was. Ik stopte ze in een rieten mand, in de hoop dat ik ze er ooit weer uit zou halen, wassen, in de zon drogen, strijken en misschien opnieuw gebruiken … zoals je doet met een oud overhemd, versleten maar vertrouwd.
Maar het was valse hoop. Het werkte niet. Het verdriet dat mij doordrong was zo overweldigend dat het huis in een gevangenis veranderde, en iedere minuut begon te lijken op die waarmee een levenslange gevangenisstraf wordt afgemeten: beklemmende ogenblikken die, opgestapeld, je doen verlangen naar het einde van de straf, naar het einde van de marteling. Ik dwaalde van kamer naar kamer, mijn voeten slepend over de vloer. Ik nam een voorwerp op om het onmiddellijk weer op precies dezelfde plaats terug te zetten, erop lettend dat het zelfs geen millimeter verschoven was. Ik maakte verschillende nutteloze inventarissen en ontdekte dat keramiek en ivoren beeldjes soms meer leven bezitten dan een mens, vooral wanneer die mens gekwetst is, wanneer de pijn zich als een gif in zijn lichaam heeft vastgezet en hem volledig verlamt. Maar ik moest iets doen om niet helemaal ten onder te gaan. Op aanraden van familie en vrienden dwong ik mezelf tot handelen. Ik maakte er een gewoonte van iedere dag door de wijk te wandelen, langs de straten waar Jorge en ik zo vaak samen hadden gelopen. Ik liep maar door, terwijl ik gedachteloos tuinen en gevels bekeek, cafés, parken, winkels en monumenten. Toch beleefde ik er geen enkel plezier aan. Het was aangenaam, zelfs rustgevend, maar al snel ontdekte ik dat het minder gevaarlijk was binnen te blijven, want op iedere straathoek wachtten de herinneringen mij op als een vuistslag recht op de kaak – die gezegende en vervloekte herinneringen … Dus gaf ik mijn wandelingen op en bracht ik mijn ochtenden, middagen en avonden voor de televisie door, met een leeg hoofd en zonder de minste belangstelling voor wat ik zag. Wat moest ik doen? Verhuizen? Alleen al de gedachte mijn spullen in dozen te stoppen verlamde me. Elk voorwerp voelde als een enkeltje naar de nostalgie, een uitnodiging tot melancholie. Een goede vriendin stelde voor dat ik naar een ontmoetingscentrum zou gaan. Misschien zou ik daar een man leren kennen met wie ik mijn leven opnieuw kon opbouwen. Mijn leven opnieuw opbouwen? Mijn leven lag niet in puin. Het bestond eenvoudigweg niet meer. Het was een leegte geworden. Een enorme, holle leegte. De herfst was somber en de winter afschuwelijk. Ik geloof dat ik een twintigtal romans heb gelezen, omdat ik de televisie beu was, en duizend idiote programma’s heb bekeken, moe van al die belachelijke verhalen waarin mensen veel grotere en pijnlijkere problemen hadden dan de mijne, maar ze oplosten met een gemak dat me angst inboezemde. Ik had geen financiële zorgen, geen kinderen die mij nodig hadden en geen kleinkinderen om lief te hebben. Dus bleef ik wegzakken in het moeras, vergeten midden in een onherbergzaam land waar niemand ooit langskwam. Vragen jullie of ik gehuild heb? Ik heb gehuild tot er geen tranen meer over waren, tot ik mezelf ervan overtuigd had dat huilen nergens toe diende, dat Jorge niet zou terugkeren en dat ik de moed niet bezat om hem achterna te gaan. Toen voelde ik het verpletterende gewicht van mijn ongeloof. Kon ik me tenminste maar een plaats voorstellen voorbij het leven, waar hij op mij wachtte. September was niet beter dan augustus en oktober was erger dan welke maand van welk jaar ook. De uren rekten zich uit met een wreedheid die een monster uit een roman waardig was, en mijn verlangen om het huis te verlaten begon zich te vermengen met mijn onvermogen om er ook werkelijk een voet buiten te zetten. Ik slingerde heen en weer als een pendel, verscheurd, verbijsterd, verdoofd als een haas die midden op de weg verstijft in het licht van koplampen. Is er dan geen uitweg? Nee, antwoordde ik op een vraag die eigenlijk geen antwoord nodig had. Toch sloot ik, kort voor Kerstmis, het huis af en vertrok naar de kust. Aanvankelijk wist ik zelf niet waarom ik dat deed, al dacht ik misschien, diep verborgen in een afgesloten kamer van mijn geest, dat afstand nemen van de vertrouwde plaatsen en voorwerpen mij de kans zou geven alles vanuit een ander perspectief te bekijken. Dat was niet waar. Wat ik werkelijk zocht, was een ogenblik dat ik drie jaar eerder samen met Jorge had beleefd. Ik zocht dat ene moment van betoverende onrust toen wij, gezeten op de treden van een geïmproviseerd openluchttheater, keken naar een jong acrobatenechtpaar. Die zomer, gedragen door de volmaakte en weemoedige klanken van het Adagietto uit Mahlers Vijfde Symfonie, draaiden en zweefden die twee rond een metalen constructie. Ze verstrengelden zich in kleurrijke doeken, stortten zich naar de afgrond en stegen daarna weer op als rusteloze vogels. Tijdens de hele voorstelling zaten Jorge en ik hand in hand, met het hart in de keel, terwijl we ons een liefdesverhaal voorstelden dat getekend was door ontberingen en scheidingen. ‘Het leven van rondreizende artiesten,’ zeiden we. We gingen iedere avond naar hen kijken, tijdens wat later onze laatste zomer aan zee zou blijken te zijn, zonder ook maar te vermoeden dat de dood ons toen al op de hielen zat, bezig het geschenk voor te bereiden dat hij ons pas na vele maanden van lijden zou overhandigen. We bleven terugkomen omdat we allebei een beetje verliefd waren geworden op die acrobaten, alsof we met onze vingertoppen bijna vijftig jaar konden aanraken die uit het weefsel van de tijd waren losgeraakt. Noem me gerust een masochist. Ik zal het je niet kwalijk nemen. Ik wilde hen terugzien om tenminste één stukje terug te vinden van het verleden dat ik met Jorge had gedeeld. Ook dat hielp niet. Op het plein waren clowns, muzikanten met gitaren en mondharmonica’s, schakers en poppenspelers, maar zij waren er niet. Wat ben ik toch dom, dacht ik. Waarom heb ik aangenomen dat ze drie jaar later nog altijd op dezelfde plek optreden, nog steeds vliegend en draaiend door de lucht, gedragen door Mahlers sublieme muziek? Er zijn zoveel badplaatsen! Ik verliet het plein en liep naar de zee. De zomer liep ten einde. Binnenkort zou de uittocht beginnen; de leegte en de stilte zouden de overwinning behalen. Op de pieren, waar slechts enkele vissers heen en weer liepen, leek alles mijn verlatenheid te weerspiegelen. Ik volgde de boulevard richting haven, steeds verder van het centrum vandaan, terwijl ik de schemering afzocht in de hoop mijn verloren geest terug te vinden. Maar Jorge was er natuurlijk niet. Mijn fantasieën zouden altijd blijven wat ze waren: schaduwen, veroordeeld om opgesloten te blijven in hun kisten; halskettingen van niets; vogels van schuim die oplossen in de nacht. Ik leunde met mijn ellebogen op de stenen balustrade van de boulevard en liet mijn tranen zonder enige schaamte stromen. Niemand kon mij toch zien. En zelfs áls iemand mij had gezien, dacht ik … wie maakt zich druk om een oude vrouw die huilt om de man van wie ze hield? Het onherroepelijke van de situatie overviel me opnieuw. Maar dit keer verzette ik me niet. Zo zou het blijven tot het einde. En voor het eerst wenste ik dat dat einde niet al te lang op zich zou laten wachten. Na een tijdje merkte ik dat enkele meters verder een jongleur zijn knotsen met grote vaardigheid in de lucht wierp, maar zonder enig enthousiasme. Niemand keek naar zijn optreden. Toch bleef hij de knotsen opgooien en weer opvangen, opgooien en weer opvangen, als een mechanische herhaling van een eindeloze routine. Toen hield hij plotseling op. Hij raapte zijn knotsen op en liep recht op mij af. ‘Ik wachtte op u,’ zei hij. ‘Op mij?’ Mijn verbazing was oprecht. Hij was die acrobaat, de jonge man die hoog in de metalen constructie zijn partner tussen rode en gele doeken de lucht in wierp, haar hand greep of juist losliet zodat ze naar de afgrond leek te storten; haar weer optilde en opnieuw losliet, in een waanzinnige choreografie die geen einde leek te kennen. Hij was het. Daar bestond geen twijfel over. Maar had hij op míj gewacht? We hadden nooit één enkel woord met elkaar gewisseld. Hij kon zich mij onmogelijk herinneren. Ik was slechts een van de vele schaduwen in het publiek geweest, betoverd door hun vlucht en door de muziek. ‘Ja, op u,’ antwoordde hij. ‘Waarom niet? Mahler is stil geworden, weet u. De muziek is verdwenen. Op het plein klinkt het Adagietto niet meer. Ik kon haar niet vasthouden … Ze viel van zeven meter hoog.’ Ik sloeg mijn hand voor mijn mond en onderdrukte een snik. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Hij wel. ‘Ik ben ook alleen achtergebleven … begrijpt u?’ Zoals elke morgen stak David de straat over om zijn krant te kopen aan een kiosk voor hij zich naar het metrostation repte. Toen het begon te regenen merkte hij tot zijn ongenoegen dat hij zijn paraplu vergeten had.
Hij was doorweekt toen hij eindelijk de trappen naar het station afdaalde en hij vervloekte zichzelf. Enkele tellen later vond hij een zitplaats op het metrostel en wilde zijn krant lezen, maar kon zijn bril niet vinden. Hoe kon hij ook die vergeten hebben? Hij liet zijn krant zakken en schudde het hoofd. Het was zo een van die dagen waarop alles verkeerd liep. Hij staarde uit het raampje terwijl het metrostel voortraasde, trachtend aan iets positiefs te denken. Toen hij aankwam op kantoor vroeg een van zijn collega’s hem: “David, heb je het nieuws gehoord? Heb je de krant gezien?” “Nee, ik kon niet. Ik heb mijn bril vergeten. En mijn paraplu ook. Kijk maar eens naar mijn kleren.” “Je bent niet de enige die met geheugenproblemen te kampen heeft. Het is een epidemie.” “Waar heb je het over?” “In het hele land begonnen mensen van alles te vergeten. Eerst leidde dat maar tot kleine problemen, maar inmiddels zijn er ernstige ongevallen gebeurd op snelwegen en op luchthavens. En het lijkt alleen maar erger te worden.” “Lieve hemel, dat is pas angstaanjagend. Is er al een verklaring voor het verschijnsel?” “Nog niet. Niemand weet hoe lang dit zal duren, hoe het zal eindigen, en of het wel zal eindigen.” David schudde het hoofd. “Ik kan het nauwelijks geloven. Dit zou wel eens het einde van de wereld kunnen zijn. Welke verschrikkelijke toekomst staat ons te wachten?” Enkele ogenblikken lang staarden David en zijn collega’s in gedachten verzonken voor zich uit. Het viel hem op dat een aantal personeelsleden afwezig was. “Waar zijn Cindy, Maggie en Jeff?” vroeg hij. “Zijn ze niet komen opdagen? Ik neem aan dat ze vergaten te komen werken. Dat zal dan wel hetzelfde probleem zijn.” “Over welk probleem heb je het?” vroeg een van zijn collega’s. Hij zweeg even, zich afvragend wat hij met zijn opmerking bedoeld had. “Ik weet het niet,” wist hij uiteindelijk uit te brengen. “Had ik het over een probleem?” Kort daarop zaten ze allen aan hun bureau, hard aan het werk zoals gewoonlijk. Het verschrikkelijke nieuws over de epidemie was alweer volledig uit hun geest verdwenen. 1.
Het gebeurde allemaal op een zonovergoten, warme ochtend: ik werd wakker in de mand van mijn hondje en was veranderd in een Kaninchenteckel. Ik lag knus in het nestje, rekte me geeuwend uit en had geenszins door dat ik in een hond was veranderd. Ik dacht dat ik gewoon in de mand was beland. Toen ik mijn onderbuik likte schrok ik me een hoedje, al meld ik dit eerder, eh, eufemistisch. Voordat ik verder kon nadenken ging de kamerdeur met een harde klap open en zag ik mezelf de woonkamer inlopen, waar ik in de mand lag. De persoon staarde me in een shocktoestand aan. Zij zei iets in mensentaal dat ik tot mijn verbazing niet begreep, maar wel kon raden. Ik was mijn hondje geworden en mijn hondje was mij geworden. We staarden elkaar wezenloos aan. Ik zag daar voor mij een slonzige vrouw staan in mijn te grote pyjama, zonder make-up, het haar alle kanten op. Ik wilde haar om hulp vragen, maar ze begreep me niet. Ik was hondentaal aan het spreken. Ik zag mijzelf naar de badkamer rennen, verbluft dat een viervoeter zo goed overweg kon met twee benen. Daar stond ik dan, bij de mand, onwennig met die vier poten. De woonkamer was ineens zo groot. Wat rook ik toch? Kwam de geur van buiten? Was mijn reukorgaan zo sterk? Ik moest plots hoognodig plassen en poepen, waarschijnlijk getriggerd door mijn heftige angst. De achterdeur naar de kleine tuin was dicht. Moest ik hier op mijn eigen vloer mijn behoefte doen? Even ophouden dan maar, ik had nu andere zorgen. Mijn mond was woestijndroog, ik moest iets drinken, liefst koffie, maar dat was in deze situatie niet haalbaar. Het bakje met water naast de mand was half vol. Er dreven niet nader te identificeren bruine slierten en zwarte stipjes in het water. Welke dag was het ook alweer vandaag? Zondag, pfoei, geen werk, maar ik had wel iets anders op mijn agenda staan, iets zeer belangrijks: een groot tuinfeest, dat was het, bij mijn aanstaande schoonouders. Mijn vriend zou me vanmiddag ophalen en we zouden samen naar zijn ouders gaan. Mijn vriend en ik kenden elkaar lang, maar ik wist niet zeker of hij zou accepteren dat ik een hond was geworden. Hij was marinier en was gisteren teruggekomen van een missie. Sinds hij de opleiding tot marinier had gevolgd was hij sterk veranderd. Hij was staccato gaan spreken, ook tegen mij, was wantrouwig geworden, ook naar mij toe, en gedroeg zich toch wat egoïstischer, als ik het voorzichtig mag omschrijven, een arrogante zelfzekerheid. Misschien was hij vroeger al zo, maar had ik het niet opgemerkt. Een vriendin die ik na lang twijfelen in vertrouwen had genomen drukte me op het hart dat er echt niks aan de hand was met mijn wederhelft. Ik was wat jaloers volgens haar, maar dat was geen ramp, ze kende een goede relatiecoach die me snel kon fiksen. Ze had geen oor naar mijn protesten, dat ik me misschien tekort gedaan voelde. Mijn subjectieve mening telde volgens haar niet. Mannen hadden soms hun buien, wij vrouwen moesten dat doorzien. Ik moest gewoon wat meer aandacht geven, mannen hielden van extra belangstelling, zoals honden. Ze stuurde me het nummer van de coach voor het geval dat. Omdat ik niet van verrassingen hield wist ik wat er op het tuinfeest ging gebeuren. Mijn vriend zou daar mijn hand vragen. Sinds deze kennisgeving maakte ik mezelf wijs dat hij de ware was. Mannen waren toch allemaal dezelfde. Iedereen mankeerde wel iets. Ik hoorde mezelf boven in de badkamer rommelen en hard schreeuwen. Ik vermoedde dat ik daar boven aan het vloeken was. Ik moest echt hoognodig, de aandrang was niet meer vol te houden. Ik ging vlug in een hoek staan, deed mijn bibberende staart omhoog en liet een natte drol op de vloer plonzen. Vervolgens plaste ik bij de tafelpoot naast mij. Iets in mij dwong mij de urine en de stront te besnuffelen, maar gelukkig kon ik me nog net beheersen. Het verbaasde me weer dat alles zo groot en hoog was. Mijn baasje kwam terug, pakte me op en ging op de zetel mij traag strelen. Ik ervoer dit alles als een complete vervreemding. In wezen zat mijn hond mij te strelen. Ze zei zachtjes iets, maar ik verstond haar niet. Ik luisterde goed hoe het timbre van haar stem was. Ze klonk verdrietig. Ze pakte mijn telefoon en staarde naar het donkere scherm. In mijn hondentaal zei ik mijn toegangscode. Ze begreep me niet. Forse tranen biggelden over haar gezicht. Ik likte haar blote armen als troost. Ze zei iets liefs, maar wat precies was me een raadsel. Eigenlijk was het ook niet zo belangrijk wat ze zei. Ik had honger. In het bakje naast de waterbak lagen nog restjes van kippenhartjes. Ik had ze zelf gisteren nog klaargemaakt. Ik had er toch geen zin in. Het irriteerde me dat ik telkens snuffelend over de grond liep. Het was iets onbedwingbaars. Ik merkte ook dat ik continu op mijn hoede was, waarschijnlijk omdat ik zo laag bij de grond liep. 2. Ik hoorde en rook buiten iets, een andere hond die werd uitgelaten. Waren mijn zintuigen zo sterk? Als een bij naar een bloem werd ik naar het raam getrokken. Een Tibetaanse terriër passeerde met zijn baasje. ‘He, lekker wijfie, zit je me zo aan te staren?’ Moest ik geshockeerd zijn door zijn vulgair taalgebruik of door het feit dat ik hem verstond? De Tibetaan keek me uitdagend aan. ‘Sst, straks bij de hondenwei! We kunnen dan snuffelen en knuffelen, je weet wel. Tot zo!’ knipoogde hij brutaal. Ik rende geschrokken terug naar mijn mandje. De tijd drong. Mijn vriend kwam zo en ik was nog steeds een teckel. Boven hoorde ik gestamp. Ook viel er iets op de grond dat op glas leek. Wat deed zij daar toch? Mijn vriend hield niet van honden. Hij had daar allerlei ideeën over die ik hier beter niet kan verkondigen. Dat ik een hond had was eigenlijk de hoofdreden waarom we nog niet samenwoonden. Hij woonde bij zijn ouders en ik hier. Het was me dan ook volstrekt onduidelijk waarom hij toch ineens mijn hand ging vragen. De bel van de voordeur ging. Ik rook meteen wie het was: mijn vriend. Mijn baasje, eigenlijk mijn teckel, rende naar beneden. Ik stond ook vliegensvlug bij de voordeur. Ze opende de deur en omhelsde en kuste hem meteen. He, zei ik, zo doen we dat niet. Ik vermoedde dat ik blafte. Verbluft stond mijn vriend mijn baasje aan te staren en zei iets dat ik helaas niet verstond. Ze omhelsde hem weer. He, blijf van hem af, ja? Ik ben zijn vriendin, niet jij! Niemand luisterde naar mij. Mijn vriend kwam binnen en keek rond. Flapjanus, blijf van hem af! Ze negeerden mij gewoon. Ik werd overmand door een drang om hen stevig te bijten. Mijn baasje tilde mij op en liep met mijn vriend de woonkamer in. Dit was niet normaal! Die hypocriet pikte mijn vriend in! Dat was toch ongehoord en ongezien! De schijnheilige teckel zat met mijn vriend te kletsen. Vanuit mijn mandje probeerde ik te bedaren en te begrijpen wat ze zeiden. In plaats van het probleem op te lossen zat ze mijn vriend in te palmen. Wat zijn honden toch gemene beesten! Ik moest mijn vriend een boodschap geven, dat ik zijn vriendin was! Ik ging bij hen staan en zei dat ze ermee moesten ophouden. Niemand wilde luisteren. Ik probeerde harder te spreken, tevergeefs, ze zaten bijna in elkaars mond, walgelijk. Ik moest weer plassen. Liefst had ik het tegen hun benen willen doen. Ik haastte me naar de voordeur en zei meermaals dat ik wilde urineren. Als bij wonder kwam de zogenaamde actrice naar de voordeur en deed mij de riem om, nota bene, het was haar riem die ik nu over mijn hoofd kreeg. Met zijn drieën stapten we naar buiten. De tortelduifjes liepen hand in hand. Die vriend van mij had al jaren niet meer met mij zo gelopen! Ik trok met opzet zo hard aan de riem dat ze niet langzaam konden lopen. Bij de eerste boom deed ik snel een plasje en liep meteen door. Ik moest razendsnel die vriend van mij duidelijk maken wat er aan de hand was. In de hondenwei waar ik dagelijks kwam werd mijn riem losgemaakt. De hondenwei was leeg, op de Tibetaanse terriër na die ik zojuist had gezien. ‘He, fijn dat je gekomen bent,’ zei hij blij. ‘Wat zullen we eerst doen? Beetje rennen of meteen knuffelen? Je snapt wel wat ik bedoel.’ ‘Wil je alsjeblieft ophouden met die flauwekul? Ik heb een probleem, een groot probleem,’ zei ik. ‘O, maar ik houd niet van problemen, ook niet van grote.’ ‘Luister, blokhoofd,’ zei ik, ‘ik ben geen hond.’ ‘Wat dan? Een cavia met lange oren?’ ‘Nee! Een mens, ik ben een mens!’ ‘Je ziet er toch uit als een hond.’ ‘Toch ben ik het niet! Ik ben vanmorgen zo wakker geworden. Ik ben mijn teckel geworden en mijn teckel is mij geworden.’ ‘Schatje, ik vrees dat je een groot probleem hebt.’ ‘Doe niet zo onnozel! Kun je me helpen, heb je een idee?’ De Tibetaan dacht na en zei na een lange stilte: ‘Tja, wat zal ik zeggen? Ken je de kikker?’ ‘Welke kikker? Kermit?’ vroeg ik geïrriteerd. Ik keek vlug naar die twee pinda’s die bijna tot een blok pindakaas waren gesmolten. ‘Je weet wel,’ zei de Tibetaan, ‘die kikker die gekust werd door de prinses.’ ‘Wat? Zit je me in de maling te nemen? Geloof jij in sprookjes?’ De Tibetaan keek me wazig aan. ‘Heb je een beter idee? Laat je door je lieve vriendje kussen, misschien verander je dan in een kikker, sorry, sorry, ik bedoel in een mens. Je snapt me wel, toch? Dan kunnen jullie mensenpuppy’s maken, gezellig toch?’ Ik zuchtte heel diep. De Tibetaan liep al traag weg en zei: ‘Schatje, probeer het, sprookjes bestaan. Als het niet lukt, laat het me dan weten. Succes!’ De Tibetaan verdween met zijn baasje. De twee zomertortels stonden nog op dezelfde plek. Vuile stroopwafel met je hoge hakken, ik walg van je! We gingen terug naar huis. Ik had geen zin om achterom te kijken. Thuis kroop ik in mijn mandje en observeerde besmuikt de woonkamer. Terwijl mijn vriend op zijn telefoon bezig was rommelde die slappe teef boven in mijn slaapkamer. Eindelijk kwam ze naar beneden. Ze had mijn mooiste jurk aangedaan! Hoe durfde ze? Mijn vriend, die verrader, smolt ter plekke. Ik was blij dat ik niet verstond wat ze zeiden. Ik werd in een reistas geplaatst en werd naar de dikke auto van mijn vriend gebracht. Ik werd argeloos op de achterbank gedumpt. Tijdens de rit naar onze eindbestemming, het tuinfeest, dacht ik na over de bevrijdende oplossing. Dit was mijn laatste kans. Ik moest die zogenaamde vriend van me op de een of andere manier berichten om mij te kussen. 3. Mijn vriend had nooit een dier gekust. Zelfs mij kuste hij met een soort tegenzin. Het zou niet gemakkelijk worden. Als hij mijn sein begreep zou het in theorie geen probleem moeten zijn. Het tuinfeest was al druk. Mensenlichamen zaten of stonden op stoelen en bonte kleedjes, en kletsten uit hun dikke, gebronsde nekken over onzinnige zaken. Mijn ongewassen, overmatig geparfumeerde baasje werd door iedereen omhelst en gekust. Zo was ik nog nooit ontvangen! En wat stonken mensen toch! Velen wilden me aaien, maar ik gromde zo vals dat niemand het in zijn hoofd kreeg om me te benaderen. Ik was hier met een missie. Het ging om leven of dood. Die onbetrouwbare vriend van mij die hier in deze flora op een roze wolk zweefde, moest mij kussen voordat hij zijn verrassingsaanval zou doen. Een DJ draaide zachte muziek terwijl mensen gezellig met elkaar roddelden. Ik ging tussen mijn vriend en de vleier staan. Ze letten niet op mij. Ik maakte, mijn achterpootje optillend, ongemerkt een plasje bij hun schoenen en rende meteen met wapperende oren weg. De situatie was buitengewoon complex. Hoe kon ik ervoor zorgen dat die onverschillige slijmerd mij kuste? Ondertussen tikte de tijd weg. Er werd gegeten en gedronken. Ze mochten allen stikken! Ik legde me neer onder een struik en doezelde door de loomte in. Toen ik wakker werd was het al avond. Er werd vrolijk gedanst. Ook de valse tortelduifjes dansten blij rond. Mijn vriend had met mij slechts een keer gedanst en dat was voordat we een koppel waren. Ik sloop voorzichtig tussen de dansers naar die twee huichelaars en liet een dikke scheet. Dat is dan weer een voordeel van hond zijn. Ik moest wel opletten dat niemand op mij trapte, ik had een donkere schutkleur. Bij die twee kwijlenden aangekomen ging ik tussen hen staan. Ik herkende de neppe lach, daar was ze goed in. De slijmjurk tilde me op en walste met mij verder in haar armen. Mijn gezicht draaide ik naar mijn vriend. Hij keek me vreemd aan. Kus me, alsjeblieft, kus me, maar hij danste vrolijk door. Net alsof mijn baasje me begreep, kuste zij mij en lachte met rossige wangetjes. Ik kreeg kotsneigingen. Ineens tilde ze me wat hoger op zodat ik op ooghoogte met mijn vriend was. Ze kuste mijn rug en zei iets. Zei ze, kus mijn hondje? Mijn vriend, die snoodaard met wie ik meer dan tien jaar samen was, staarde me dromerig aan. Hij aaide mijn kop. Begreep hij de situatie? Toen zag ik zijn verlovingsring aan zijn ringvinger. Ik draaide mijn kop om en zag dat die fleemkous ook een ring om had. Mijn aanhalige vriend kwam met zijn hoofd dicht bij mijn snuit. Hij leek me echt te willen kussen. Hij was zo euforisch over zijn nieuwe geliefde dat hij zelfs bereid was om een hondje te kussen. Ik draaide kribbig mijn kop weg. Nee, dit wilde ik niet, ik wilde niet meer gekust worden. Ik schreeuwde néééé! Als zij gelukkig waren was ik te veel. Ik rukte me los en sprong ondanks de vrij grote hoogte op de grond. Met tranen in mijn ogen rende ik schielijk naar een struik, waar ik me de rest van de avond verschool. 4. De volgende ochtend werd ik door de levensgezellen uitgelaten. We gingen naar de hondenwei, waar de Tibetaan bezig was een Afghaanse windhond te versieren. ‘He,’ zei hij, ‘je bent er nog. Is het mislukt? Ben je door zijn kus niet veranderd of heeft hij je niet willen kussen?’ ‘De gelukzalige deserteur wilde me wel kussen, maar ik wilde niet.’ De Tibetaan dacht na terwijl de Afghaan me stil en onbewogen aankeek. ‘Het hoeft niet meer. Het is zo goed,’ zei ik met een schorre stem. ‘Ik zal straks weglopen en een nieuw baasje zoeken.’ De Tibetaan knikte traag. ‘Ik snap je, schatje.’ Dit verhaal werd ingezonden voor de verhalenwedstrijd 'De boodschap'.. Ik ben het soort man dat het koffiedikbakje leegmaakt, telkens ik naar de composthoop ga, vol of niet, zodat ik binnen een paar uur niet nog eens moet lopen. Ik ben het type dat alle afval verzamelt voor ik naar de bakken ga, zodat ik geen twee keer moet gaan.
Ik probeer proactief te zijn in alles wat ik doe. Te voorzien wat er op mijn pad zal komen, zodat ik mijn leven zo efficiënt mogelijk in kan richten. Dat jij hetzelfde deed, zodat je je oude dag niet met een pietje precies hoeft te slijten, voorzag ik niet. Tussen eindeloze reeksen plantenbakken
ontwaakt grauwend de sabeltandtijger – hij is terug eens om het uur lebbert zijn ruwe tong waterig voedsel bestemd voor het groen – hij mag dat buiten loert in paniek een dozijn laboranten hun gerafelde jassen allesbehalve wit – zij dolen wederom faalt die verdoemde tijdspoort fluisteren ze druk over het nieuwe fiasco – zij mogen dat … en ik, meester der eeuwen, … sta solitair op de heuveltop overschouw het strijdtoneel – ik geniet als het briesende beest uitbreekt en weifelende wetenschappers verscheurt – ik mag dat Wie speelt met mijn goed – mag zich aan alles verwachten! Meer dan zuurstof pompt je masker
afstand, afwijzing, mijn afgang. Eeuwig onderweg in kilte. Jij in je vrieskist, ik in zelfmeelij, ons wentelend in het Weltall. Krols kronkelende slangetjes, brutaal knipogende lichtjes. Jij daartussen, onbeweeglijk. Vuistdik polycarb, graatmagere hoop, onze bruiloft lang vergeten. Een nieuwe start, zei je koeltjes voor de klep naar beneden ging, andere plek, andere lui. Op Spe vind je vast een meid die jou wil, ga er maar meteen van dromen. Excuses, mijn doornig roosje, niets dan groteske uitvluchten, de ruimtereis als ontsnapping. Vergeefse moeite, meer provocatie, koester je rust nu het nog kan. Herbeginnen, waarom ook niet, mijn wrede, onwillige bruid, al te graag doe ik met je mee. Ik zette de klok, ontwaakte tijdig voor een onverwacht samenzijn. Drilboor, slijpschijf en kettingzaag, sissend zuur en plasmasnijder, grof alaam van de thuisplaneet. Langzaam maar zeker nader ik je kern, smelten, buigen, knappen zal je. Gisteren zag ik een haarscheur in je weerbarstige deksel, de aanzet van een knisperbloem. Liefde ontkisten – kom je gauw warmen in mijn hongerende armen. Een jonge man, in de volle bloei van zijn jeugd, stuit op uiterst lange, ingewikkelde en obscure instructies voor het bouwen van een of ander apparaat. Hij raakt geboeid en vervolgens geobsedeerd door deze instructies en wijdt al zijn uren aan de bouw van dit gevaarte, waarvan de werking en het doel volledig onbekend zijn – maar die hij wanhopig graag wil ontdekken.
De jaren gaan voorbij terwijl hij worstelt om elke stap van de schijnbaar eindeloze instructies te begrijpen en moeizaam te volgen. Zo verdiept is hij in zijn taak dat hij zich helemaal niet bekommert om het verstrijken van de tijd. Hij is ervan overtuigd dat, zodra de machine voltooid is, al het werk en de tijd die hij erin heeft gestoken achteraf gerechtvaardigd zullen zijn en zijn leven de betekenis zal krijgen die het momenteel ontbeert. Soms, als beloning voor een dag hard werken, laat de man zijn verbeelding de vrije loop en verschijnen er voor zijn geestesoog allerlei wonderbaarlijke scenario’s: het apparaat blijkt een voertuig te zijn dat sneller dan het licht kan reizen, of het kan worden gebruikt om het hiernamaals te bezoeken, of toegang te krijgen tot parallelle universums, of een apparaat dat hem in staat stelt het verleden te veranderen, of hem onsterfelijkheid te verlenen, of zelfs een geest-in-een-fles die elke wens vervult. Misschien zou het zelfs een machine kunnen zijn waarmee hij fysiek en logisch onmogelijke werelden kan betreden, zoals een wereld waarin zwart wit is, 1 = 0, leugens waarheid zijn en leven dood is. Of, wat als dit inderdaad instructies zijn voor het bouwen van God? Af en toe wankelt zijn vastberadenheid even en wordt hij overmand door fundamentele twijfels over wat hij aan het doen is. Was hij altijd voorbestemd de instructies voor het apparaat te ontdekken, of was het puur toeval dat hij erop stuitte? Was het een zegen of een vloek voor hem ze te hebben gevonden? Bouwen anderen ook hun eigen machines of is hij de enige? Wat als hij, om de zinloosheid en leegte van zijn eigen bestaan niet onder ogen te hoeven zien, zichzelf slechts bezighoudt met betekenisloos werk dat nooit ergens toe zal leiden, of dat zal resulteren in de bouw van iets alledaags en onbetekenends? Andere keren vraagt hij zich af of de machine misschien gewoon een metaforische entiteit is, en hij slechts een personage in een allegorische parabel die via zijn handelingen tracht een essentiële diepe waarheid over het bestaan over te brengen, een waarheid waarvoor hij zelf helaas blind is en die hij niet kan begrijpen. In de loop der jaren worden zijn handen minder handig, verliest zijn gezichtsvermogen zijn scherpte, wordt zijn rug minder soepel, neemt zijn geest af. Taken die vroeger bijna geen lichamelijke of geestelijke inspanning vereisten, vragen nu zijn volledige aandacht en kracht, waardoor hij uitgeput achterblijft. En zo, na de lange en moeizame bouwperiode, is het laatste onderdeel klaar om op zijn plaats te worden gezet. Het enige wat nog gedaan moet worden is het vast te zetten met de laatste moer en bout en het apparaat zal compleet zijn. Terwijl hij dit doet, wordt de man gegrepen door de overweldigende aantrekkingskracht die lijkt uit te gaan van de voltooide constructie. Hij stelt zich voor dat hij haar nooit meer zal verlaten, zodat hij voor altijd kan staren naar haar adembenemende schoonheid. Dan realiseert hij zich dat hij nu de laatste momenten van zijn sterfelijk bestaan beleeft. Terwijl zijn zicht vervaagt, ziet hij dat de machine die hij zijn hele leven heeft gebouwd eruitziet als de ideale rustplaats, en dat er niets anders voor hem overblijft dan zich er voor de eeuwigheid in te plaatsen. Vertaling: Finn Audenaert Weetje Er bestaat een gefloten versie van het verhaal: https://elhurgador.blogspot.com/2014/09/un-cuento-silbado-silbo-gomero-textos.html En er is ook een krantenartikel over: https://bozlich.wordpress.com/2016/09/02/welcome-to-the-machine-el-diario-article-english-translation/ Herverteld door overleving en Miriam[M1]
De vroedvrouw keek neer op het kindje dat rustig in de wieg lag te slapen. ''t Arme wicht,' dacht ze. 'De zevende dochter. Wat daar van komt?' Voorlopig niets, zoals het leek. Het kind, dat de naam Martje had gekregen, zag er net zo mooi en gezond uit als haar zes oudere zusters. De vroedvrouw was in dit dorp geboren, getogen en zou hier, als het aan haar lag, sterven ook. Ze kende de regio en haar verhalen door en door. Een zevende dochter, die was anders. Aan de buitenkant zag je er misschien niets van, maar achter dat fijne gezichtje schuilde iets dat de duvel aantrok. En dat bracht nooit veel goeds. Ze stopte het kind voorzichtig in, streek het even over de blonde haartjes en verliet de woning. Ze was net zestig, het zou haar tijd wel duren. Het was op haar zevende verjaardag dat het meisje een pop kreeg. Een meisje van jute, met door Martjes moeder genaaide kleertjes. Martje was er zo blij mee dat ze de pop overal mee naar toe nam. Op een winderige najaarsdag zat Martje achter de heg met haar pop te spelen. Ze prikte stokjes in een paar afgevallen herfstbladeren en serveerde de 'koekjes' op een bord van boomschors. Hoe het precies gebeurde kon Martje later niet vertellen, maar op het moment dat ze de koekjes op het bord had gelegd greep een felle windvlaag de pop, die op een boomstronk op haar traktatie had zitten wachten, nam het jute meisje mee en gooide hem een paar meter verderop in de sloot. 'Mama!' riep Martje, maar noch haar moeder, noch één van haar zussen kwam op haar geroep af. Voorzichtig stapte Martje de wallenkant in, maar dadelijk gleed haar voet uit op het natte gras, en met een gilletje trok ze haar voet terug. Als ze zou proberen bij het water te komen zou ze zeker zelf in de sloot vallen. Beteuterd keer ze naar haar pop, die midden in de sloot dreef en langzaam water opzoog. Nog even en haar geliefde speelgoed zou zinken. 'Dat is nu ook wat.' Martje schrok op van de stem en keek van de pop naar de vrouw aan de andere kant van de sloot. 'U bent erg mooi,' zei ze met de oprechtheid van een tienjarige, de pop een seconde vergeten. 'Dank je,' antwoordde de vrouw met een glimlach. 'Ik heb nog nooit iemand met zulke zwarte haren gezien. En een glimmende jurk.' Het meisje wees naar de glanzende satijnen rok die onder de bruine, vilten mantel van de vrouw uit kwam. Toen schoot haar de pop weer te binnen. De vrouw volgde de ogen van het meisje, die nu strak op de zinkende pop gericht waren. 'Als ik de pop voor je uit de sloot haal, wat geef je mij daar dan voor terug?' Martje keek over haar schouder naar de 'koekjes', die wonderwel niet waren weggewaaid in de herfstwind. 'Nee,' schudde de vrouw haar hoofd, 'ik wil geen koekjes.' Martje keek om zich heen. Ze had geen ander bezit dan haar pop. En als ze die aan de vrouw moest geven, kon het jute meisje net zo goed in de sloot blijven liggen. Met een schouderophalen gaf ze aan dat ze het dan ook niet wist. 'Hmm,' bromde de vrouw en keek Martje over de sloot even aan. 'Misschien heb je nu niets dat je kunt geven, maar er komt vast wel een moment dat je mij van dienst kunt zijn. Laten we afspreken dat jij later, als je ouder bent, voor mij gaat werken. Een zevende dochter komt altijd van pas.' Met het kinderhart dat schreeuwde om haar pop en het kinderhoofd dat niet veel verder keek dan het bad op zondag knikte Martje. De vrouw knikte ook. 'Martje!' klonk het vanuit het huis. 'Eten!' Bij het horen van de stem van haar moeder wierp Martje een geërgerde blik over haar schouder. Toen ze weer om keek had de zwartharige vrouw de pop in haar handen, droog en schoon, alsof hij nooit in de sloot had gelegen. De vrouw wees naar de dam over de sloot en meisje en vrouw liepen elk aan hun eigen kant naar het punt waar Martje de pop aannam. Er ging even een koude rilling door haar lijf toen ze de hand van de vrouw aanraakte. Toen draaide ze zich om en rende snel naar huis voor het eten. Die avond was Martje het hele voorval vergeten, alsof haar pop nooit in de sloot had gelegen. Toen Martje op de dag na haar zeventiende verjaardag naar bed ging was ze zo moe, dat haar ogen dichtvielen nog voordat haar hoofd het kussen raakte. Ze werd geplaagd door een vreemde droom, waarin ze gedreven door een onzichtbare kracht diep in haar binnenste uit bed stapte. Haar hele lichaam trok en tintelde, en terwijl ze op blote voeten en in haar nachthemd door het raam naar buiten klom stootte ze haar hoofd tegen het kozijn, alsof ze zeker een halve meter langer was geworden. Ze keek naar haar handen aan armen die niet leken te doen wat ze wilde, handen met gekromde vingers en lange, gele nagels. Vettige strengen asgrauw haar dansten voor haar ogen terwijl ze over de dorpsstraat naar het huis van de bakker sjokte, waar ze door het gesloten raam stapte. Slechts een kiertje tussen het kozijn en het raam had ze nodig, toen stond ze binnen. Met haar lange, onhandige lijf klom ze op het bed en vervolgens op de borst van de man. Ze kneep met haar handen zijn keel dicht, net genoeg om hem piepend te laten happen naar lucht, maar niet te laten stikken. De man worstelde onder haar gewicht, maar werd niet wakker. Na een paar minuten liet Martje los, sprong van het bed, maakte een wilde rondedans door de kamer en verdween door het raam naar buiten. In haar eigen bed schrok ze de volgende ochtend wakker. Wat een eigenaardige droom! Hij leek zo echt dat ze naar haar handen keek en voelde onder het laken of haar knieën niet zo knokig waren als in de afgelopen nacht. Tot haar opluchting was alles zoals het moest zijn, en ze schudde de droom van zich af. Tijdens haar dagelijkse taken werd de droom naar de achtergrond gedrukt, maar toen ze die avond in bed kroop zegde ze een kort gebed op met de vraag of ze alsjeblieft niet weer van die rare dromen mocht krijgen. Toch stond ze die nacht weer in de slaapkamer van de bakker, en klom ze op zijn borst. Nacht na nacht rekte haar lichaam zich uit naar de gedaante van een slungelig, wasbleek wijf, danste ze haar onzichtbare dans over straat naar het huis van de bakker waar ze hem teisterde in zijn slaap, om vervolgens als Martje in haar eigen bed wakker te worden. Toen brak de dag aan dat Martje naar de bakker gestuurd werd. Hoewel ze wist dat het maar dromen waren, durfde ze de man niet onder de ogen te komen en deed er alles aan om onder de taak uit te komen. Haar moeder keek haar een moment aan, duwde haar de mand in handen en met een onverbiddelijk 'gaan!' werd ze op pad gestuurd. Met tegenzin stapte ze over de drempel van het winkeltje, de blik gericht op haar voeten. Pas toen ze een vrouwenstem vragend 'ja? Hoorde zeggen durfde Martje op te kijken. Achter haar rinkelde het belletje door de volgende klant die binnen kwam, en voordat Martje kon zeggen wat ze nodig had zei een heldere vrouwenstem: 'Is uw man er niet, vrouw bakker?' Martje draaide zich om naar de stem. Daar stond een vrouw met glanzend zwarte haren, los over de schouders zoals het een fatsoenlijke vrouw eigenlijk niet betaamd. Maar wat Martjes aandacht vooral trok was de prachtige satijnen rok, die onder de bruine, vilten mantel uit kwam. Geen spoortje vuil, zag Martje, hoewel de zoom tot aan de grond reikte. Alsof de vrouw net uit een koets was gestapt in plaats van over de modderige straat te hebben gelopen. Voor de deur van de bakkerij stond echter geen koets. 'Ach,' zuchtte de bakkersvrouw, en trok Martje daarmee uit haar gedachten. 'Hij slaapt zo slecht, weet u. Iedere nacht wordt hij geplaagd door nare dromen. Een wijf dat zomaar in de slaapkamer staat, zonder een geluid te maken door de kamer danst en op zijn borst zit zodat het hem haast te benauwd wordt. Geen goede nachtrust heeft hij gehad sinds het moment dat dit hellewicht voor het eerst in zijn slaapkamer opdook.' Het voelde alsof de grond onder Martjes voeten wegviel. 'Hmm,' bromde de vrouw. Ze knipoogde even naar Martje. Die staarde de vrouw nog steeds aan, terwijl ergens in haar geheugen een belletje ging rinkelen. Het klonk als een stemmetje dat vertelde over een mooie vrouw, een zevende zuster en een wederdienst voor het redden van een pop. De vrouw kwam haar zo bekend voor... En grijnsde ze nu even bij de woorden van de bakkersvrouw? 'Misschien dat een slecht geweten hem plaagt?' zei de vrouw. De bakkersvrouw schudde haar hoofd. 'Het is een nachtmaar. De vroedvrouw heeft het gezegd.' De ogen van de zwartharige vrouw knepen even samen. 'En wat denkt u daar aan te doen, vrouw bakker?' Maar de bakkersvrouw schudde haar hoofd. 'De vroedvrouw heeft gezegd dat we meel rond het bed moeten strooien, maar mijn man wil er niet aan. Hij noemt het onzin.' De zwartharige vrouw knikte instemmend. 'Onzin, ja.' 'Maar waar kan ik u mee helpen,' veranderde de bakkersvrouw snel van onderwerp, Martje aansprekend. Martje wist even niet waar ze het zoeken moest. 'Eh...' Ze keek van de vrouw achter zich naar de vrouw achter de toonbank, draaide zich om en rende de deur uit. Angstig stapte ze die avond haar bed in maar viel ondanks zichzelf toch in slaap. Ze danste over straat, kroop door een kier de slaapkamer binnen en bleef toen geschrokken op de vensterbank zitten. Door de hele slaapkamer was meel gestrooid, en ook op het laken waaronder de bakker sliep lag een wit waas. Martje bleef stil zitten. Over meel lopen betekende dat ze voetsporen achter zou laten, en het witte spul zou aan haar voeten blijven kleven zodat ze haar voetstappen naar huis konden volgen. En hoe graag Martje ook van deze vreselijke vloek af wilde, ze wilde niet dat ook maar iemand wist dat zij die 'nachtmaar' was die de bakker iedere avond teisterde in zijn slaap. Ze schaamde zich zo! Ze kroop door de kier weer naar buiten en de straat op. Rusteloos rende ze door de straten op zoek naar een nieuw slachtoffer. Ze moest en zou iemand plagen vannacht. De onrust in haar lijf was gewoon te sterk. Zo kwam het dat ze langs een boerderij snelde, waar een paard op stal snoof en stampte, toen hij haar aanwezigheid voelde. Martje ging de stal binnen, liep naar het paard en vlechtte de manen tot een kunstige tres, die ze vervolgens gebruikte om op zijn rug te klimmen. De hele nacht reed ze op het paard, gaf het de sporen om harder en verder te lopen ook al was het dier duidelijk moe, tot de zon aan de einder verscheen. Ze liet het paard uitgeput en zwetend achter in de stal, snelde naar huis en sliep tot de zon helemaal boven de horizon stond. Zo ging het dag na dag, week na week, jaar na jaar. Werd ze geweerd met door de stal of slaapkamer gestrooid meel, dan ging ze naar het volgende huis, tot iedereen in het dorp op de hoogte was van de rondwarende nachtmaar. En ze snelde naar een naburig dorp om daar haar nachtelijke plagerijen voort te zetten. 'Vrouw die haar ziel aan de duvel verkocht heeft', 'nachtmerrie' en 'hellewicht' zeiden de mensen, en keken met een schuin oog naar Martje. Want inmiddels was het verhaal van de vroedvrouw het hele dorp door gegaan. En in dat verhaal kwamen de woorden 'zevende dochter' een aantal keer voor. Zelf inmiddels aardig op leeftijd woonde Martje in een klein huisje, nooit getrouwd en alle vrijers op afstand houdend uit angst dat ze haar geheim zouden ontdekken. Iedere avond legde ze haar hoofd op het kussen in de wetenschap dat ze de hele nacht op pad zou zijn. Tot de nacht kwam dat ze in slaap viel, en pas de volgende ochtend wakker werd zonder de herinnering aan nachtelijke omzwervingen. Moeizaam stond ze op en liep naar de keuken, waar ze aan haar ontbijt opschrok door gebons op de deur. Het was de buurvrouw die vertelde dat ze dadelijk naar het huis van één van haar zusters moest komen. Ze was in de ochtend door haar man op bed gevonden, dood. Pas toen vielen de puzzelstukken op zijn plaats. 'Niet meer de zevende zuster,' zei Martje, en de buurvrouw keek haar bevreemd aan, toen ze glimlachte. Snel hervond Martje zich en liep naar het huis van haar zuster. Voor de deur stond de zwartharige vrouw, net zo jong en fris als op de dag dat ze Martjes pop uit de sloot had gehaald. Haar ogen zochten die van Martje, maar deze liep haar zonder haar een blik waardig te gunnen voorbij. 'Zoek maar iemand anders, ik heb mijn schuld meer dan ingelost,' zei ze over haar schouder en zag nog net hoe de vrouw haar schouders ophaalde en zich omdraaide om weg te lopen, voordat ze zelf het huisje binnen ging. En zo kwam het dat de streek van de ene op de andere dag verlost was van de nachtmaar. Maar eenieder die je in de streek vraagt zal je vertellen dat, zolang er zevende dochters geboren worden, er bij ieder huis een kom meel in de kast heeft staat. [M1]Groninger Volksverhalen, voor 't merendeel verzameld door E.J. Onnekes – Huizenga bewerkt door K. ter Laan, J.B. Wolters, Groningen, Batavia, 1930, pagina 33 e.v. ‘Ah daar ben je, kom dichterbij.’ Generaal Ivanov van het Roestbergse leger wenkte Pjotr.
Pjotr liep naar voren, verder de groene legertent in. Hij zag ertegenop om midden in het conflict tussen de koninkrijken Roestbergen en Frankenheuvel terecht te komen. Maar ja, als boodschapper ontkwam hij daar niet aan. De generaal hield zijn handen gespreid voor zich op tafel, een landkaart onder hem. Ivanov knikte hem even toe. Daarna haalde hij een envelop uit de binnenzak van zijn uniform, die hij Pjotr overhandigde. ‘Ik heb een opdracht voor je. Enkele uren geleden is een van mijn onderofficieren omgekomen op het slagveld. Spijtig, natuurlijk, maar we gaan zijn dood in ons voordeel gebruiken. In de envelop die je vast hebt, zitten gedetailleerde plannen voor een aanval met een draak.’ Pjotr fronste. ‘Maar … draken bestaan niet.’ ‘Dat weet ik, maar we gaan het leger van Frankenheuvel laten geloven dat we de ijsdraak hebben getemd. Alles is zo geloofwaardig mogelijk en tot in de details uitgewerkt.’ Ah ja, de draak in het veel bevochten berggrensgebied tussen Roestbergen en Frankenheuvel. Er gingen de wildste verhalen rond over het bestaan ervan, maar iedereen – aan beide kanten – beschouwde die als sprookjes. ‘Jij haast je naar het lichaam,’ zei de generaal, ‘en plant de envelop op mijn officier. We willen dat hij door de vijand gevonden wordt, want zo komen ze ook achter onze zogenaamde plannen. We hopen ze af te schrikken of te imponeren. Intussen kunnen wij nadenken over onze volgende zet.’ Pjotr slikte. De zenuwen gierden door zijn lichaam. Dit was wel even iets anders dan de opdrachten die hij normaal gesproken aannam. ‘Zorg dat je niet betrapt wordt tijdens je missie. Het gerucht verspreiden, daarentegen, werkt alleen maar in ons voordeel. Vertel het mensen. Je hebt het uit eerste hand, enzovoorts. Maar pas wel op met wie je in vertrouwen neemt.’ De generaal stak een wijsvinger in de lucht. Pjotr knikte. Hij kon niet anders dan accepteren. Weigeren durfde hij niet tegenover de imposante figuur voor hem. Hij boog zich met de generaal over de kaart en kreeg instructies over waar hij precies heen moest. # Pjotr had het lichaam zo gevonden. Het lag in een dorp aan de voet van de berg. Daar, in het avondlicht, lag het levenloze lichaam van de officier, de ogen nog open. De man lag op een bevroren keienpad dat zich door het dorp heen slingerde. Opnieuw voelde Pjotr een spanning in zijn buik. Zijn adem kwam in witte wolkjes uit zijn mond. Er ging een rilling door hem heen. Hij haastte zich naar het lichaam, intussen goed om zich heen kijkend. Zijn hart maakte een sprongetje toen hij beweging zag achter een nabijgelegen struik. Hij keek nogmaals: niets. Het zal een dier geweest zijn. Pjotr bukte zich. Met zijn bezwete vingers pakte hij de envelop uit zijn zak, die hij vervolgens in een van de uniformzakken van de gevallen officier stak. Missie geslaagd. Hij kwam overeind. ‘Hallo daar, vreemdeling!’ Er ging een schok door Pjotr heen. O nee! Met een ruk draaide hij zich om. Tegenover hem, in de bosjes, stond een man met een viezige witte baard. Hij liep naar Pjotr toe. Het haar van de man zat in de war. Hij had ook een rode drankneus en een verdwaasde blik in zijn ogen. ‘Ach ja, oorlogen,’ zei de man. ‘Daar kan Igor je genoeg over vertellen. Hm-hm, ja. Ik heb zelf ook gediend in de eerste oorlog. Ik loop er nog steeds mank van. Zie je, we werden in de val gelokt …’ Pjotr pakte Igor bij zijn schouders. ‘Wat heb je gezien?’ Hij ging onverstoorbaar door. ‘… en ja, toen waren we ineens omsingeld. En toen, au! Tja, zo’n bajonet komt hard aan.’ Hij wees naar zijn heup. Pjotr schudde de man door elkaar. ‘Vertel op! Wat heb je gezien?’ ‘Heb je het verhaal van de ijsdraak gehoord? Ah ja, hm-hm. Het is ‘n mooi verhaal, maar ik denk niet dat het waar is. Heb weleens iets zien vliegen, maar ja, ik zie ze wel vaker vliegen, haha.’ De dwaas schudde zijn hoofd. Toen brak er een glimlach door op zijn gezicht. Er verscheen een twinkeling in zijn ogen. ‘Mooi weertje vandaag, niet? Ja, hm-hm. Beetje koud wel.’ Fronsend liet Pjotr de man los. Hij draaide zich om en wreef over zijn kin. Wat te doen? Kon hij er echt op vertrouwen dat de dwaas niets had gezien? En zo ja: hoe erg was dat? Mensen namen dwazen nu eenmaal niet serieus. ‘Ik heb je gezien, hm-hm, jaja.’ De stem van de man doorkliefde de winterse avond. De haartjes op Pjotrs armen en nek gingen overeind staan. Verdomme! Pjotr draaide zich om en greep hem opnieuw bij zijn schouders. ‘Luister, Igor. Het is heel belangrijk dat je niemand vertelt wat je mij hebt zien doen, akkoord? Dit is ons geheimpje. Vooral de Frankenheuvelers mogen er niet achterkomen. Je staat aan onze kant, toch?’ ‘Onze kant? Nou, hm, ik sta niet aan een kant. Niet meer. Igor praat met iedereen.’ De man glimlachte, waarbij hij een gebit blootlegde met bruine, rotte tanden. In zijn ondergebit ontbraken er twee. ‘Ik wil best zwijgen, jaja, maar daar moet wel iets tegenover staan, natuurlijk.’ Pjotr slaakte een diepe zucht. ‘Wat zou dat moeten zijn?’ Igor greep in zijn voddige kleding en haalde daar een verfrommelde envelop uit tevoorschijn. Hij zwaaide ermee in Pjotrs gezicht. Er kwam een smerige walm van het papier af. ‘Bezorg deze brief aan Svetlana in herberg De Bulkige Balalaika. Ik mag daar zelf niet meer komen.’ De oude man wees verder de berg op. Er begon een pad dat verder naar boven leidde. Pjotr zag inderdaad de contouren van iets wat een herberg zou kunnen zijn. ‘Svetlana is de liefde van mijn leven, ze weet het zelf alleen nog niet. Bezorg deze brief en doe een goed woordje voor me, jaja, hm-hm. Als dat je lukt, dan mondje dicht.’ Pjotr fronste en nam de brief aan. ‘Vooruit.’ Het enige voordeel van deze onverwachte zijmissie was dat hij in de herberg wellicht het gerucht kon verspreiden. Pjotr priemde met zijn vinger in de borst van de man. ‘Maar tot die tijd geen woord, tegen niemand!’ ‘Natuurlijk, ja, hm-hm.’ Pjotr gromde. Zonder nog iets te zeggen nam hij het pad hoger de bergen in. # Pjotr stapte stevig door. Het pad liep langs begroeiing. Hij schrok toen hij plotseling een dier langs zich heen zag schieten, de struiken in. Geen tijd om stil te staan. Hij moest ervoor zorgen dat Igor zijn mond zou houden. Hij had de herberg gevonden en opende de houten deur. Toen hij naar binnen stapte voelde hij de aangename warmte van de open haard. Aan een stel tafeltjes aan de rechterkant van de herberg zaten soldaten. Aan de kledij te zien waren het Frankenheuvelers. Pjotr bleef even verbaasd staan, zijn missie spontaan vergeten. De mannen keken kort naar hem om, maar daar bleef het bij. Bijzonder. ‘Welkom in De Bulkige Balalaika!’ zei een vrouwenstem. Pjotr knipperde met zijn ogen. De stem kwam vanachter de toog, daar stond een volslanke vrouw in een katoenen jurk. Ze schonk hem een brede glimlach. Zou dit haar zijn? Pjotr kwam dichterbij. ‘Svetlana?’ De vrouw fronste en knikte langzaam. Ze slaakte een diepe zucht toen Pjotr de envelop tevoorschijn haalde. ‘Ik heb een boodschap voor je.’ Svetlana rukte de envelop uit zijn hand, rook er even aan. Ze schudde spottend met haar hoofd. ‘Die geur herken ik uit duizenden.’ Ze zette kracht en scheurde de brief aan stukken. Ze gaf de snippers vervolgens aan Pjotr. ‘Hier, hopelijk is deze boodschap een beetje duidelijk.’ Pjotr staarde verbaasd naar de aan stukken gescheurde brief. ‘Heeft Igor weer eens iemand voor zijn trojka gespannen? Het is niet te geloven.’ Svetlana schudde haar hoofd. ‘Die man. Echt …’ Ze tapte een biertje en zette het glas voor Pjotr neer. ‘Hier,’ zei ze, ‘dan ben je niet helemaal voor niks gekomen.’ Ze knipoogde. Was dit een goed idee? Eigenlijk moest hij verder. Maar dit is wel een uitgelezen kans om over de draak te beginnen. Waar de vijand bij zit. Pjotr nam plaats aan de bar en nam een slok uit het glas. Zijn oog viel nogmaals op de groep soldaten. Hij hoorde ze luid met elkaar praten in een dik Frankenheuvels accent. ‘De tegenstander komt hier?’ Ze haalde haar schouders op. ‘Ik doe niet aan de oorlog hier. Iedereen is welkom.’ Pjotr keek van de soldaten naar Svetlana en vervolgens naar zijn glas. Toen kwam het besef: dit was het moment. Het kon niet mooier. Pjotr verhief expres zijn stem. ‘Ik … ik heb uit eerste hand vernomen dat het leger van Roestbergen de ijsdraak heeft getemd.’ Meteen viel er een stilte. Enkele soldaten draaiden zich naar hem om en trokken hun wenkbrauwen op. Een van hen produceerde een ‘pff’ en vestigde zijn aandacht weer op zijn drankje. De rest volgde zijn voorbeeld. Svetlana maakte een spottend geluid. ‘Uit eerste hand? Die smerige klauw van Igor, zeker?’ Ze schudde nogmaals haar hoofd. ‘Die verzint ook echt van alles om indruk te maken!’ Pjotr nam een slok van zijn bier en dacht na. ‘Ik weet het goed gemaakt.’ Svetlana grijnsde. ‘Bezorg me een drakenei! Geef dat maar aan Igor door. Als hij hier voor me staat, met een drakenei, dan zal ik hem een kans geven.’ Pjotr knikte en stond op. Het laatste restje bier liet hij voor wat het was. Er was geen tijd te verliezen en dit was toch een verloren zaak. Een drakenei vinden ging nooit en te nimmer lukken. Hij nam afscheid en verliet de herberg. # Pjotr versnelde zijn pas tot hij bijna rende. Hij stopte toen er plotseling een beest tegen een van zijn lederen laarzen stootte. Het dier wendde zich af, maar bleef stilstaan, keek achterom. Pjotr staarde in een zwart kraaloogje in een schubbige spitse kop. En hij zag nog iets: verspreid over het reptielachtige lichaam zaten blauwe glimmende ijskristalletjes. Ook had dit reptiel twee kleine, nog onderontwikkelde vleugeltjes. Pjotrs ogen werden groot. Zou het dan toch? Dit was nog veel beter dan een ei, dit was het levende bewijs van het bestaan van een jonge ijsdraak. Hiermee kon hij het zwijgen van Igor wel kopen. Nee, ik moet dit beestje vangen en direct naar Ivanov brengen! Hij zag de blik in de ogen van de generaal al voor zich. Maar … zijn oorspronkelijke missie dan? Die moest hij ook niet uit het oog verliezen. En toch: dit draakje kon alles veranderen. Hij had zijn besluit al genomen: hij moest het jong te pakken krijgen. Pjotr rende achter het beestje aan, dat de weg naar boven inzette. Hij ging hoger en hoger de bergen in. De lucht werd ijler en Pjotrs hoofd voelde met iedere stap lichter aan. Uiteindelijk dook het draakje weg in een stel besneeuwde struiken. Pjotr aarzelde geen moment en dook erachteraan. Hij worstelde zich door de struiken en achtervolgde het dier. Na wat worstelingen kwam hij, vol schrammen en blauwe plekken, uit bij een open plek. Pjotr zag de draak nog net een enorme grotopening in schieten. Hij rende ernaartoe en bleef in de opening stilstaan. Het zwarte gat torende imposant boven hem uit. Dus dit is hoe een drakennest eruitziet. Hij zette voorzichtig een stap naar binnen. Het was aardedonker. Vlak bij zijn oor klonk een luid gegrom, het was een diepe keelklank die nog het meeste weghad van het geluid van een sneeuwstorm. Er kwam hem een vrieskoude luchtstroom tegemoet, die hem kippenvel bezorgde. In de duisternis zag hij twee blauwe ogen verschijnen die op hem neerkeken. En nog iets anders: er ging iets open. Pjotr zag een witte wolk verschijnen en daar binnenin een blauwe bol die groter en groter werd. In het blauwe licht zag hij een opengesperde kaak met puntige tanden. Wegwezen hier! Hij stapte naar buiten en wierp zich opzij. Hij voelde hoe een stoot koude lucht langs hem heen ging. Zijn hart klopte in zijn keel. Pjotr stond op en werkte zich weer door de struiken heen. Het zweet stond op zijn voorhoofd. Achter zich hoorde hij de volwassen draak dreigend brullen. Toen hij omkeek, zag hij echter dat hij niet werd achtervolgd. Gelukkig. Met meer schrammen dan op de heenweg vond hij zijn weg weer terug naar het pad. # Het lichaam van de officier was verdwenen en ook Igor was nergens meer te bekennen. Pjotr kreeg een knoop in zijn maag. Hij voelde de onzekerheid. Was het plan gelukt? Of had Igor toch zijn mond voorbij gepraat? Hij had geen idee. Met hangende schouders liep hij terug naar de tent van generaal Ivanov, onderweg zijn boodschap oefenend. Toen hij de legertent naderde, zag hij enkel het doek wapperen in de ijzige wind. Er was niemand. Pjotr liep door de tent heen, naar het veld aan de andere kant. Toen zag hij ze, de lichamen van de gevallen soldaten, Roestbergers. In paniek liep hij langs de dode en zwaargewonde lichamen. Hier en daar kreunden soldaten met hun laatste krachten. Pjotr hoorde een enkeling gebeden prevelen. De een zag er nog ernstiger toegetakeld uit dan de andere. Hij liep langs een man wiens ingewanden uit zijn buik hingen. Zijn maag draaide zich om. Hij vond generaal Ivanov leunend tegen een boom. De man had een diepe wond in zijn buik. Hij kreunde toen hij Pjotr zag naderen. ‘Boodschapper …’ De man hoestte bloed op, terwijl hij een vuist balde. De tranen sprongen Pjotr in de ogen. Hij knielde en legde een hand op de arm van generaal Ivanov. ‘Het spijt me. Ik werd betrapt. En onder druk gezet. Maar …’ Hij richtte zijn blik op het bloed in de sneeuw, bang om de generaal onder ogen te komen. ‘… er is ook goed nieuws. De ijsdraak bestaat echt! Het was niet helemaal voor niets. Ik heb nog geprobeerd om een jong te vangen, maar–’ Wie houd ik eigenlijk voor de gek? Pjotr werd bevangen door een schuldgevoel. Als hij niet achter het beest aan was gerend, had hij Ivanov misschien nog op tijd kunnen waarschuwen. De generaal barstte los in een hoestbui, waarbij hij wederom veel bloed verloor. De man fronste. ‘Bespaar me … je … laffe smoesjes … en laat me … in vrede … sterven.’ Hij wendde zijn hoofd af en zakte daarna opzij. ‘Nee!’ Pjotr pakte het slap geworden lichaam bij de schouders beet. De tranen stroomden Pjotr over de wangen. ‘Nee, nee, nee!’ Hij slaakte een zucht en liet zich naast het lichaam van Ivanov zakken. Verslagen gooide hij zijn achterhoofd tegen de stam van de boom. Hij sloot zijn ogen. Frankenheuvel had opnieuw de slag gewonnen en Igor, die vuile rat, liep nu nog steeds ergens rond. En de ijsdraak bestond echt, maar niemand, helemaal niemand, zou hem ooit geloven. Dit verhaal werd ingezonden voor de verhalenwedstrijd 'De boodschap'. De man in de spiegel kijkt hem aan, hij voelt zich plots voornaam, een heer in een kasteel, zo zijn er - dezer dagen - niet meer zo veel. De man lacht, gevoelig voor pracht en macht als hij zich bedenkt dat het maar zelden is dat de natuur iemand, gedreven door een heilig vuur, zoveel wijsheid schenkt. Hij wuift naar het beeld, dat wankelt op een sokkel, naast hem een beeltenis van een prachtig mokkel. Het hangt, hoog tegen de muur en roept: dat is mijn plek, niet hier beneden, in de drek, maar daarboven sta ik, op den duur.
O, liefhebbende ziel, mijn eigen zo tedere,
Mijn levensgezel en gast in mijn lichaam, Naar welke nieuwe rijken, arme fladderende, zult gij vliegen? Somber, ontbloot en koud in uw eenzame zoektocht, Uw zoete fantasieën verstomd, uw gebruikelijke grappen verstild. Hadrianus De Stem wees naar het kleine lichtje, ver weg in de totale duisternis, als een ster, en zei: ‘Ga.’ De kleine ziel verliet de draaikolk waar duizenden en miljoenen andere zielen verstrikt raakten en weer loskwamen en van kleur veranderden, onzichtbaar in de duisternis, zichzelf verliezend in geluidloze kreten, en zich verenigden en weer scheidden als amoeben. Ze vloog naar de verre zon. Een windvlaag vulde de longen van de pasgeborene met een ondraaglijke pijn die uitbarstte in een kreet. De moeder, die dezelfde kwelling had doorstaan, huilde van oneindige vreugde toen ze haar kind in haar armen hield. Er was zoveel licht, zoveel lawaai, zoveel lucht, zoveel leven. Het kind stierf twee dagen later. # De kleine ziel keerde terug naar de draaikolk. Dagen, jaren of millennia later wees de Stem naar de verre gloed en beval: ‘Ga.’ De jongen was amper een jaar oud. Het water van de beek riep hem, speels, helder en glanzend. Van onderaf, op de bodem, keek hij nieuwsgierig naar de zon die daarboven vervormd speelde. Toen ademde hij in en de zon vervaagde in stuiptrekkingen en nacht. # Opnieuw, in de draaikolk en in een tijd die net zo goed achteruit had kunnen lopen, wees de Stem naar de verre flits en fluisterde: ‘Ga.’ Het kleine meisje dacht dat haar vader zijn handen naar de voorruit stak om te spelen, en ze lachte en probeerde in zijn handen te klappen. De enorme vrachtwagen, die uit koers was geraakt, wisselde van rijstrook. Het kleine meisje begreep de explosie niet, noch het bloed, noch de scherpe randen van het vervormde metaal. Voordat ze pijn voelde, was alles uitgeschakeld. # Opnieuw keerde de kleine ziel terug naar de draaikolk. De eeuwigheid duurde een seconde en de Stem zei: ‘Ga.’ De soldaten hadden het dorp zes dagen geleden aangevallen. Niemand had het overleefd, behalve het kind dat aanvankelijk naast het lijk van zijn moeder op de droge aarden vloer was achtergelaten. Toen kwam de slaap, daarna de honger en later de dorst. Slapen leek een spel; honger bracht huilen en dorst dreef hem uiteindelijk de schaduwen in. # Zodra de kleine ziel terugkeerde, zei de Stem: ‘Ga.’ ‘Is het nodig?’ durfde hij te vragen. Nooit had een kleine ziel tegen de Stem gesproken. Als vierjarige was ze wantrouwig tegenover de man die bij haar moeder woonde. Waarom lag hij naakt bij haar in bed? De pijn was verschrikkelijk. Het einde was een balsem. # ‘Ga.’ ‘Alsjeblieft …’ De Stem was niet boos. Teder drong ze aan: ‘Ga.’ Hij dacht dat hij begreep dat hij iets verkeerds had gedaan, hoewel hij niet kon bedenken wat. De schreeuwen van mama maakten het er niet duidelijker op. De dood trof hem en nam hem mee, vermomd als een metalen gesp aan het uiteinde van een leren riem. # ‘Ga.’ ‘Nee.’ Een oneindigheid, een ogenblik later, sprak de kleine ziel, zich richtend tot een ander zoals zij, in de draaikolk en de duisternis; en wijzend naar de kleine verre gloed, beval ze: ‘Ga.’ Ze keek toe hoe de bries het licht in vloog. Zich bewust van het lot van de gezant, was de kleine ziel geraakt, met oneindige pijn. En ze huilde. Vertaling: Finn Audenaert Een verhaal over Zacharia Noble Proloog Gent, 1910. Te midden van een open vlakte bevindt zich een kolos van een boom, omringd door een dorre vlakte. Zijn vervormde massieve takken, die als een monsterlijke octopus uit de dieptes van de oceaan naar zijn prooi grijpt, strekken zich uit om bij een zonnige dag zijn dreigende schaduw te werpen over de dode vlakte. Men kon zich niet herinneren wanneer dit gevaarte nog bladeren aan zijn takken had laten groeien, laat staan dat er nog énige vorm van fauna en flora had gefloreerd in de laatste vijftig jaar. Het mos op de stam gaf de indruk dat zijn origine uit de diepste krochten van de hel kwam en dit gevaarte straalde dit dan ook uit. Twee dagen geleden was een nieuw slachtoffer opgedoken, het ongelukkige individu was namelijk opgeknoopt aan een der hoogste takken van de boom in kwestie. De familie Forét die het land had geërfd van hun aangetrouwde familie had plannen met de vlakte, maar deze ‘dood’ bracht vragen, angsten en vooral geroddel over een vloek met zich mee. I Zuidstation, drie dagen later. De stoomtrein eindigde zijn lange reis op het perron met zijn gekende fluittoon, vergezeld van immense wolken rook. Druppelsgewijs liep de trein leeg, zijn nieuwsgierige passagiers waren vol ongeduld om Gent te verkennen. Een van de laatste personen die met een zelfzekere houding uit de trein stapte, viel meteen op in de massa. Een struise grote gestalte in zwart maatpak, bijbehorende slipjas en ravenzwarte bolhoed wandelde zelfbewust in de drukte. Zijn ogen waren verdoken in de schaduw van zijn bolhoed, terwijl zijn massieve zwarte krulsnor als een trots kunstwerk op zijn gelaat prijkte. Van tussen zijn massieve handen haalde hij een telegram tevoorschijn. ‘Cher Monsieur Noble.STOP U bent nodig in Ledeberg.STOP Verdere info volgt ter plekke.STOP Maandag elf uur.STOP Hij raadpleegde de tijd op zijn zakhorloge en stak het opnieuw in zijn ondervest, waarbij zijn robuuste buik was te merken door het kledingstuk. Hij hield een paardentaxi aan door middel van zijn opmerkelijke wandelstok, bestaande uit een gouden octopus die zich op een stevige stok bevond en eindigde op een gouden kogelhuls. Hij nam plaats in de paardentaxi en gaf instructies aan de koetsier om naar het opgegeven adres in Ledeberg te rijden. Op zijn tocht door de stad Gent zag hij het bekende pand van Oud Gend dat zijn reputatie waardig was, de Vlaanderenstraat, een trots gedeelte van de stad, en meerdere andere prachten die deze stad had te bieden. Een hele tijd later arriveerde hij op zijn eindbestemming, waarna de koetsier in allerijl vertrok. Noble had hem blijkbaar hardhandig aangepakt omdat hij de zweep niet spaarde op het paard. Zacharia Noble wandelde met weloverwogen stappen het domein op, richting de kolos. Hij herschikte zijn bolhoed, waardoor zijn helderblauwe ogen te voorschijn kwamen in de snikhete zon die zich achter de monsterlijke boom bevond. De takken hingen als armen dreigend over Zacharia, maar slaagden er niet in om hem rillingen te bezorgen. Het lijk dat twee dagen geleden was gevonden door de veldwachters van Ledeberg, had de angst voor God in ieders harten gejaagd. Het kon onmogelijk zelfmoord zijn, omwille van de hoogte. Wilde verhalen deden de ronde over de Helleboom of de boom van de Duivel. De plaatselijke pastoor had al verscheidene preken omtrent de boom gegeven en was op een nacht waanzinnig geworden. Gelukkig vreesde Zacharia niks, hij had namelijk al teveel in zijn leven - waar hij trouwens nooit over sprak - gezien. Hij deed enkele stappen verder op de dorre aarde tot dichtbij de kolos, want iets had zijn aandacht getrokken. Op de stam zag hij een verse kerfsnede, deze bevond zich naast ettelijke inkervingen die aangaven dat ze door de jaren heen waren aangebracht. 'Dit is een opsomming', hij aaide de inkerving waarop hij merkte dat de stam ijskoud was. Plotseling hoorde hij enkele hoefslagen in de verte die al snel naderden, maar hij keek niet op. “Monsieur Noble? Zacharia Noble?”, klonk het plots achter hem. “Ja”, zei hij zonder zich om te draaien naar de persoon. “Is het mogelijk om ons aan te kijken als we tegen u spreken? S'il vous plait?” Met een diepe zucht draaide hij zich om, waarbij het duo even kort achteruitdeinsde. De man was uitgedost in een bleekbruin maatpak en een rieten hoed. Zijn lang gelaat, grote neus en ingevallen ogen gaven Noble geen positieve indruk . Zijn vrouwelijke partner was voorzien van een wit kleed en een gigantische hoed, waar heel veel bloemen op prijkten en waaronder haar ronde gelaat, klein neusje en donkere ogen waren verscholen. “Merci, ik ben…” “Ik weet wie jij bent. Je bent Rémi Forét en dit is je vrouw Maria Forét. Jullie hebben me ingehuurd”, zei Noble op een zware en gezaghebbende toon. Rémi slikte even bij de imposante verschijning van Zacharia, maar zijn vrouw was onder de indruk op een andere manier. “Ik moet zeggen, monsieur Noble, dat u er helemaal niet uitziet als een detective. Brede schouders, massieve handen en een overweldigende houding. De meeste detectives zijn zo...”, maar ze slaagde er niet in om het juiste woord te vinden. “Meticuleus?”, vroeg Rémi angstvallig. “Ik doe mijn best”, zei Zacharia terwijl hij boven hen uitstak met zijn gestalte. Maria bood haar hand aan voor een handkus die Noble totaal negeerde. “Ik moet zeggen, Monsieur Noble, voor een heer van uw standing hebt u totaal geen manieren.” “Au contraire, Mademoiselle Forét. Er zijn vrouwen en dan heb je dames.” Haar uitdrukking sprak boekdelen en ze trachtte het gesprek bij te sturen om haar schaamte te verbergen. “Wat zijn uw eerste bevindingen over deze tragische dood? Monsieur Noble?” “Deze moord vraagt uiteraard veel aandacht”, zei Zacharia. “Moord!?” riep Rémi. “Ik dacht dat het zelfmoord was”, vulde hij nog aan. Zacharia keek even grimmig. “Als het volgens jou zelfmoord was, waarom liet je mij dan komen?” “O...omdat, de vloek”, stamelde Rémi. “Vloek? Welke vloek?”, vroeg Noble. “U weet toch van de vloek?”, vroeg Rémi. “Neen”, zei Zacharia nors. “D...deze boom is al even oud als Gent zelf, misschien ouder. Door de jaren heen zijn er mensen verdwenen in de buurt van deze boom, of ze zijn gevonden aan zijn hoogste takken. We hebben dit land geërfd van de familie van mijn vrouw en we zijn al een tijdje van plan om er een hotel op te bouwen, maar... alles faalt. Arbeiders worden ziek, bouwmaterialen komen nooit aan, enz... Ik dacht dat u deze zaak kon oplossen. U werd trouwens hoog aangeprezen door Mademoiselle Samaritain. Het was zij die u aanraadde.” De naam klonk vertrouwd, een naam uit een ver verleden, die een lange stilte teweegbracht. “Goed, ik neem de zaak aan. Mijn honorarium bespreken we na de zaak.” Zacharia corrigeerde zijn kleding waarbij een ontbrekend detail opviel. “Geen vuurwapen, Monsieur Noble? Gent kan nog gevaarlijk zijn, afhankelijk in welk gedeelte zich men bevindt.” “Geen vuurwapens voor mij.” “Non? Pourquoi? Ik verkies gif als mijn wapen, is trouwens vrouwelijker.” “Vuurwapens zijn zo... onpersoonlijk.” “Kan ik best geloven voor een man met uw imposante lichaamsbouw”, zei ze vleiend, maar Noble liet zich niet vangen door haar zoete woorden en richtte zijn aandacht op Rémi. “Mijn slaapplaats gedurende deze zaak? Waar?” “Euh... Ho... Hotel Du Commerce in de Vlaanderenstraat. Ik heb er voor u een kamer gereserveerd, voor zolang u wenst. Op...op mijn kosten, uiteraard.” “Goed”, gromde Noble en stapte weg van het tweetal, waarbij hij Rémi rillend achterliet en Maria geïntrigeerd. “Kunnen we u een rit naar het hotel aanbieden, Monsieur Noble?”, vroeg Maria. “Zal niet nodig zijn, ik heb hier nog werk”, en hij wandelde terug naar de boom, waarbij hij nonchalant zijn hand achter zich opstak. Hij hoorde nog net het tweetal konkelfoezen, gevolgd door het geluid van wegstervende hoefslagen. Zacharia wandelde rond de boom en liet zijn haviksoog over het gevaarte glijden. Zijn opmerkelijke wandelstok begeleidde hem op een dreigende toon op de plaats van de misdaad, tot hij op iets merkwaardigs trapte met zijn zwarte wingtips. Het bleek een manchetknoop te zijn die hij even in zijn handpalm wentelde. De diamant op het object in kwestie weerkaatste hevig in het zonlicht, recht in Zacharia's vastberaden, expressieve blik. II De Vlaanderenstraat, Hotel Du Commerce, twee dagen later. Zacharia had het verslag van de lijkschouwer voor zich liggen, iets klopte niet. De leugens waren vermomd als excuses voor verstrooidheid en andere zever. Eerst en vooral had Forét vergeten te vermelden dat het slachtoffer werkzaam was op zijn kantoor. De lijkschouwer wou eerst de toegang tot het mortuarium verbieden voor Zacharia en ging daarna in protest toen Noble een kopie van het verslag ‘vroeg’. Daarnaast had het kadaver schrammen op de palmen van zijn handen, wel vreemd voor iemand die op kantoor werkt. Bovendien hing er een vreemde geur over het lichaam, naast de lijkgeur kon Zacharia een vanillegeur waarnemen. En toen hij rondvroeg over de manchetknoop, meden de mensen zijn blik of hadden ze de knoop nog nooit gezien. Zoals de klerk aan de balie van het hotel, die de knoop nog geen blik gunde en meteen zei dat hij die nog nooit had gezien. Zacharia's helderblauwe ogen dwaalden af naar de grote ruit van zijn hotelkamer die dwars neerkeek op de drukte van de Vlaanderenstraat. Zijn gedachten raasden als een stoomtrein, er waren leugens in het spel en daar had hij een gruwelijke hekel aan. Plots werd hij uit zijn concentratie gehaald door lichte tikken op zijn deur. Onmiddellijk opende hij de deur want hij wist wie het was. Als een wervelwind stormde een kleine dame, uitgedost in een zwarte jurk, binnen met een grote stapel documenten. Ze had een lief en rond gelaat, met schattige ogen die zich achter een leesbril bevonden, en zwarte haren in een knot. “Vader!”, ze omhelsde hem teder. “Dag Grietje”, zei Noble, waarbij een uitzonderlijke glimlach op zijn norse gelaat verscheen. Grietje had hij van een rijke industrieel in 1875 gered, toen de schoft haar had gekocht van een arme familie en haar als maîtresse wou gebruiken. Zacharia had een ‘stevig’ gesprek gevoerd met de smeerlap, zodat deze de rest van zijn dagen zou doorbrengen in een rolstoel, terwijl men hem pap serveerde. Zacharia had Grietje opgevoed als zijn dochter, ze werkte samen met hem aan de zaken die hij aannam, waarbij zij het onderzoekswerk op zich nam. “Heeft Samuel je gebracht?” “Ja, hij wacht buiten, op de koets”. Zacharia wierp een blik uit het raam en zag de paardenkoets in kwestie met een geduldige jongeman die op de bok aan het wachten was. Zacharia knikte kort. “Vader? Wat heb jij je nu weer op de hals gehaald?” “Hoe bedoel je?” “Deze zaak?” “Ik verveelde me”, zei hij komisch. Ze schudde haar hoofd en spreidde haar documenten op het bureau uit. “De boom is blijkbaar al meer dan 300 jaar oud, misschien ouder dan Gent, maar dat kan ik niet met zekerheid zeggen. Het land is of was van de familie Rathweld, een Duitse familie die haar fortuin heeft vergaard in Duitsland en later hier in Gent tijdens de Oranje periode. De familie Forét heeft het land van hen geërfd, door huwelijken en andere zaken. Nu... door de jaren heen zijn er ettelijke mensen verdwenen in de buurt van die boom. Ik heb twee vage getuigenissen gevonden, opgenomen door de plaatselijke veldwachter uit die periode, van twee boeren die bij nacht fakkels zagen, vergezeld van preken en gezang. Eén boer beweerde in 1898 dat hij een in kapmantels gehulde groep mensen zag die niet op de vlucht sloegen toen hij hen aanriep, integendeel ze wandelden zijn richting uit in een snel tempo. Natuurlijk was hij weggevlucht. Een andere boer getuigde in 1902 dat hij de naam ‘Kaernunos’ meermaals hoorde in die lugubere menigte, vanzelfsprekend was hij ook gaan lopen. Ik heb de naam uiteraard opgezocht en een bladwijzer gestoken in het dikke boek dat voor jou ligt. Het is niet leuk om te lezen.” Zacharia nam even kort haar hand. “Dankje, lieverd”, en hij stroopte zijn mouwen op om aan het leeswerk te beginnen. “Ik dacht dat je geen sigaren rookte?”, zei ze. “Doe ik ook niet”, antwoordde hij. “Die doos komt uit de winkel tegenover het hotel, Sigaren Néron denk ik. Het is een attentie van Rémi Forét, hij denkt dat iedereen sigaren rookt. Ik hou het bij een goed glas whisky”, hij liet zijn ogen even vallen op de kristallen karaf naast hem. Grietje liep even speels doorheen de kamer en greep naar Zacharia's wandelstok om deze als accessoire te gebruiken, en pufte het onmiddellijk uit. “Ik vergeet altijd hoe zwaar jouw wandelstok is”, ze sleepte hem over het tapijt. “Ja, het lood in de tip doet het altijd.” Ze bekeek de tip met de gouden kogelhuls die van een jachtgeweer bleek te zijn. “Waarom draag je dit altijd mee?” Zacharia's blik veranderde als die van een ouder die zijn kind stilzwijgend tot de orde roept. “Wordt het geen tijd dat je naar huis vertrekt? Samuel zal zitten wachten.” “Maar vader...?” “Geen gemaar, het was heel lief om jouw onderzoekswerk te brengen...” “Maar ik ben ongerust over jou.” “Ik kan mijn mannetje staan en dat weet je, maar ik heb liever dat je veilig thuis zit.” Hij leidde haar naar de deur en omhelsde haar, waarbij hij haar kleine voorhoofd kuste. “Maak je geen zorgen om mij. En recht naar de koets, Gent is geen plaats voor een schoon kind als jij.” “D'accord, vader”, en weg was ze naar buiten. Eenmaal aan de koets wuifde ze nog even naar Zacharia, waarop hij teder terugwuifde. Zijn blik veranderde toen hij zijn oog liet vallen op de documentatie, verschaft door Grietje. Hij schonk zich een glas whisky in en startte met het boek over oude goden, de bladwijzer van Grietje bleek een grote hulp. ‘Kaernunos De god die in het leven werd geroepen door de zwarte druïdes van Ganda. Hij die offers eist via zijn werktuigen, ook bekend als de dode bomen. Kaernunos brengt dood, verderf, maar ook welvaart en rijkdom aan hen die hem dienen.’ Zacharia keek op van deze laatste zin en dacht aan de diamanten manchetknoop die hij op de dode vlakte vond. Was er een sekte actief in Gent? Misschien, dat was alleszins logischer dan een duivelsboom, of welke naam de bange bevolking er ook aan gaf. Hetgeen hij niet kon verklaren was het lichaam van de ongelukkige ziel dat zich aan de hoogste takken bevond. Willem Gillot, werkzaam bij Rémi Forét, die het ook niet nodig had gevonden om dat te vermelden. Bij de documentatie, die liefdevol was samengesteld door Grietje, stak er ook nog een belangrijke notitie. Hij had namelijk via telegram gevraagd waar die vanillegeur vandaan zou kunnen komen. ‘Torricelli. De giftige bloem met de grijsgroene gloed groeit enkel in de bossen van Eisenach. De sterke geur van vanille kan men waarnemen van mijlenver. ‘ Zacharia las de laatste zin, die de effecten van het gif weergaf, waarop zijn helderblauwe ogen begonnen te glinsteren. Plotseling werd zijn aandacht naar de deur getrokken, een gevouwen briefje was geruisloos onder de deur geschoven. Meteen raapte hij het op. ‘Stop je onderzoek onmiddellijk of we brengen Grietje een bezoek.’ Razernij loeide op in zijn binnenste als een steekvlam uit de dieptes van de hel, hij trok de deur bijna uit de hengsels. Nog net zag hij een in kapmantel gehulde schim wegvluchten, waarop hij onmiddellijk de achtervolging inzette. Door het doolhof van gangen, waar de petroleumlampen in het halve duister als sinistere begeleiders het rode veloursmotief lieten zien, trachtte Noble zijn nachtelijke bezoeker niet uit het oog te verliezen. Uiteindelijk eindigde de jacht in het steegje achter het hotel, het leek alsof zijn ‘bezoeker’daar in rook was opgegaan. Noble realiseerde zich al snel dat hij in de val was gelopen, en de drie belagers die hem hadden omsingeld gaven dit al snel aan. Zacharia schudde zijn hoofd en verwenste even zichzelf. Een eerste ongelukkige aanvaller had het lumineuze idee om Noble in de rug aan te vallen, alleen maar om als een lappenpop tussen de ijzeren vuilnisbakken te belanden. De tweede aanvaller sprong voorwaarts met een mes in de aanslag, waarop Zacharia het moeiteloos uit zijn handen sloeg en zijn aangezicht met volle kracht tegen de bakstenen muur sloeg. Noble keek de derde belager in de ogen en wenkte hem, maar die zette het op een lopen en werd met een barse blik nagestaard tot hij volledig uit het zicht was verdwenen. Hij kwam dichter bij de waarheid en dit klein incident had het bewezen, maar ze hadden Grietje bedreigd en dat was te veel. III De volgende morgen had Zacharia plaatsgenomen aan het omvangrijke raam van zijn kamer dat rechtstreeks op de Vlaanderenstraat uitkeek. Hij had namelijk de hele nacht doorgewerkt en alle documentatie over de zaak doorgenomen. Hij dacht eraan om Grietje nog te bedanken voor al het werk dat ze erin had gestoken, zonder haar zou dit nooit gelukt zijn. Hij wist nu genoeg en zou deze zaak snel afronden. Nog even genoot hij van zijn koffie en liet zijn blik vallen op de drukte die zich in de straat onder hem afspeelde: kinderen met schoenpoetsdozen die iedereen aanspraken of aanklampten, krantenjongens die zich schor schreeuwden om reclame te maken voor de laatste editie van ‘De Gentsche Vriend’ en ettelijke paardenkoetsen die doorheen de straat reden. Zijn helderblauwe ogen mochten dan op dit tafereel gericht zijn, eigenlijk waren zijn gedachten bij de zaak van de boom op de dode vlakte. Er waren leugens in het spel, de reden hiervoor vond hij zelf vreemd, net als de Torricelli-bloem, die zich doorheen de zaak als een schim had gedragen. Na zijn koffie te hebben genuttigd, besloot hij om de stad in te trekken, Hij herschikte zijn ondervest, deed zijn zwarte slipjas aan en zette zijn bolhoed op in een vloeiende beweging. Alvorens de deur uit te gaan, draaide hij nog even de punten bij van zijn krulsnor en nam moeiteloos zijn wandelstok. De hotelklerk liet weten dat Rémi Forét al ettelijke boodschappen had achtergelaten, waarop Zacharia hem een onverschillige blik toewierp in het naar buiten gaan. Hij zag in de weerspiegeling van de sigarenwinkel Néron dat hij een stille aanbidder had en besloot om naar een van de zijstraten te wandelen. Zacharia wandelde nonchalant het eerste steegje binnen tot zijn achtervolger zo slim was om hem achterna te lopen. Zacharia sloeg hem eerst even met de vlakke hand en greep hem daarop bij de kraag. “Deze nacht hebben drie imbecielen het gewaagd om mij aan te vallen, ben jij ook zo slim?” Het individu dat blijkbaar een slechte lichaamshygiëne had, hield zijn handen voor zijn gezicht. “S'il vous plaît, Monsieur Noble. Rémi Forét heeft me gestuurd, blijkbaar wil je zijn boodschappen niet beantwoorden.” Zacharia loste zijn greep en deed een stap achteruit. “Ik zal Monsieur Forét antwoorden op mijn voorwaarden. Ik vraag me zelfs af waarom hij me in de eerste plaats heeft ingehuurd, als hij zelf een verdachte is.” “Quoi?”, kreeg Noble te horen, waarop hij met zijn ogen rolde. “Niks, vergeet wat ik gezegd heb en maak nu dat je wegkomt.” De knecht liet zich dit geen twee keer zeggen en maakte zichzelf uit de voeten. Noble speelde met zijn wandelstok, de gouden octopus vloeide wisselend tussen zijn vingers, zijn blik stond op oneindig, grimmig en hard. Hij raadpleegde zijn zakhorloge en besliste om langs te gaan bij Den Turk. Een zaak afsluiten op een lege maag was geen goed idee, vond hij altijd. Later op de avond was Zacharia al een tijdje in Ledeberg en had hij zich verscholen in een erbarmelijke schuur op de weide die grensde aan de dode vlakte. Zijn avondmaal of koningsmaal zoals hij het altijd noemde, had hem enorm gesmaakt: een gigantisch bord romige waterzooi, met aardappelen in de schil, gevolgd door een fles witte wijn. Noble hield de boom in de gaten vanuit zijn schuilplaats, hij wist dankzij de documentatie van Grietje dat ze deze nacht opnieuw zouden samenkomen. Een korte tijd later zag hij fakkels in de verte naderen, dansend als lugubere vlammen die werden aangetrokken door de monsterlijke boom. Een in kapmantels gehulde massa verzamelde zich aan de boom. Noble probeerde zichzelf tot een kleine glimlach te forceren, maar slaagde er niet in. Hij zette koers naar de bijeenkomst, tot uit de duisternis een tiental schimmen opdoken die alleszins niks goed in hun schild voerden. Op een paar seconden was hij omsingeld, hij keek rustig om zich heen. Zonder een woord kwamen ze dichterbij om Zacharia te overmeesteren. De eerste verloor zijn tanden door een mep van Noble's wandelstok, de tweede en derde gingen neer met een schedelbreuk. De vierde dook in Zacharia's nek, maar dit haalde niks uit. Men kon evengoed trachten een stier te temmen. De knieën van de vijfde werden aan gort geslagen, maar de zesde... de zesde was slimmer en laf. Hij sloeg Noble op het achterhoofd met een ploertendoder, waarop Zacharia onmiddellijk neerging. Maar Zacharia stond opnieuw recht, steunend op zijn wandelstok. Hij weigerde om neer te gaan, ze hadden Grietje bedreigd. Niemand kwam daarmee weg. Maar opnieuw kreeg hij een mep van de ploertendoder, waarbij zijn bolhoed op de grond belandde. Zijn helse doch stille blik deed enkele aanvallers achteruitdeinzen. Hij liet zijn wazige blik vallen op de boom en even kreeg hij indruk dat de monsterlijke takken bewogen als armen. Hierna verloor hij het bewustzijn en viel neer op de dode vlakte. De volgende morgen werd hij gewekt door de ochtendzon en kwam overeind met een knallende hoofdpijn, zijn achterhoofd besmeurd met opgedroogd bloed. Geen enkel spoor was te vinden van de ravage die zich had voorgedaan. De zon creëerde een luguber silhouet achter de boom, Zacharia bewoog er zich naartoe. In de hoogste takken zag hij een kadaver lichtjes wiegen, opgeknoopt, met een blauwe tong en verwrongen gelaat. Rémi Forét bleek het nieuwe slachtoffer te zijn. Zacharia keek nog even apathisch en somde alles op in zijn hoofd. De Torricelli-bloem die een sterke vanillegeur draagt, haar inname die ervoor zorgt dat het slachtoffer heel onderworpen en gehoorzaam wordt, bereid om zelf in de boom te klimmen en zichzelf op te hangen. Dat verklaarde de schrammen op de handpalmen van het vorige slachtoffer. De bloem met zijn grijsgroene gloed, die alleen groeit in Eisenach, waar ook de Rathwelds vandaan komen, de echte naam van Maria Forét. Diezelfde bloemen die zich op haar hoed bevonden bij de eerste ontmoeting aan de boom, die... vanillegeur. Hadden die vele boodschappen van Rémi Forét hiermee te maken? Vreesde hij dat Noble te dichtbij kwam, of vreesde hij voor zijn leven? Zacharia zou het nooit te weten komen en gaf er eigenlijk niet meer om. De zaak was opgelost en hij schudde zijn hoofd terwijl hij wegstapte, weg van de boom op de dode vlakte. EPILOOG De deur van de hotelkamer zwaaide kermend open, daar op het tapijt lag een brief te wachten op Zacharia. Hij wist meteen van wie die was en opende hem met een grommende zucht. ‘Cher Monsieur Noble U kwam wel heel dichtbij, u gaat uw reputatie vooruit. Rémi was zwak en moest uit de weg worden geruimd. Hij was nooit sterk genoeg en toonde nooit een devotie naar Kaernunos toe. Mijn familie aanbidt de Donkere Heer al eeuwen en hij was van plan om het allemaal te vernietigen voor een zielig bouwproject. Ons quotum voor Kaernunos is bereikt en wij verdwijnen voor een bepaalde tijd. Hopelijk ontmoeten we elkaar opnieuw in de toekomst. U bent een intrigerende man, Zacharia Noble. Beaucoup de bisous. Madame Rathweld’ Zacharia's blik laaide op in stille woede en hij verfrommelde de brief, daarbij hevig ademhalend. Zacharia Noble keert terug naar Gent in ‘De symfonie van de Duivel’
Op zaterdag naar het laboratorium komen. Toen ze begon met haar promotieonderzoek had Sabine zich voorgenomen zich daar niet voor te lenen. Ze bracht haar tijd liever door met het lezen van fantasyboeken en af en toe een afspraak met vriendinnen, maar het bleek al snel niet anders te kunnen. Sommige proeven kon je niet op een ander moment inzetten en ze langer laten staan zou de uitkomsten verpesten. Voordeel was wel dat het rustig was op het laboratorium. Ze had de kweekkamer voor zichzelf en kon hardop meeblèren met de radio.
Vandaag moest ze een instabiele verbinding toevoegen aan haar oplossing van DNA- en RNA-moleculen. Daarmee zou ze uiteindelijk een product krijgen om mensen van nieuwe herinneringen te voorzien. Het moest natuurlijk eerst bij muizen getest worden en dat was waarom ze het goedje nu moest maken. Sabine had alle voorzorgsmaatregelen genomen. Ze droeg een stevige beschermingsbril en had handschoenen aan. Ze werkte bovendien in de zuurkast, met een grote glazen plaat voor zich, waarachter alle vrijkomende dampen snel konden worden afgezogen. De ventilator rammelde en ratelde, maar er brandden geen waarschuwingslichtjes. Hij was volgens de sticker op de zijkant laatst ook nog gecontroleerd. Ze had er daarom alle vertrouwen in en toen ze naast haar buisje pipetteerde en door de schrik het DNA- en RNA-mengsel ook nog eens omgooide, maakte ze zich nog geen zorgen om haar gezondheid, alleen maar om het experiment. Op dat moment scheidde het luchtfilter van de zuurkast ermee uit. Een lichtgrijze wolk golfde onder de glasplaat langs en omgaf haar. Sabine dacht er te laat aan niets in te ademen. Een brandend gevoel kroop door haar luchtpijp naar haar longen. Ze wilde van haar kruk opstaan, maar haar benen leken gemaakt van elastiek. Als een marionet waarvan de touwtjes zijn doorgeknipt stortte ze omlaag. Door een waas zag ze de rode alarmknop naast de deur. Die was voor haar helaas buiten bereik. Even was het zwart. Toen Sabine haar ogen open deed bevond ze zich niet langer in een laboratorium. In elk geval waren de wanden om haar heen van steen, waaroverheen vocht donkere banen had getrokken. Aan het plafond hingen stalactieten en het licht kwam van schimmelachtige groeisels die hier en daar in plukken op de bodem groeiden. Een rilling trok door haar lichaam. Toen Sabine omlaag keek, zag ze ook waarom. Voor een bezoek aan een grot droeg ze erg weinig kleding. Een bikini van glanzende maliën, een leren gordel die bijna groter was dan haar broekje, en sandalen. Metalen platen op haar benen en armen boden meer de suggestie van een harnas dan dat ze werkelijk bescherming zouden kunnen bieden. In haar hand hield ze een lang zwaard, waarvan de kling glom in het geelgroene schijnsel van de schimmel. Een ingeving deed Sabine met haar vrije hand een pluk van haar haren naar voren halen. Rood in plaats van donkerbruin. Was er niet een fantasyheldin met rood haar en metalen lingerie? Het feit dat haar uitdossing zo onaangenaam schuurde, maakte echter duidelijk dat het geen droom was waarin ze nu beland was. Tegenover haar tegen de rotswand leunde een afgodsbeeld, half bedekt onder druipsteen. De kop en de ledematen ervan hadden niets menselijks. Op zijn schoot lag een glimmend rood juweel. Deze amethist was waarschijnlijk waar ze naar op zoek was. Tussen haar en het beeld in stond een man met een bleke huid vol zwarte plekken. Zijn lippen waren weggetrokken en op de plek van zijn ogen bevonden zich slechts donkere holtes. Hij droeg een middeleeuws aandoende wapenrusting en hield in zijn hand een staaf vast, waaraan met kettingen twee metalen bollen vol punten waren verbonden. Een morgenster. De meer dood dan levend ogende kerel slaakte een onverstaanbare kreet en tilde zijn wapen op. Hij draaide zijn arm zodat de kogels achter zijn rug hingen. Waarschijnlijk was zijn volgende stap ze op haar onbeschermde hoofd te laten neerkomen. De situatie was voor Sabine dan wel nieuw en onbegrijpelijk, maar één ding wist ze: dat ze het vooral niet zover moest laten komen. Dus sprong ze opzij. De bollen zoefden langs haar en dreunden tegen de vloer van de grot. Haar aanvaller begon zich kreunend op te richten. Sabine haalde uit met haar zwaard. De linkerarm van de man viel van zijn schouder, maar zonder dat er bloed verscheen. Zijn gezicht toonde ook geen andere uitdrukking. Hij deed opnieuw zijn morgenster zwiepen. Een van de kogels schampte langs het metaal dat haar linkeronderarm omhulde. De felle pijn trok door tot in haar schouder. Ze was nu flink pissig. In één slag hieuw ze de nek van haar tegenstander door. Zijn hoofd balanceerde nog een ogenblik lang tussen zijn schouders, maar stuiterde toen neer. Zijn lichaam zeeg ineen. Sabine stak tevreden haar zwaard in de schede en liep naar het afgodsbeeld. Met twee handen pakte ze de amethist en tilde die triomfantelijk tot boven haar hoofd. Plotseling werd ze door een flauwte bevangen. Het beeld, de grot en de dode man aan haar voeten verdwenen. Sabine werd wakker door het alarm. Een man in een witte jas zat over haar gebogen en hield een zuurstofmasker over haar mond en neus gedrukt. Zelf had hij ook een masker op. ‘Het was maar goed dat je de knop wist in te drukken,’ klonk zijn stem, een beetje gedempt. ‘Het was een naar goedje dat vrijkwam bij je experiment.’ Ze knikte, want het voelde nog niet alsof ze een woord kon uitbrengen. Haar herinneringen aan de confrontatie in de grot waren zo levendig. De pijn die ze voelde, was werkelijk geweest. Had ze het zich dan toch allemaal verbeeld? Terwijl ze zich daarover het hoofd brak, hielp de man haar overeind te komen. Voorzichtig begeleidde hij haar richting de deur van het laboratorium. Voor ze de gang opstapte, wierp Sabine nog een blik opzij. In het glas van de zuurkast zag ze zichzelf weerspiegeld. Rode lokken vielen over haar schouders. En wat schuurde er zo onder haar laboratoriumjas? Toen men hem Adam Ibrahimović noemde – de beste criminele patholoog niet alleen in Sarajevo, maar in heel Bosnië en Herzegovina – verwachtte hij gewoon een normale klus. ‘Lichaam van een jonge vrouw aangetroffen in de haven van Neum vanochtend vroeg.’ Alles veranderde toen hij het lichaam daadwerkelijk zag. Hij dacht aanvankelijk dat haar huid donkerblauw was geworden door livor mortis, maar een nadere inspectie bewees het tegendeel ... en dat was nog maar het begin.
‘Nou, wat denkt u ervan, meneer?’ vroeg de plaatselijke politieagent, Stefan Hadžić. Adam: ‘Ze ziet er inderdaad vreemd uit. Als u niet tegen autopsies kunt, zal ik u dat niet kwalijk nemen.’ Stefan: ‘Geen sprake van, ik moet hierbij zijn of ik het nu wil of niet. Ook al geef ik over. Ze ruikt niet naar ontbinding, dus ze was niet lang dood? Adam: ‘Ja, zo ziet het eruit ... Hm, haar hoofd is licht naar links gekanteld ... En ze heeft haar nek gebroken. Er zit nog iets anders op haar nek. Niemand als vermist opgegeven in de afgelopen vierentwintig uur? Niemand? Identiteitsbewijs? Papieren?’ Stefan: ‘Precies, niemand in de hele Adriatische Zee! We hebben alleen een soort net gevonden met schelpen en vis.’ Adam pakte een scalpel en begon haar borst open te snijden, maar het scalpel weigerde haar gladde, koude huid te snijden. Adam: ‘Dit is een gloednieuw scalpel, en het deukt haar huid in alsof het een botermes is …’ Hij prikte in de vier vreemde lijnen op haar nek en opende ze, waarbij hij ontdekte dat het kieuwen waren die leken op die van haaien. Hij begon alles wat hij kon waarnemen op te schrijven voordat hij een scalpel of iets anders zou vinden om haar open te snijden. Leeftijd: 18-25 jaar. Geslacht: vrouwelijk. Donker zwart haar tot op de schouders. Huid lichtoceaanblauw, rug donkerblauw. Enige kleding: een soort kort rokje van een stof die op zeewier lijkt. Op haar linkerarm en -voeten vliezen zichtbaar. Tanden driehoekig van vorm, als die van een piranha, en parelwit. Binnenkant van de mond eveneens lichtblauw. Alleen een diamanten scalpel slaagde erin haar huid enigszins te snijden, maar ook dat brak af. Adam besefte dat het lichaam niet geheel menselijk was ... of misschien buitenaards? Hij pakte een kleine batterijlamp en opende haar oogleden — en schrok hevig toen hij zag dat ze volledig zwart waren. Stefan: ‘In godsnaam! Eerst zwom ze bijna volledig naakt in zee ... Wat ze ook uitspookte daar, dan heeft ze tanden als een barracuda, en nu ogen als kleine grijze buitenaardse wezens?’ Adam: ‘We weten meer na de bloed- en DNA-tests. Die mutaties ... als ik eerlijk ben, lijken het me eerder aanpassingen aan het leven in de zee.’ Hij besloot een diamanten beenzaag te gebruiken, en daarmee lukte het net om haar huid te snijden – maar ternauwernood. Ze had longen, maar haar hart was twee keer zo groot als een normaal menselijk hart, en ze had twee levers. Plotseling verscheen er uit het niets een jonge politieagent, lijkbleek, en hij schreeuwde: ‘Meneer! De familieleden van het meisje ... zijn hier!’ Vervolgens liet hij hen een foto op zijn telefoon zien: ze stonden op een houten platform in de haven. Ze hadden allemaal een blauwe huid, net als het meisje, en pikzwarte ogen – maar alle mannen waren gewapend met speren en geweren die gemaakt leken te zijn van schelpen en kreeften. Een van hen droeg een soort kroon op zijn hoofd: de leider van de groep, mogelijk hun koning. Adam sloot haar borst en knikte naar de politieagenten om haar lichaam in een kist te leggen. Stefan: ‘Waarom, dok? Geven we haar zomaar aan hen mee?’ Adam: ‘Ten eerste is het het juiste om te doen. Ten tweede, als er een beenzaag voor nodig is om haar huid te snijden, denk je dan dat jullie twee ook maar een kans maken tegen hen? Kom, we gaan.’ Na het lichaam in de kist te hebben gelegd, laadden ze die in de politieauto en reden rechtstreeks naar de haven. De groep wachtte geduldig, roerloos als standbeelden, zonder enige uitdrukking op hun gezichten. Toen de agenten de kist uitlaadden en voorzichtig op de grond zetten, liep de leider met twee van zijn grootste lijfwachten op hen af. Een van hen opende de kist, terwijl de rest toekeek hoe de drie Bosniërs stonden te zweten, niet wetend wat hun lot zou zijn. De leider keek naar het dode meisje, gaf een teken om de kist te sluiten en haar mee te nemen. Daarna keek hij Adam recht in de ogen, en woorden weerklonken in de geest van de patholoog: ‘Mijn dochter. We brengen haar naar huis ... om voor altijd te rusten ... Ga naar huis, oppervlaktebewoners. We zijn niet boos ... maar vecht niet tegen ons en volg ons niet. Of jullie sterven.’ Er lag verdriet in de stem die Adam in zijn hoofd hoorde, ook al was er niets van te zien op het gezicht van de leider. Ze keerden zich om met de kist en liepen zo de zee in, alsof ze een wandeling in het park maakten. De drie mannen wachtten een paar seconden, en ontspanden zich toen pas. Stefan: ‘Wat in godsnaam gaan we tegen onze meerderen zeggen?’ Adam: ‘De volledige waarheid. Wat zouden we anders moeten doen? Liegen?’ Vertaling: Finn Audenaert ‘Liefde en schatten om het leven te veraangenamen drijven ons.’
Harold glimlachte. ‘De vrouwen bekijken je stoffen. Laat me je echte schatten, de zwaarden, zien.’ Aske kwam nieuwsgierig dichterbij; hij hoopte op een beter zwaard. Zijn vader had geen zin in zijn aanwezigheid. ‘Asjoch, ga door met je werk. Aan luistervinken heb ik geen behoefte.’ Zijn vader gebruikte het scheldwoord niet vaak. Aske had de ruzie destijds tussen zijn ouders kunnen volgen. # Zijn moeder snauwde: ‘Houd toch eens op met je kinderachtige gedoe. Je had niet met me hoeven te trouwen.’ ‘Alsof ik anders kon.’ ‘Er is altijd een keuze. Hou ermee op. Hij is mijn eerste en in alles beter dan onze zonen.’ Zijn twee jongere broers keken wel uit om de bijnaam te gebruiken. Hij had het hen hardhandig afgeleerd. Toch bleef Asjoch pijn doen. Vandaag begreep hij het. Gisteren had Aske, tijdens het rollebollen met de melkmeid, weer eens op onverklaarbare manier een hooimijt in brand gestoken. Hooi was duur en broodnodig in de lange koude wintermaanden. # ‘Ik heb deze keer mooie zwaarden en je vrouw vroeg om een goed zwaard voor Aske achter te laten.’ Harold mocht een machtige yarl zijn, Freya had hem klemgezet. ‘Geef hem een prima zwaard. Het ding dat hij nu heeft, is inderdaad niet veel. Heb je nog nieuws?’ ‘De prijs van de slaven gaat stevig omhoog.’ ‘Dan wordt het tijd voor een nieuwe plundertocht naar het land van de Angelen en de Saksen. De zoektocht naar buit trekt ons de zee op. Onze hartstocht schenken we niet alleen aan onze vrouwen. Licht, lucht en zee vervullen onze andere verlangens.’ ‘Ik heb een gerucht opgevangen over onze en de Deense koning. Ze schijnen te praten in plaats van te vechten.’ Harold glimlachte. ‘Vrede tussen ons en de Denen geeft kansen op nieuwe rooftochten. Ik heb behoefte aan nieuwe slaven en wil ze graag goedkoop. Een of twee van hun gebedshuizen plunderen levert me voldoende biddende kwezels op. Het zijn makkelijke slaven: ze beschouwen hun lot als een straf van hun god, wat me heel goed uitkomt.’ ‘Ik heb behalve handel ook een verzoek.’ ‘Spreek. Of ik hulp kan bieden, ligt aan je vraag.’ ‘Drie dagen terug heb ik een groep Denen opgepikt. Ze zijn onderweg naar onze koning en vroegen of ik ze wilde brengen. Dan wilde ik meer weten. Met slecht nieuws wilde ik niet helpen.’ ‘Je hebt groot gelijk.’ ‘De aanvoerder, aan zijn kleding te zien een yarl, weigerde verdere uitleg en ik stond op het punt ze achter te laten. Een krijgsvrouw fluisterde hem iets in het oor. Blijkbaar was ze meer dan een strijder, want de yarl veranderde zijn houding. De groep was met een huwelijksvoorstel onderweg naar de koning. Onze koning had voorgesteld dat een van zijn zonen zou trouwen met een Deense prinses. Vervolgens zouden ze samen het land van de Angelen en Saksen plunderen.’ ‘Klinkt goed. Wat is je vraag?’ ‘Ik moet met mijn handel de andere kant op. Veel zin om de omweg naar de hoofdstad te maken heb ik niet. Misschien kun je ze een escorte meegeven?’ ‘Voor zoiets wil ik een escorte beschikbaar stellen. Een yarl? Laten we ze met eer ontvangen. Roep mijn zoons en vrouw.’ # Naast Harold zat Freya, met achter hen de drie zonen. Aske nam de Denen en vooral de vrouw nieuwsgierig op. Aan het korte zwaard, de dolk en de pijl en boog zag hij voldoende: ze had geen man nodig om voor haar op te komen. Ze had de uitstraling van de Walkure tot hij haar ogen ving. Wat een felheid. Voorzichtig aftasten van haar aura liet rood, oranje en groen zien. Ook twijfelde ze over een te maken keuze. Voor de hoofdpijn toesloeg, brak hij het onderzoek af. Ze was een sterke persoonlijkheid en trots. Een berggems, moeilijk te vangen en niet te temmen. Vergeleken met haar waren zijn eerdere minnaressen makke schapen. De gesprekken waren nog steeds vol blabla-beleefdheden. Zijn aandacht dwaalde af naar zijn nieuwe zwaard. Morgen zou hij zijn broers ermee een lesje geven. Hij verheugde zich nu al op hun roep om genade. Het gefluister tussen de vrouw en de Deense yarl had hij niet door. # ‘Die grote, een beetje achter uw andere zoons, willen we graag mee als begeleider.’ De wijzende hand van de yarl schrok Aske wakker. Het beviel Harold niet. Aske vermoedde dat de hooimijt hem nog dwarszat. Verstoord zei hij: ‘Kiest u een van mijn andere zoons.’ Alle twijfel, over wie de baas was bij de Denen, was weg. De vrouw zei op besliste toon, alsof ze geen tegenspraak gewend was: ‘Nee, de grote en tien van uw strijders. Als u daarmee instemt, zullen we de koning vertellen hoe goed u ons geholpen heeft.’ Een magere glimlach kon er bij Harold vanaf. ‘U krijgt wat u wilt. Voor vannacht stel ik vertrekken beschikbaar en over een uur laat ik u roepen voor het eten.’ Harold wenkte Aske mee naar een klein zijvertrek. ‘Je moeder heeft gelijk. Het wordt tijd dat je uitvliegt.’ ‘Maar … maar …, ik ben de oudste zoon. Ik volg u op.’ ‘Ga naar je moeder. Ze legt het uit.’ In de war stapte Aske bij zijn moeder naar binnen. Ze was alleen; ook de slavinnen had ze weggestuurd. ‘Eens moest je het horen. Dit is een goed moment. Je wordt niet de opvolger van je vader, omdat hij je vader niet is.’ Allerlei vreemde zaken vielen op hun plek, zoals de speer die hij vorige week naar zich toetrok. ‘Wie is mijn vader? Ik kan zien wat mensen beweegt en meer dingen, die alleen een magiër kan. Komen zulke krachten van mijn echte vader?’ ‘Daar kom je wel achter, verwacht ik. Hij is niet de eerste de beste. Geloof me, je vertrek is een goede oplossing.’ Daar moest hij het meedoen. Het werd een slapeloze, onrustige nacht. # Te paard en goed voorzien van voorraden vertrokken ze. Aske was nog steeds niet helemaal bijgekomen van de mededeling; hij keek niet om en reed zwijgend mee. Pas in de middag schudde hij de schok van zich af en genoot, zoals altijd, van de omgeving. ‘Ben je altijd zo stil?’ ‘Nee, ik moest slecht nieuws verwerken. Normaal ben ik goedgehumeurd. Ik heet Aske.’ ‘Ik ben Siv. Mijn vader heeft me jullie kant opgestuurd. De tocht liep niet zo lekker, vanwege de aanvallen onderweg. Niet iedere clan is het met deze reis eens.’ Haar uitleg had Aske de tijd gegeven voor een antwoord. ‘Vandaar je prachtige, goudgele haar. Je bent genoemd naar de vrouw van Thor. Jou vind ik mooier en een stuk interessanter.’ ‘Ik wist dat je niet op je mond gevallen was.’ Het werd een leuke rit. Tot ze na een uur een man langs de kant zagen zitten. De man jongleerde. Met vogeltjes? Aske knipperde met zijn ogen en de vogeltjes waren ballen. Bij de anderen zag hij geen verbazing; hij moest het zich verbeeld hebben. ‘Edele dame en heren, mag ik met u meelopen? Onderweg kan ik u vermaken met muziek en grappen.’ ‘Als je ons bij kan houden, is het prima.’ Natuurlijk kon de man de lichte draf niet bijhouden. Toch verscheen hij op de een of andere manier telkens aan de staart van de groep. De avonden maakte hij inderdaad korter met grappen, grollen en muziek. De eerste avond vertelde hij wie en wat hij was. ‘Ik ben een druïde. Een afwijkende. Ik breng geen genezing of overwinningen in de krijg. Ik raad je aan op zoek te gaan naar de zon en misschien vind je een pot met goud aan het eind van de regenboog. Het echte goud is echter niet van edele metalen of barnsteen. Het echte goud ligt in je hart. Maak het vrij. Vergeet oorlogen, plunderingen en moord. Verdriet en tranen zijn je deel. Volg Thor en Odin niet langer. Volg Loki, hij brengt vreugde in de harten en kinderen bij vrouwen. Luister naar me. Kijk niet terug, kijk vooruit. Heb oog voor de mooie kleine dingen. Vergeet de ellende van gisteren en vandaag. Morgen is een nieuwe dag met kansen op geluk. Je moet de kans niet laten lopen.’ De meeste krijgers vonden het een vermakelijk verhaal, meer niet. Aske voelde een diepere betekenis en ook Siv was nadenkend stil. Altijd lag ze te slapen bij het vuur tussen twee van haar krijgers in. Deze avond wenkte ze Aske. ‘Kom bij me, neem de taak van een van mijn mannen over.’ Alleen al het liggen tegen haar aan, in huiden gewikkeld, vond Aske fijn. Hij sliep heerlijk. # ‘We moeten door dit dal. Daarna, na een paar dagen, bereiken we het fjord waar de koning woont.’ Links en rechts rezen de rotswanden omhoog. Het pad liep op om vervolgens te dalen. De stilte beviel Aske niet: geen vogels en geen geluiden uit de struiken. De enige geluiden kwamen van de paarden en de zachte stemmen van de mannen. Net voorbij de bocht, waar het pad steil omlaagging, viel dreunend een boom achter en voor hen op het pad. ‘Bescherm de prinses,’ brulde de yarl en diens schild ving de eerste pijl op om direct gevolgd te worden door meer pijlen. Van de hellingen sprongen mannen omlaag. Aan hun uitrusting te zien, Denen. De mannen zaten gevangen tussen de twee bomen en vingen zo goed en kwaad als het ging pijlen en bijlslagen op. Het leek hopeloos. Aske zag de druïde wervelend, met het geluid van harde wind, door de aanvallers heen breken. Mannen slingerde hij weg als lastige vliegen. Aan de overkant van de helling struikelden vijanden alsof touwen tussen de bomen gespannen stonden. De strijd kantelde. Achter zijn schild volgde Aske de bewegingen van de druïde. Voor een kort moment kruisten hun ogen elkaar. De knipoog van de druïde verbijsterde Aske en bijna liet hij zijn schild zakken, tot de inslaande pijl hem weer bij de les bracht. Het was nog steeds niet over. De wind nam in kracht toe en sloeg meer aanvallers van de hellingen. Nu waren de mannen op het pad in het voordeel met de vaste grond onder de voeten. Hun pijlen troffen steeds vaker doel. Het resultaat was dat de overlevende aanvallers op de vlucht sloegen. Stilte daalde neer en de wind verdween. Terug naast hem zei de druïde: ‘Was dat even schrikken. Kom met me mee, we moeten praten.’ De mannen hadden de druïde niet gemist en begonnen de lijken te plunderen. # ‘Jij bent geen gewone druïde.’ ‘Nee, maak je geen zorgen. Alleen jij zag wat er echt gebeurde. Goed, hier komt het. Ik ben je vader, Loki.’ ‘Jij hebt mijn moeder verleid.’ ‘Je moeder staat van alle aardse minnaressen bij mij op een. Me beminnen was vrijwillig. Freya had heel goed door wie op haar lag en ze werkte met plezier mee. Harold en Freya hadden al iets, niet echt diepgaand. Ze raakte zwanger en ongehuwd zwanger zijn kon natuurlijk niet voor een edelvrouw. Ik had een gesprek met Harold en hij trouwde haar.’ ‘Allemaal leuk en aardig, maar ik zit met de gevolgen. Ik ben behept met magische krachten, wat moet ik daarmee?’ ‘Zolang je in het langhuis van je vader woonde, liet ik de situatie met rust. Nu trek je de wereld in. Dus maak ik me kenbaar aan je. Wat zijn je krachten?’ ‘Ik kan aura’s lezen, vuur gooien en dingen verplaatsen zonder ze aan te raken.’ ‘Je bent volwassen; bij deze krachten blijft het. Ik geef je les om je magie te beheersen en om er veilig mee te werken.’ # De eerste avond leerde Loki hem een vuurspreuk. ‘In gedachten zeg je teine-ealain. Het betekent vuur. Je heft beide armen op en smijt het vuur naar de plaats waar je het hebben wilt. Zodra je het onder de knie hebt, kan je elk doelwit in brand steken.’ ‘Ik ga oefenen; de kracht moet ik onder controle krijgen.’ Ook vannacht wilde Siv zijn lijf tegen haar aanvoelen. # De volgende avond kwam Loki met een slaapspreuk. ‘Deze is altijd handig als je in moet breken. Hij luidt: cadal. Je maakt met je handen ronddraaiende bewegingen in de richting van je slachtoffer. Je laat je natuurlijk niet zien voor je slapende geluiden hoort.’ Tegen Siv aanliggen werd een prettige gewoonte. # ‘Dit is de laatste spreuk en daar kun je veel plezier van beleven. Om iets te verplaatsen, zeg je ardachad. Je armen heb je in een hoek naar voren gestoken en langzaam maak je tillende bewegingen. Zo verplaats je een voorwerp naar waar je het hebben wil. Oefen, oefen, oefen. Goed, met deze opvoeding moet je het doen. Af en toe kom ik je opzoeken.’ Siv hield hem slapend strak vast. Daardoor had Aske pas na het eten in de gaten dat Loki weg was. Het riep bij de troep geen vragen op. # ‘Die groep langhuizen en de vele drakkars zijn van de koning. Daar moeten we zijn.’ ‘Dan stoppen we hier. Ik wil met je praten. Loop met me mee.’ # ‘Voor jullie koning heb ik een boodschap, of beter gezegd twee. Daartussen moet ik een keuze maken. Jouw antwoorden wegen mee. Aan jou en de druïde is iets vreemds. De aanval op het bergpad was, op een vreemde manier, snel afgelopen. Direct daarna zonderden de druïde en jij je af en elke avond zochten jullie een stille plek. Jullie gesprekken gingen vast niet over grappen en grollen. Toch geniet ik elke nacht als je tegen me aanligt. Ik ben een prinses en hoger in rang. Daarom wil ik het weten. Wat is het vreemde aan jou en de druïde?’ ‘Ik zal eerlijk zijn. Ook ik vind het zalig om tegen je aan te liggen, zelfs al doen we niets. Je bent niet hoger in rang. De druïde is geen gewone druïde. Hij is mijn vader en hij heet Loki.’ Haar ogen knepen een beetje samen. ‘De god Loki?’ ‘Ja. Hoe zit het met je keuze?’ ‘Vrouwen zijn pionnen op het schaakbord van adellijke families. Goed genoeg om bondgenootschappen te smeden en kinderen te krijgen. Toch hebben we invloed. Mijn zus en ik hadden afgesproken dat ik mocht kiezen. Pa moest ermee instemmen, anders weigerden we allebei.’ ‘Ik wil graag weten wat je keuze wordt.’ ‘Ik heb genoten van de vrijheid van het buitenleven en ik ben graag bij je. Alles is in tegenspraak met het verstikkende hofleven. Misschien keer ik ooit terug naar huis. Voorlopig wil ik vrij zijn. Wil je bij me blijven?’ ‘Ik blijf bij je tot je weet wat je wilt. We zien wel wat er gebeurt. Maar ik heb nog geen antwoord.’ ‘Jullie koning krijgt de koker met de boodschap dat mijn zus met zijn zoon zal trouwen.’ Dit verhaal werd ingezonden voor de verhalenwedstrijd 'De boodschap'. |