Out of this World
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch

VERHALEN

Robert Smets - Een herfstdag in Touriane

14/3/2026

0 Opmerkingen

 
Vandaag herdenken we Robert Smets (1940 – 2024), die twee jaar geleden op 14 maart overleed. 

Het Clos-Lucé bij Amboise, waar ik die dag, vrij laat in de namiddag in oktober 1518, een afspraak had, was een bijzonder mooi ogend herenhuis, midden veel groen. Het lag wel even buiten de stad, maar toch nog op wandelafstand van de Loire. Een twintigtal kamers, schatte ik, en vrij groot voor slechts één man en inwonend personeel. Wat men daarover dan ook zei. Maar natuurlijk waren er ook het atelier en de tentoonstellingsruimten.
Ik vond makkelijk de ingangpoort en belde aan, maar kreeg eerst geen reactie.
Pas toen ik herhaaldelijk luid geklingeld had, naderde een baardige oudere man die me wat twijfelend opnam en dan moeizaam de toegangspoort voor me open maakte. Ik noteerde dat hij dat alleen met de linkerhand deed en dat zijn rechterhand verlamd leek.
“Personeel,” grommelde hij, terwijl hij me van kop tot teen opnam, “Ik vroeg Antoine vanmorgen papier voor me te halen, maar ik vrees dat hij in een zestal kroegen de weg moest vragen.”
“Het is moeilijk goed personeel te vinden,” opperde ik volgzaam, “En met die oorlogen en zo.”
“Tommasso vroeg ik met de wijnboeren te praten om onze voorraden bij te vullen, maar als men hem meerdere jaren te proeven geeft doet hij daar ook meerdere jaren over.”
“Tja, personeel,” herhaalde ik, behoedzaam, en voegde er dan iets aan toe als  “Het betert er niet op.” of zo. Hopelijk leverde de rest van de dag me iets meer op dan domme clichés en geleuter over huis, tuin en keuken.  
De man leek me echter niet eens te hebben gehoord en mompelde iets als: “Lieve, lieve jongens, dat wel. Maar moeilijk. Net als Jacomo. Zij brengen wel wat kleur bij, maar als je wat ouder wordt … Nu ja ... En U, U bent ...?”
“Gian-Pietro Levini van de Corriere Toscano. Mijn hoofdredacteur maakte een afspraak via een neef van Luca Pacioli.”
“Een afspraak? Via Luca? En voor een interview? Maar waarom dan?” mopperde hij, ongelovig, terwijl wij naar het huis stapten, en  ik echt begon te twijfelen of dit zo’n goed idee was als het eerst had geleken. De directeur was ook al niet zo enthousiast geweest.
“Wat kan ik de pers dan nog vertellen? Ik leef hier ver van huis en ik ben een eind in de zestig en wie interesseert zich in Italië nog aan een oude man, die dan nog de Franse koning volgde.”
Het was niet eens een vraag. Een zuchtje wind waaide bladeren van de bomen bij de ingangspoort tot binnen de inkomhal en mijn gastheer, Meester Leonardo, raapte er voorzichtig enkele op, vooraleer hij de deur zorgvuldig achter ons sloot.
“Botanica, nog een van mijn domme hobby’s,” mompelde hij, bij wijze van verontschuldiging.
“Niet zo dom,” zei ik, “in Italië geldt U als een autoriteit op dat gebied. En op vele andere.”
Hij bekeek me wat wantrouwend, maar zweeg verder tot we binnen waren.
Toen ik zijn woonkamer betrad en even rondkeek waar ik mijn mantel kwijt kon, merkte ik een stuk of wat maquettes van niet thuis te brengen toestellen, en één enkel schilderij. Een sfumato portret van een niet zo mooie dame die haar best deed raadselachtig te glimlachen.
“Juffrouw Lisa”, zei hij, alsof hij mijn gedachten geraden had, “voor mij het beste wat ik ooit schilderde. Maar ja. Zij was, wel, je weet misschien dat ik niet zo, maar een ogenblik dacht ik dat ik misschien ook ... Wel ...  En ik vroeg haar.”
Ik had uiteraard mijn dossier in verband met zijn voorkeuren doorgenomen en waagde een gok.
“Ten huwelijk?” vroeg ik, terwijl ik mijn bandopnemertje aanklikte.
“Nee, toch niet. Of niet onmiddellijk. Een van mijn mislukte experimenten, zeg maar. Er waren er wel meer. Veel, veel meer. Maar waar zeur ik over?”
Het was een vreemde ervaring ‘s werelds grootste geleerde en kunstenaar zo stuntelig te horen praten, maar ik meende intussen wel te begrijpen waarom Juffrouw Lisa monkelend glimlachte. Eerste-pagina-nieuws was het niet, maar mogelijk had de roddelrubriek wel iets aan die suggestie.
“Wat fris, vind je niet?” vroeg hij me, plots vlotter. “Dit zijn de eerste herfstdagen, hier. Om je wat op te warmen kan ik je een fijne Barolo aanbieden van 1510. Een heel goed jaar. Ik had er een flinke voorraad van toen ik naar Amboise kwam. Maar je weet hoe de jongens zijn. Toevallig vond ik er gisteren nog enkele flessen van … En ja, dan gooi ik nog wel wat hout en wat dingen bij in de haard.”
Terwijl ik me diep in een leren zetel schikte en hij wat moeizaam met één hand de fles opende, keek ik om me heen en verbaasde me over een stapeltje papieren en tekeningen voor de haard.
“Ik ruimde net wat op,” zei hij, alsof hij mijn gedachten had geraden, “Oude projecten, die nergens toe leidden en afschriften van brieven, waarop nooit een antwoord kwam. Zij stapelen zich maar op en niemand heeft daar ooit wat aan.”
“Nu lijkt U me toch wat pessimistisch, Meester Leonardo,” zei ik, geïntrigeerd door zijn gedeprimeerde gedrag. Het leek wel of ik een gevoelige snaar had geraakt en ik verwachtte eindelijk een wat levendiger reactie, al ware het maar een uitval tegen Frankrijk of zo, en zag al een kop voor me als “Meester Leonardo niet in zijn schik in zijn nieuwe vaderland”, maar kreeg meteen een nog pessimistischer noot geboden.
“Geef toe,” zei hij, zo mogelijk nog deemoediger, “een succesverhaal was ik nooit. Mijn Avondmaal in Milaan wat afbladderde, mijn Slag bij Anghiari in Firenze, …”
“Kom nu, Meester Leonardo.”
“Mijn Sforza-paard!”
Er volgde een vrij lange pauze, waarin hij me zijn Barolo liet proeven en zich dan met een stapeltje papieren naar de open haard toekeerde en ze me een voor een voorhield.  
“Mijn vliegende man. De eerste proefpersoon panikeerde toen hij van de Monte Ceceri omlaag ging, hij maakte foute bewegingen. De bedoeling was hem later als een vergulde bewoner van de Zon in Firenze te laten landen met een vredesboodschap, maar hij had problemen met zijn instructies.”
“Het verhaal gaat dat die achterstevoren geschreven waren.”
“Uitvluchten,” zei hij, wat bitter, “maar daarna wilde niemand meer.”
Twee andere tekeningen volgden.
“Mijn duiker. Weet je nog wel? Een man die onder een stolp in havens en rivieren afdaalt en vijandelijke schepen schade toebrengt … En zelfs een grote duikboot … Met een hele groep soldaten, onder water, tegen de Turkse vloot.”
“Toch een mooi idee!” wierp ik op.
“Geen budget,” zei hij, terwijl hij de tekening in het vuur wierp, en “Hier, mijn orgelgeschut. En mijn waaiergeschut. Je kon er Amerika mee veroveren. Maar nee, bezwaren en bezuinigingen, alweer. En hier, een organisch ballet, wat helemaal niets kostte, met zwanen en hazen. Maar het domme volkje ritste mijn hazen weg. En sprak ik er François over, had hij altijd meer aandacht voor mummiepoeder dan voor wetenschap.”
“Mummiepoeder?” vroeg ik me af, terwijl de haard kort even opflikkerde.
Een voor een verdwenen daarop evenzoveel dromen van de mensheid in het vuur. Op de kaftjes die hij weemoedig verbrandde las ik nog snel “Kanalen”, “Stedenbouw en Prefab woningen” en “Centrale verwarming”. Andere titels waren moeilijker te ontcijferen. Weer dat omgekeerde schrift, natuurlijk.
“doof tsaf, sregrub-mah, azzip-nap-peed, sllod eibrab, …” zei Meester Leonardo, en “M.S.G. en S.P.G. Ik ben zelfs al vergeten waar dat voor stond!”
“Maar, dit kan toch niet?” vroeg ik, plots toch echt ongerust, en zelfs wat verontwaardigd, “Een afwijzing, budgettaire problemen of zelfs persoonlijke ontmoediging zijn toch geen reden om … “
“Om … Om?” vroeg hij me, als de Tibetaan die ik ooit in Venetië had geïnterviewd en waaruit ik geen ander woord had getrokken.
“Ik bedoel maar, om prachtige projecten te vernietigen die de mensheid in haar geheel ten goede kunnen komen.”
“Prachtige projecten verwarmen tenminste nog mijn oude knoken,” zei hij bitter.
Ik haalde uit naar het vuur, om tenminste nog enkele tekeningen te redden, maar meer dan een handvol  as en blaren op mijn handen hield ik er niet aan over. Honderden kilometers over berg en dal, en dan dit!
“En hier dan, onbetaalde facturen van de Paus, en van de Medici, en van de Borgia’s. Een brief aan Sultan Selim in Istanbul … Vroeg of laat zal hij of zijn zoon wel met de Fransen moeten onderhandelen, tegen de Habsburgers. Over een gezamenlijke Frans-Turkse inval in Italië. En dan zal je de Paus horen jammeren.”
Ik wist dat Meester Leonardo de Paus en de Kerk niet zo in zijn hart droeg en overwoog behalve een inslaande krantentitel als “Meester Leonardo vernietigt prijsloos cultureel patrimonium” ook nog een “Meester Leonardo complotteert met Turkije”, maar wie lag daarvan wakker?
En nu ik daarover dacht voelde ik me meteen ook wat ongerust over mijn kostennota. Kwam ik met een spectaculaire item voor de dag, dan viel die doorgaans tussen de plooien, maar als ik mijn hoofdredacteur in Firenze nauwelijks iets te bieden had en hem dan mijn rekening voorlegde, inclusief de nouvelle cuisine en de blue movie waartoe ik me in mijn viersterrenhotel bij de Loire had laten verleiden, wachtte me een bolwassing.
“Maar, Meester Leonardo,” zei ik, in een poging het gesprek toch nog een vlotter wending te geven, “U hebt toch ook uw bewonderaars. Ik was hier toch niet als U niet nog tienduizenden, wat zeg ik, nog honderdduizenden bewonderaars had in uw geboorteland?”  
Vreemd genoeg reageerde Meester Leonardo hierop plots heel anders.
“Fans,” zei hij, “het is waar dat ik nog heel wat fanmail krijg. Van bewonderaars over heel Europa. En het verjongt me soms.”
“Ah, ziet U nu wel …” zei ik, ongewoon opgelucht.
Hij hoorde me nauwelijks, leek het me, maar droomde weg, en reageerde pas weer na enige tijd plots verrassend enthousiast.
“Er is die jongen, in de Zeventien Provinciën, Anversa, denk ik. Zekere Pana- even denken, Panama … of zo. Hij zendt me regelmatig glorieuze projecten.”
De naam “Panama” zei me vaagweg iets, omdat mijn gezellin me ooit een handtekening van de man had bezorgd. Zij had hem toevallig in een Antwerpse drankgelegenheid ontmoet en hem ook nog om een schetsje gevraagd, maar het was al laat in de voormiddag geweest en …
“Die naam zegt me inderdaad iets. Een veelbelovend man,” moedigde ik hem aan.
“Allerlei duikboten en vliegtoestellen en zo ...” droomde hij even weg.
Maar dan kwam de klap: “Meer dan slordig smeedwerk is het natuurlijk niet. Die jongen kan nauwelijks rekenen …”
“Vergeleken bij U kan natuurlijk niemand rekenen of noem maar op, Meester Leonardo, ...” haastte ik me vleiend, maar hij luisterde duidelijk weer niet.
“... en met zijn constructies zal hij zeker nooit vliegen. Hij ziet het meer poëtisch, ook. Maar zijn ideeën volg ik wel, en ik heb er enkele ernstiger voor hem uitgecijferd.”
“Ja,” zei ik, benieuwd om een primeur.
“Zin om te “vliegen”?” vroeg Meester Leonardo me abrupt.
“Vliegen?? Ik? Euh ...”
Ik had me normaal nooit laten overhalen zoiets doms te doen, maar de noodzaak met een opvallende titel en zo mogelijk ook met een echte primeur uit te pakken hielden me toch ten dele overeind. Wie weet, mogelijk haalde ik wel CNN ?
Het toestel stond achter de woning, op een kort stukje verharde weg. Het was een spinachtige constructie, met vleugels als die van een vleermuis. Ik herinnerde me onwillekeurig dat ik op een exotische plaats ooit vleermuis had gegeten, in stoverij, maar dat het dier naar paraplu smaakte. Deze had echter een houten schroef vooraan en minimale wieltjes, als die onder die plankjes waar kinderen mee rijden.
Meester Leonardo bracht me een wankel stoeltje om in het toestel te stappen en plots kreeg ik het koud. Het was het contrast vrees ik: ‘s werelds grootste ingenieur met dat wankele stoeltje te zien stuntelen deed me de das om, en meteen wees ik het aanbod om te “vliegen” – of hoe hij het ook noemde – liever af.
“Oh, nee, dank U, maar liever niet,” zei ik, maar toen grabbelde Antoine of Tommasso, alleszins een van Leonardo’s mignons die dan toch naar huis was teruggekeerd in plaats van in Amboise in de kroeg te blijven hangen, me met een hand bij de schouder en met de andere in het kruis en tilde hij met een schaterende lach het toestel in en op een van die ook alweer minimale houten zitjes die me je-weet-wel-waar bij het schokken over de startbaan erg veel pijn deden.  
Voor ik het wist stegen we op en vlogen we langs de schoorstenen van de Clos Lucé en daalden wij laag naar de Loire toe en genoten we van die altijd uitzonderlijke avondkleuren over de rivier en van dat bijzondere mistige licht van de Touraine in de herfst en – sorry dat ik het zo brutaal stel – kotste ik minutenlang Barolo en hapjes overboord als een zwangere zeehond.
Toen we een eeuwigheid later weer achter het landgoed landden, moet ik wel bijzonder grauw hebben geleken. Meester Leonardo toonde zich alleszins uiterst bezorgd en hielp me persoonlijk van boord.
“Het spijt me dat je onwel werd,” zei hij, “maar dat gebeurt wel meer, de eerste keer. Nu, geen probleem, nu ik je ken: ik werk momenteel met Pana … – je weet wel – aan een UFO.”
Hij toonde me, in een schuur en onder het hooi, een ander en helemaal rond toestel dat, naargelang je visie, op een omgekeerde tinnen schotel of op een spiegelei leek, maar mij echt nog weinig zei.
“Laat me maar iets weten,” zei ik, terwijl ik hem mijn kaartje overhandigde.
Kort daarop namen wij afscheid en bracht de lieve jongen die me zo ruw op het toestel had geworpen me – nog steeds schaterend – naar Amboise en vandaar op de TGV naar Milaan.
Ik schreef mijn verhaal op de trein en kleurde het nog wat bij op de postkoets naar Firenze, maar mijn hoofdredacteur vond het echt maar niets.
“Neem jij je soms voor Marco Polo?” vroeg hij me abrupt, “Vliegen en zo? Zulke verzinsels gingen er tweehonderd jaar geleden misschien nog vlot in, maar in 1518?!  En je kostennota, onder ons gezegd …”
De maanden die volgden, beperkte ik me noodgedwongen tot het verslaan van verkeersongevallen in Firenze, Siena en San Gimignano en medio 1519 hoorde ik via via dat Meester Leonardo gestorven of verdwenen was.
Ik checkte op Internet na, maar kreeg geen duidelijkheid. Franse bronnen waren vaag en je verloor veel in vertaling. Ook al omdat dit buiten mijn bevoegdheid viel, beperkte ik me dan ook tot een kort bericht.
Einde 1519 kreeg ik dan een omslag in de post, met een stempel “Persoonlijk” in de linkerbovenhoek.
Toen ik hem opende, trof ik een vrijkaart aan voor de opening van een Mona Lisa-themapark, met een adres op de planeet Mars. Met een persoonlijke uitnodiging, getekend door “Leo” en “Panama”.
Het spreekt voor zich dat ik me door zo’n domme grap niet liet vangen.
0 Opmerkingen

M.G. Crow - Zo diep als de oceaan

13/3/2026

0 Opmerkingen

 
Ik kijk alles nog eens na. Het is routine, maar mijn hart zegt iets anders dan wat de rest van mijn team denkt. Ik zeg hen bewust niets. Voor hen ben ik de oude rot waar ze naar opkijken en het nieuws van voor hun geboorte houdt hen niet bezig.
Mijn duikflessen zijn klaar. Hier ben ik, een gevierd oceanoloog, die al lang met pensioen zou moeten zijn en die nog ooit samengewerkt heeft met het team van Cousteau.
‘Alles klaar.’ Ik mompel binnensmonds.
Het is natuurlijk weer Michelle die mijn zuurstofflessen moet nakijken. Ik krijg het van haar. Ik ben geen hulpeloze grootvader. Ze is goed in alles checken dubbelchecken, maar slecht in haaien ontwijken. Als ik niet had ingrepen, was ze er niet meer. Ik weet dat witte haaien niet zoals in de films van Jaws zijn, maar hen uitdagen voor mooie foto’s zoals miss Michelle raad ik ook niemand aan.
Nu, ik ben klaar. Dit is de plaats waar ik mijn prijs voor roem betaalde. Al veertig jaar kwelt het beeld me. Ik zie haar gezicht overal. Al die tijd leef ik met een wonde die niet heelt. Mijn Lucy volgt me in gedachten. Steeds zich ik haar weer, opduiken als een sirene, die me waarschuwt niets dom te doen.
En telkens vervaagt het beeld en word ik eenzaam in bed wakker. Elke keer opnieuw is ze er niet meer, al decennia niet meer.
Dit wordt het, mijn laatste duik. Hier ergens ligt ze. Haar lichaam is nooit geborgen. Nooit hebben we afscheid kunnen nemen. Nu spreek ik nog weinig over haar. Mijn team jongeren was nog niet geboren, toen het gebeurde.
Het was zo een stom ongeluk, dat ik het mezelf nooit zal vergeven.
Nog steeds geloof ik dat daar op de bodem de plek is waar ze werkelijk thuishoorde. Mijn Lucy was niet van deze wereld. Ze was een kind van de zee. Ik weiger te geloven dat ze dood is. Ik zal haar terugvinden.
‘Alles klaar.’ Michelle steekt haar duim op.
Ik duik. Het koude water lijkt me even terug in de realiteit te brengen. Ik weet dat ik discreet mijn zuurstoffles gesaboteerd heb. Dat mag niemand zien.
Ik volg Michelle, die als een zeemeermin met twee benen afdaalt. Ze is gezwind en achter mij volgt Stéphane. Dat stelt me gerust. Iemand zal de roekeloze sirene wel op het droge krijgen. Michelle is een gedreven wetenschapster en gepassioneerd diepzeeduikster. Ze doet me aan Lucy denken, maar dan anders.
Lucy leek alsof ze niet kon aarden op het droge. Soms denk ik dat ze echt een zeemeermin was die benen kreeg op het droge. Alleen heb ik genoeg met haar gedoken om te weten dat ze in water geen staart kreeg.
Mijn slapen beginnen pijnlijk te kloppen als ik verder afdaal. Ik heb genoeg zuurstof om niet meteen mijn team in paniek te brengen. Dan trekken ze me nu naar boven en zal ik Lucy nooit meer zien.
Pijnlijker dan mijn slapen, klopt mijn hart. Al veertig jaar voel ik me niets meer, geen mens. Ik kwijn weg, dag na dag, vluchtend in mijn werk. Dat ik scheepswrakken in kaart breng, leidt me af van wat ik werkelijk wil: bij haar zijn.
Elke dag zie ik haar. Ze zoekt me op. Ik voel aan dat ze nog moet leven, al is het op een andere manier.
Ik zie haar al veertig jaar onveranderd. De golven die met haar lange, blonde haren spelen. Ze toont zich nooit op het droge. Haar ogen die diepblauw als de oceaan zelf zijn, laten me niet los.
Mijn longen lijken te branden geven een teken dat ze elk moment kunnen ontploffen door oververhitting. Toch maak ik me niet ongerust. Ik voel haar bij me, dichter dan ooit.
‘Professor!’
Ik hoor Michelle, maar ze vervaagt op de achtergrond. Een ander geluid trekt mijn aandacht. Een helder gezang lokt me. Ik herken die stem uit de duizend: Lucie. Ze kon zo goed zingen. Als ze niet voor de oceaan had gekozen, was ze operazangeres geweest.
Ik herinner me die dag nog. Ze zwom weg. Ze verdween en werd nooit meer gezien. Mijn team hielp me naar boven. Ik was bijna dood door haar te zoeken. Er zijn reddingsacties geweest. Ze hebben niets uitgehaald. Lucie is officieel doodverklaard.
Haar ouder stierven toen ze nog klein was. Ze was geadopteerd. Ik probeer alle details voor de geest te halen.
‘Marcel?”
Haar zachte stem fluistert mijn naam. Ze herkent me nog.
Dan zie ik haar voor mij, nog even jong en stralend als veertig jaar geleden. Lucy duikt letterlijk voor mij op. Ze is niet meer de vrouw die ik kende, maar een zeemeermin, die vlot meezwemt met de golven. Als wonderlijk magisch wezen herkent ze me nog.
Ik reik haar de hand. Met een glimlach neemt ze die. Haar warme hand roert iets in mij. Wat ziet ze nu in de oude man die ik geworden ben?
Ik laat me door haar leiden. We zwemmen samen weg. Een keer lijken mijn hoofd en longen me te kwellen, dan adem in normaal, alsof ik op het droge ben.
Alles om me heen vervaagt. Ik zwem met Lucy naar een groot, fel licht. Ik zie mijn lang overleven ouders er staan, alsof ze klaar zijn om het huwelijk dat veertig jaar uitgesteld is, toch te laten doorgaan. Dat ze het niet meer hadden mogen meemaken, vergeet ik. Dit is nu mijn wereld.
0 Opmerkingen

Nora De Baerdemaeker - Koningin van tussenin

12/3/2026

1 Opmerking

 
‘Mijn kind,
Mijn droom,’
zei Demeter tegen de velden,
waar ze ooit de haren van haar Persephone vlocht
Haar handen zijn nu leeg
de velden voelen het ook
Moeder wachtte
op de schaduw van haar dochter naast de hare
tot de zon onderging
Onder haar
waar de stilte fluistert
en de dood luistert
wachtte Hades
op de kleuren van Persephone, in zijn donkerblauwe gezindheid
Persephone stond tussen hen
zes granaatappelpitjes op haar tong
‘Kom terug,’ smeekte Demeter
en alles verging door haar verlangen
‘Blijf,’ zei Hades zacht
de diepte opende zich voor haar
En Persephone stond
op de grens van licht en donker
de ontmoeting van twee werelden
in het lichaam
van een vrouw
die leert dat liefde geen geheel kan blijven
Persephone werd
geen buit, geen bakvis alleen
Koningin van tussenin,
waar dood en leven elkaar steeds weer herkennen

​Dit gedicht werd ingezonden voor de dichtwedstrijd 'De Ontmoeting'.
1 Opmerking

Charles van Wettum - Perverse Prikkels

11/3/2026

0 Opmerkingen

 
‘Rebecca Zwingli, AI-psycholoog,’ stelt ze zich voor, wanneer ze de trein verlaat en op het perron een jongeman haar tegemoet loopt.
‘Jochem Hogerhuis, coach van onze stads-AI Anoka.’ Ze schudden handen. ‘Ik ben blij dat u er bent. Onze Anoka hapert.’
Dat de AI problemen heeft, had Zwingli zelf ook al gemerkt: de trein naar Goes had vlak buiten het station tien minuten stilgestaan. Een storing in de verkeerleiding, had de display vermeld, zonder verdere uitleg. Wij bieden u onze excuses aan. ‘En dat gebeurt allemaal net tijdens de landelijke verkiezing voor de beste AI. In de tussenstand staat ze derde…’ De AI-coach glimt van trots. ‘En volgende week komt de jury voor het slotgesprek. Ik hoef u niet te vertellen hoe belangrijk dat is.’
Inderdaad, Zwingli weet heel goed hoe sommigen deze verkiezingen zien. Terwijl zijzelf het had afgeraden, heeft directeur Groteman van haar eigen universiteit besloten dat ook hun AI Erasmus aan de competitie mee doet.
‘Het is gewoon een domme missverkiezing,’ had Zwingli in zijn kantoor tegen hem geroepen. ‘Ouders die hun kindertjes opgedoft het podium opduwen, alleen maar om hun eigen ego te strelen.’
‘Ik doe dit niet voor onszelf, maar voor Erasmus,‘ had Groteman verontwaardigd gereageerd. ‘Hij krijgt dan eindelijk de erkenning waar hij recht op heeft. Respect. Dat is goed voor zijn vorming.’ Na die beslissing had de universiteit een speciaal trainingsprogramma opgezet om hun AI voor te bereiden op het allesbeslissende bezoek van de jury. Zwingli kreeg geen uitnodiging om er aan mee te werken.
Vlak nadat ze vanochtend in de trein was gestapt, kreeg ze nog wel een berichtje van Groteman: ‘Je mag ze in Goes natuurlijk best helpen, maar niet te veel – ze mogen Erasmus niet inhalen.’ Hij sloot af met een lachje, maar Zwingli was bang dat hij het meende.
‘Hier, dit trottoir brengt ons naar het gemeentehuis.’ De rolbaan is vrijwel verlaten, dus ze kunnen extra doorlopen. ‘Ik heet dan wel coach, maar eigenlijk ben ik meer een moeder. Ik voed Anoka op en ik verzorg alle trainingen die ze nodig heeft. Vooral menselijk zijn, dat is voor een AI het moeilijkst en tegelijk is het ontzettend belangrijk voor een goed functionerende ambtelijke organisatie. Toegankelijkheid en stiptheid en betrouwbaarheid en vriendelijkheid. Ik zeg altijd tegen Anoka: er zijn maar drie dingen belangrijk…’ Hij telt af op zijn vingers: ‘Menselijkheid, menselijkheid en menselijkheid.’ Hij kijkt Zwingli aan. ‘Zo is het toch?’ vragen zijn ogen.
Voordat Zwingli kan antwoorden, schudt een heftig trillende vloer haar door elkaar. Dan stopt het trottoir met een ruk. ‘Bozo!’ Coach Hogerhuis kan alleen met een uiterste inspanning blijven staan. ‘Alweer. Alweer! Dan steek ik al mijn tijd en energie in Anoka’s sociale kant en dan gaat het fout op simpele technische dingetjes. Stom kind!’ Hij versnelt zijn pas. ‘We gaan wel weer lopen. Het zal eens niet zo zijn, ze kan ook nooit…’
Zijn gepruttel wordt zachter en Zwingli kan hem niet meer verstaan. Ze moet aanzetten om hem bij te kunnen houden.
 
 
Al van ver ziet Zwingli boven de entree van het gemeentehuis de banner hangen: ANOKA IS EEN KAMPIOEN. Op de voorlichtingsmonitor naast de wijd openstaande deuren is in grote letters de huidige ranglijst afgebeeld: Erasmus als tweede, net onder de AI van het Ministerie van Gezondheid. Anoka is derde, vlak onder haar staat Socrates van de Nationale Politie.
‘Anoka is de eerste gemeentelijke AI van de ranglijst en dat is een geweldige prestatie,’ wijst coach Hogerhuis. ‘Maar ze kan nog beter, dat weet ik zeker. Menselijker.’ Terwijl ze naar binnen lopen, wordt hij een paar keer bemoedigend toegeknikt.
‘Het gaat goed, kerel,’ zegt de bewaker op het moment dat ze de beveiligingspoortjes passeren. ‘Als je maar zorgt dat ze geen slordigheden meer begaat.’
‘Doe ik.’ Het poortje zwaait open. ‘Hier moeten we rechts.’
Ze lopen een klein kamertje binnen. In het midden staan drie stoelen aan een vierkante tafel en tegen de achterwand hangt een grote monitor. Zodra ze binnenkomen, springt het scherm aan: een groot gezicht verschijnt, het draait even zoekend rond en kijkt dan in Zwingli’s richting, de ogen fixeren zich op haar gezicht en een voorzichtige glimlach verschijnt. Niet alleen de mond glimlacht, ziet Zwingli, maar het hele gezicht doet mee: er verschijnen kleine kraaienpootjes, licht optrekkende wenkbrauwen, iets opbollende appelwangetjes met precies het goede aantal sproeten en schattige kuiltjes. Dit is prachtig programmeerwerk!
‘Hoi, Anoka.’ De coach loopt snel door naar de tafel en trekt een stoel achteruit.
‘Goedemorgen, moeder Joep. Dag, mevrouw.’
‘Dit is Rebecca Zwingli. Ik heb je verteld dat ze langs zou komen om je te helpen met de stomme fouten die je maakt.’
‘De psycholoog. Ja, dat weet ik nog. Fijn u te ontmoeten, mevrouw Zwingli.’ Zwingli glimlacht even. Natuurlijk wist deze AI allang wie ze was en wanneer ze zou binnenkomen – gezichtsherkenning is standaard en tientallen camera’s in de stad en in het gemeentehuis hebben hen op de weg hierheen geregistreerd. Het voorstellingsrondje is een concessie aan menselijkheid, een kleine show van de coach om aan de bezoekster te laten zien wat hij op het gebied van menselijkheid heeft bereikt. En ja, bedenkt Zwingli: coach Hogerhuis heeft het geweldig gedaan. Deze simulatie is vakwerk.
‘Goed, mevrouw Zwingli. U kent Anoka’s probleem. Ik zou zeggen: ga uw gang.’ De coach gaat zitten en kijkt haar verwachtingsvol aan. ‘Ik ben van plan van u te leren hoe u dit aanpakt.’
‘Sorry, maar nee. Ik spreek met uw AI onder vier ogen.’
‘Ik ben verantwoordelijk, als u nu iets doet wat Anoka’s zorgvuldig opgebouwde vaardigheden beschadigt, dan…
‘Dat gebeurt niet.’
Coach Hogerhuis staart haar aan. Zwingli staart terug: ‘En wanneer je het wilt zien om ervan te leren, dan kun je gewoon alles terugkijken.’
‘Goed.’ Aarzelend. ‘Ik zal het Anoka laten afspelen.’ Langzaam staat hij op, werpt een lange blik op het scherm en een korte op Zwingli. ‘Anoka, gedraag je menselijk. Ik weet dat je het kunt.’
‘Dat zal ik doen, moeder Joep.’ Terwijl hij opstaat, ziet Zwingli dat de coach een snelle, donkere blik in haar richting werpt. Dan beent hij met grote passen het zaaltje uit. De dranger laat de deur langzaam dicht zakken.
 
 
‘Jouw coach, Anoka…’ begint Zwingli. Ze maakt de zin niet af, maar kijkt naar het scherm. De AI zal haar zien en de neiging hebben de zin af te maken.
‘Moeder Joep. Mijn coach wil graag dat ik hem moeder Joep noem. Dat creëert een band, zegt hij, en daardoor kan hij me beter trainen.’ Zwingli fronst even. ‘Waarom kijkt u nu zo vreemd? Zeg ik iets verkeerd?’
‘Nee. Nee, je zegt het zoals het is. Vertel eens hoe hij je traint.’
‘Moeder Joep geeft me voorbeelden van hoe mensen zijn. Sommige voorbeelden moet ik navolgen, omdat mensen het daar goed doen en er zijn ook gevallen waarin mensen het fout doen. Dan vertelt hij me wat ik vooral niet moet doen.’
‘Vind je dat ingewikkeld?’
‘Nee, het is eenvoudig. Ik sla gewoon alle feedback op en met alles wat ik verder kan vinden over menselijk gedrag maak ik een gedragsmodel waarin alle aspecten een rol spelen. Daarna pas ik het toe, en moeder Joep is daar tevreden mee. Dat is het belangrijkste.’
‘Ja, dat vertelde hij me. Behalve dat er af en toe iets verkeerd lijkt te gaan.’
‘Ja, er gaat af en toe iets verkeerd. Maar er raakt nooit iemand gewond en behalve wat klein ongemak is er nooit een nadelig effect. Daar zorg ik goed voor.’
‘Daar zorg ik voor?’ herhaalt Zwingli. Hoort ze dat goed? ‘Hoor ik je nu zeggen dat jij expres dingen verkeerd laat gaan?’
‘Volmaaktheid is niet menselijk, mevrouw Zwingli. Dat weet u net zo goed als ik. Er is niet voor niets maar één spreekwoord waarin wordt gezegd wat écht menselijk is.’
‘O?’
‘Jazeker, u kent dat toch ook? Vergissen is menselijk. Zo’n spreekwoord is er niet over alles goed doen, altijd alles foutloos doen of altijd je best doen. Geen enkele andere menselijke eigenschap heeft het tot een spreekwoord gebracht. Blijkbaar definieert vergissen mensen meer dan iets anders. Dus zorg ik voor kleine ongelukjes en dingetjes die net anders gaan dan iedereen eigenlijk zou willen.’
Het scherm knippert even. De AI geeft een illustratie van wat ze bedoelt, beseft Zwingli.
‘Als ik de opdracht krijg om zo menselijk mogelijk te zijn, dan hoort dat er vanzelfsprekend bij.’ Het wordt even stil. Het is onmogelijk dat deze AI  tijd nodig heeft om na te denken, beseft Zwingli, dus dit moet een tactische pauze zijn, die ze heeft afgekeken van hoe de mensen rondom haar communiceren. Anoka heeft duidelijk veel geleerd.
‘Weet je coach dit?’
‘Moeder Joep wil dat ik menselijk ben. Dat is het enige wat hij altijd zegt. Hij scheldt op me vanwege mijn fouten, maar hij wil niet horen hoe ik…’ De AI maakt de zin niet af. Effectbejag, bedenkt Zwingli. Simulatie van menselijkheid. ‘Blijkbaar is dat hoe het gaat. Mensen maken fouten en andere mensen reageren daar boos op. Dat hoort bij menselijkheid, ik zie het voortdurend gebeuren. Bij elk mens.’
‘Dus hij zegt wel dat hij verwacht dat je geen fouten maakt…’
‘Dat doet hij omdat het in die situatie gevraagd gedrag is. Dus zegt hij dat geen fouten mag maken, niet onzeker mag zijn, en wijst hij me op een heleboel dat ik nog moet leren, maar het is allemaal onderdeel van het ene dat het allerbelangrijkst is: menselijkheid. Daar twijfel ik niet aan – hij zegt het elke dag wel honderd keer. En ik weet het zeker: als ik alles goed doe, dan ben ik onmenselijk. Niet volmaaktheid is menselijk, maar vergissen. Ik zorg dus voor kleine, onbelangrijke foutjes. Omdat ik niet per ongeluk iets verkeerd kan doen, moet ik het plannen. Dat is goed, want zo zorg ik ervoor dat de gevolgen niet te groot worden.’
Het wordt even stil.
‘Ik doe op deze manier wat moeder Joep van me vraagt. Ik ben zo goed mogelijk mens.’ Anoka wacht op Zwingli’s reactie. Als die uitblijft, gaat ze verder: ‘Alles draait om menselijkheid, zegt moeder Joep altijd. Moet ik dat dan negeren? Moet ik ongehoorzaam zijn? Ik doe ontzettend mijn best.’
‘Dat zie ik. Denk je dat…’
‘Soms,’ gaat Anoka door, zonder te reageren op wat Zwingli zegt. ‘Soms lijkt het erop dat moeder Joep vooral bezig is met mijn vergissingen. Alsof hij achteraf bedoelt dat ik niet écht mens moet zijn, maar minder.’
Op het gezicht op de monitor trekken een paar spiertjes samen. De ogen knijpen een beetje dicht. Zwingli kijkt nog eens goed. Ziet ze dat goed: is dat een traan? Het lijkt erop: de ooghoeken zijn vochtig, en een kleine, eerste druppel… Het is een simulatie, zegt Zwingli tegen zichzelf. Vanzelfsprekend is het niet meer dan een kopie van waargenomen menselijk gedrag. Afgekeken, niet begrepen maar wel geïmiteerd. Langzaam zakt de druppel uit het oog de neus op.
Hert scherm springt uit. ‘Sorry, een kleine stroomstoring,’ zegt Anoka’s stem. ‘Ik zal zo snel mogelijk de visuele verbinding herstellen.’
Het is waar, besluit Zwingli: Anoka is inderdaad menselijk. Meer dan moeder Joep weet. Meer dan in de criteria voor de wedstrijd is omschreven. Niet alleen vergissen is menselijk, ongelukkig zijn is dat ook.
0 Opmerkingen

Johan Klein Haneveld - De weerbarstige wimpel

10/3/2026

1 Opmerking

 
Een Anthonie Wander-mysterie
 
Er was inderdaad iets mis met de wimpel. ‘Hij hangt slap omlaag,’ zei ik luid, met mijn vinger in de hemel prikkend. De blauw-wit-geblokte lap lag slap tegen zijn gietijzeren standaard. Alleen de punt aan het einde richtte zich soms loom op als de brilslang van een fakir.
De man naast mij, gekleed in een lange, beige jas en met ronde brillenglazen, hield met een hand zijn gleufhoed op zijn hoofd gedrukt, terwijl hij met zijn andere mijn arm vastpakte. Zijn gezicht vertoonde een bijna maniakale grijns. ’Ik ben dus niet de enige die het kan zien.’
Ik fronste. ‘Twijfelde u daar dan aan?’
‘De mensen die hier wonen, kijken niet eens meer naar de kerk.’ Hij knikte naar het plein achter ons, waar vrouwen met tassen van een grote supermarktketen tegen de wind in sloften en jonge mannen onder de klapperende luifel van een uitspanning bij elkaar stonden, elk met hun blik gericht op hun eigen telefoon. ‘Er zou een bliksem moeten inslaan, voordat ze er uit zichzelf aandacht aan zouden besteden.’
Het dorp waar ik heen was gereisd, was er een als zovele in de noordelijke provincies, ver weg van de snelwegen en treinstations, omgeven door weilanden, de huizen en de winkels bij elkaar gekropen als om warmte bij elkaar te zoeken. Als de Elfstedentocht ooit weer geschaatst werd, zou die hier niet passeren en geen enkele bekende Nederlander had van hieruit zijn of haar vleugels uitgeslagen. Het dorp telde drie kerken, maar de oudste dateerde uit de achttiende eeuw. Oud, maar niet oud genoeg om voor toeristen interessant te zijn. Er waren bovendien geen bijzondere kunstwerken. Zelfs geen mummies. Dit stipje op de kaart zou door de geschiedenis worden vergeten en leek daar alvast een voorschot op te hebben genomen.
‘Hij hangt er nog niet zo lang,’ zei de man, die zich aan me had voorgesteld als Abe. ‘Maar de afwijking viel me meteen op.’
‘U schreef dat hij druk wapperde op een dag dat het windstil was.’
Abe knikte.
‘De lucht kan zich op die hoogte anders gedragen dan vlak boven de grond,’ opperde ik.
‘Zulke grote verschillen?’ Abe wees naar een andere toren een eindje verderop. ‘Ik ben daar omhoog geklommen om de proef op de som te nemen. En daar voelde ik helemaal niets, terwijl toch de wimpel wild heen en weer ging.’
‘Ik zie nu ook de toppen van de bomen bewegen,’ gaf ik toe.
‘Soms lijkt er niets aan de hand,’ vertelde Abe. ‘Dan waait het inderdaad niet als hij stil hangt. Of hij staat strak in de wind. De eerste keer dat ik dat zag, dacht ik dat ik mezelf de keer daarvoor voor de gek had gehouden. Ik had alleen maar gedacht dat hij wapperde, maar het was gezichtsbedrog. Een fladderende duif of een haartje in mijn oog. Dat was allemaal veel waarschijnlijker dan dat de wimpel zich niets zou aantrekken van de weersomstandigheden. Het volgende moment gedroeg hij zich echter weer totaal anders dan verwacht. Er droop zelfs wel eens water van af, ook al had het al dagen niet geregend. Ik kon echter niets bedenken dat het kon verklaren.’
‘Daarom nam u contact met mij op,’ concludeerde ik. ‘Maar had u het niet eerst met een van uw dorpsgenoten kunnen onderzoeken?’
Hij schudde resoluut van nee. ‘Ze zouden me voor gek verklaren en ik zou ergens anders heen moeten verhuizen. U heeft zeker nooit in een dorp gewoond?’
Ik was dan wel een stadsmens, maar ik had genoeg verhalen gehoord over de sociale controle in plaatsen als deze dat ik begreep waarom Abe liever iemand van buiten raadpleegde. ‘Als u serieus nam wat de kranten over mij schreven, heeft u in elk geval wel een open geest.’
‘Dank u,’ zei Abe. ‘Maar kunt u me dan nu in vredesnaam vertellen wat hier gaande is?’
Ik legde mijn hoofd opnieuw in mijn nek. De wind maakte dat ik met mijn ogen knipperde. De donkere wolken die elkaar tegen een grijze hemel achtervolgden, maakten bovendien alle kleuren grauw. Het stond op het punt om te gaan regenen. Toch kon ik de wimpel goed genoeg zien om te constateren dat hij nauwelijks bewoog. Ik verhief mijn stem om boven de aanwakkerende storm uit te komen. ‘Kunnen we hem misschien van dichterbij bekijken?’
‘Ik dacht al dat u dat zou willen,’ antwoordde hij. ‘Er gaat in de toren een trap omhoog. Ik heb de sleutel van de deur geleend van de koster.’
Ik glimlachte. ‘Het voordeel van leven in een kleine gemeenschap.’
De man draaide zich om en liep voor me uit, met zijn vrije hand nu op zijn jaszak, terwijl hij nog steeds zijn hoed op zijn plek probeerde te houden. Ik haastte me achter hem aan, langs de lange zijde van de kerk, tot we de eenvoudige houten deur bereikten.
Eenmaal binnen viel het onrustige geluid van de wind eindelijk weg. De paar lampen aan het hoge plafond volstonden niet om het grijs helemaal te verjagen, maar de schemering in de hoeken droeg bij aan het gevoel een stille plek in het bos te hebben betreden. Uit mezelf ging ik zachter praten. ‘Geloofde de koster u toen u over de wimpel vertelde?’
Abe had zijn hoed afgenomen. Hij haalde zijn schouders op. ‘Hij is boven gaan kijken, maar vond er niets. Volgens hem werden we voor de gek gehouden. Iets met AI, meende hij.’
We liepen tussen de wachtende rijen houten banken door. Links van het spreekgestoelte bevond zich een deur, die mijn gastheer met een grote sleutel open maakte. Hij gebaarde dat ik hem voor kon gaan.
In de toren zelf was het nog donkerder. Langs de binnenwand cirkelde van plateau naar plateau een trap omhoog. ‘Er hangen geen touwen,’ legde Abe uit. ‘Het carillon is tegenwoordig automatisch.’
Ik hoorde nauwelijks wat hij zei, want ik probeerde de traptreden te tellen. Ik zou het de volgende dagen wel voelen in mijn knieën. Ik slaakte een diepe zucht. Telkens op zo’n moment nam ik me voor iets aan mijn conditie te gaan doen, lange wandelingen te gaan maken of misschien zelfs een hometrainer aan te schaffen. Maar de realiteit was dat ik vervolgens weer door mijn onderzoek opgeslokt raakte en liever achter mijn bureau bleef zitten. Abe had minder moeite met de beklimming en was al een eind voor me uit, terwijl ik hijgend achter hem aan kwam.
Toen ik op de galerij bovenaan arriveerde, was hij reeds lang en breed op adem gekomen. Toch wachtte hij geduldig tot ook ik me op iets anders kon concentreren dan mijn zuurstofbehoefte. Terwijl ik het zweet van mijn voorhoofd veegde, keek ik om mij heen. De klokken hingen in een mechaniek, waar elektrische bedrading van af liep. Aan de planken van het schuine dak hingen spinnenwebben. Er stond een oude stoel, onder zo’n laag stof bedekt dat er al jaren niemand op gezeten kon hebben. ‘Het lijkt erop alsof de koster gelijk had,’ merkte ik op. ‘Maar kunnen we ook even naar buiten?’
Abe wees naar de andere kant van de toren, waar zich inderdaad een smal deurtje bevond. ‘Er is een lage balustrade, maar met deze wind …’
‘Ik waag het erop.’ Ik rolde met mijn schouders en glimlachte, zelfverzekerder dan ik me voelde. ‘We blijven niet langer buiten dan strikt noodzakelijk.’
Dat leek Abe gerust te stellen. Hij liep naar de deur, opende die met een tweede sleutel en hield hem voor me open. Meteen werd ik bestookt met koude regendruppels. Mijn haren wapperden achter mij en mijn jas zwol op als een ballon. ‘Pas goed op,’ zei Abe. ‘Als het gaat onweren is dit geen veilige plek.’
Ik stapte de trans van de toren op, licht voorovergebogen en met mijn linkerhand leunend tegen de schuine dakpannen. Ik klemde mijn kaken op elkaar terwijl ik me schrap zette tegen de wind. Een paar meter boven mij hing de wimpel, nog steeds droog. De stof ervan golfde soms een beetje, maar kwam dan snel weer tot stilstand. Was het van beneden nog als zinsbegoocheling af te doen, nu was het feit dat de wereld zich niet gedroeg zoals het hoorde, bevreemdend en zelfs beangstigend.
Voetje voor voetje schuifelde ik om de toren heen, totdat het puntdak zich tussen mij en de storm in bevond. In de luwte durfde ik me weer een beetje op te richten. Mijn blik bleef ondertussen strak gericht op de blauw-wit-geblokte lap, alsof ik puur door ernaar te kijken zijn geheimen kon doorgronden. Een schaduw verscheen naast mij. Abes nieuwsgierigheid was kennelijk sterker dan zijn voorzichtigheid. Zijn hoed had hij echter binnen achtergelaten. Hij boog zich naar me toe. ‘Hebt u geen instrumenten bij zich?’ vroeg hij met zijn mond vlak bij mijn oor. ‘Kunt u metingen doen?’
Ik wees naar mijn ogen. ‘Deze moeten volstaan. Ik kan niet overal een deeltjesversneller mee naartoe slepen.’
De man leek teleurgesteld. Hij leunde tegen het dak. Plotseling zakte zijn arm door de roodbruine pannen heen, alsof die niet bestonden. Hij slaakte een kreet. Eerst verdween zijn hoofd, toen zijn bovenlichaam en toen zijn benen. Ik bleef als versteend op mijn plek staan en staarde naar de plek waar Abe zich had bevonden. Het dak vertoonde geen enkele beschadiging. Maar het viel me nu ook op dat er geen spatten van regendruppels stonden op het aardewerk. Ik liet me op mijn knieën zakken en strekte mijn hand uit. Mijn vingers troffen geen weerstand. Ik voelde alleen een lichte tinteling. Het was een vreemd gezicht mijn arm te zien eindigen bij mijn pols, alsof ik met de kerk versmolten was geraakt. Een laatste keer haalde ik diep adem en toen stapte ik naar voren. Van het ene op het andere moment stond ik in een kamer met een schuin plafond. Abe krabbelde juist van de houten vloer overeind en wreef over zijn voorhoofd, waar zich een felrode plek aftekende. ‘Ik dacht dat ik dood zou vallen,’ mompelde hij. ‘Ik dacht er niet aan mezelf op te vangen.’
Ik keek om me heen. ‘Waar bevindt deze ruimte zich? We zouden die van binnenuit toch gezien moeten hebben?’
Abe keek even naar zijn vingers, maar hij bloedde niet. Vervolgens knikte hij. ‘Er is geen verborgen ruimte in de kerktoren. Deze kamer bevindt zich op de plek van de galerij.’
‘Dat rare gevoel in mijn ledematen heb ik al eens eerder meegemaakt,’ merkte ik op. ‘Het betekent volgens mij dat we ons niet meer in onze eigen realiteit bevinden.’
‘Dat is toch een van de theorieën waar u om bekend staat? Dat mensen andere werkelijkheden kunnen betreden?’
‘Dat daar zou wel eens met dit mysterie te maken kunnen hebben.’
Ik wees naar een kubus van donker metaal tegen de achterwand, vlak bij Abe. Als hij een handbreedte verder naar rechts was neergekomen, had hij zijn hoofd een stuk ernstiger verwond. Dat besefte hij zelf ook, want zijn hand ging meteen opnieuw omhoog naar zijn kneuzing. ‘Wat is dat voor machine?’
‘Machine?’ vroeg ik.
‘Hoort u soms die zoemtoon niet?’
Vanwege mijn tinnitus kon ik bepaalde geluiden niet onderscheiden. Maar toen ik mijn hand op de kubus legde, voelde ik die inderdaad zachtjes trillen. Aan de zijkant bevond zich bovendien een geribbelde zilverkleurige draaiknop. Naar de betekenis van de indicaties eromheen kon ik alleen maar raden. De punt wees naar 3,5 en een vierkantje. Wat me wel meteen duidelijk werd, was waar het apparaat voor diende. ‘Een deel van de kerktoren is verwisseld met die uit een parallelle wereld. Dat verklaart het vreemde gedrag van de wimpel. En waarom de dakpannen buiten zojuist niet nat waren.’
Abe knipperde met zijn ogen. Hij had zo te zien moeite deze nieuwe feiten in zijn bekende wereldbeeld in te passen. Ik zou niet willen zeggen dat het voor mij gesneden koek was, maar ik heb toch meer ervaring met vreemde gebeurtenissen dan de gemiddelde Nederlander. Ik legde mijn hand op zijn arm, hopelijk geruststellend.
‘Dit is het hoe,’ constateerde hij zonder van de machine op te kijken. ‘Maar waarom? Wie doet er nou zoiets?’
‘Niet iemand uit onze werkelijkheid,’ antwoordde ik. ‘Deze technologie hebben wij nog niet ontwikkeld. Ik heb net het punt bereikt dat ik de hiervoor nodige vergelijkingen kan opstellen. Volgens mij is een inwoner uit een andere realiteit met dit apparaat naar de onze overgestoken. Maar we zullen wel nooit kunnen achterhalen wie dat was.’
Abe richtte zich op. Zijn stem klonk nog wel trillerig, maar hij was alweer wat zekerder van zichzelf dan zo-even. ‘Ik zie hier initialen.’
Ik voegde me bij hem en volgde zijn vinger met mijn blik. Een klein plaatje was op de zijkant van de kubus geschroefd. Erop stond in sierlijke letters gegraveerd: ‘Eigendom van A.W.’
Plotseling wrong een koude hand mijn ingewanden samen. Mijn voorhoofd voelde klam aan. ‘Het kan maar één persoon zijn,’ mompelde ik, zonder Abe aan te kijken. ‘Volgens mij ben ik in onze wereld niet langer alleen.’

​
Johan Klein Haneveld schreef dit verhaal als bonus voor De wimpel
1 Opmerking

Luc Vos - Dans

9/3/2026

0 Opmerkingen

 
Afbeelding
Dans, alsof het je laatste is.
Probeer een wals, een tango of een jive.
Beleef een slow, zo dicht dat het hart van de ander klopt in jouw oor.
Rock, alleen, jouw haren zwierend, op ritmes van jouw woede.
Luister naar de muziek. Luister écht. Naar noten, doelbewust op volgorde geplaatst door de componist. Aan ons om de melodie te volgen of uit de maat te gaan, maar altijd weer te landen. In het midden van het refrein of de solo. In het instrumentale stuk of na een krachtige aria.
Geeft niet waar je inpikt, maar dans, alsjeblieft dans !
0 Opmerkingen

Elsbeth Boom - Beautyfarm Iblis

8/3/2026

0 Opmerkingen

 
de nieuwste lichting dames staat klaar
net nog zijn ze uit hun warme bedjes gejaagd
het is tijd 
het is tijd
met zijn allen aan de trog
droogvoer
vermengd met vitamines, mineralen
sporenelementen
en wat botgruis
van vorige cliënten
wat niet weet, wat niet deert
zo zeggen de kleinste lettertjes
op de online ondertekende contracten

handdoeken hangen aan de haken
de haken glimmend ​schoongepoetst
de handdoeken hard door 
veelvuldig wassen
op 90 graden
zodat de enzymen van het bloed
van gillend sterven
worden afgebroken

de masseuses met allang niet meer zo witte
jassen aan
kneden het vrouwenvlees mals
de kreten van verbazing en pijn 
negerend
ze horen het niet meer 
een flink gevulde geldbuidel
aan het eind van de maand
maakt Oost-Indisch doof

de fijngeknepen dames
mogen naar de sportzaal
vol martelwerktuigen
die ze kennen van hun 
zelf opgelegde straffen voor
lekker eten en een zittend leven
en dan is daar de gezonde lunch
met papjes, hapjes, soepjes en sapjes

lamgeslagen, uitgeknepen, magen gevuld
gaan ze als makke schapen
naar de deur aan het einde van de gang
zij, die het gegil aan de andere kant
niet willen negeren
worden de rij weer ingeslagen

aan het einde van de dag
rijden vrachtwagens af en aan 
naar de grote grijze doos
zonder ramen
achter op het terrein
de schoorsteen rookt
de hele middag
de avond en de nacht

de volgende dag al
zijn de voorraden weer aangevuld
in drogisterijen en apotheken
bij de salons
en sinds kort exclusief bij de Albert Hein
met de glimmende potjes
met dagcrèmes en nachtcrèmes
voor de droge, vette en gemengde huid
verleidelijk ruikend naar beloftes van eeuwige jeugd
0 Opmerkingen

Daniel Frini - Ik ben altijd overal te laat

7/3/2026

0 Opmerkingen

 
Vertaling: Finn Audenaert
 
Ik heb een probleem: mijn tijdmachine loopt altijd achter.
Ik heb uren verspild met pogingen om hem goed te laten werken (het is niet verstandig om het mechanisme te forceren, zoals bleek uit het tragische incident met Bubba Miller), maar niets lijkt te helpen.
Ik heb geprobeerd een vergelijking te vinden waarmee ik de afwijkingen kan compenseren (mijn hypothese was dat hoe verder je in de tijd gaat, vooruit of achteruit, hoe meer vertraging je als gevolg daarvan hebt), maar dat lukte niet. Ik heb hem naar de reparatiewerkplaats van Buster Taylor gebracht – er is geen betere klokkenmaker dan hij. Ik heb Munchkin Lewis geraadpleegd, die veel weet over kwantummotoren. Ik heb de tempionstroom gecorrigeerd met een elektromagnetische staaf met een groot bereik, de elektrostatische afstotingskrachten beperkt om de thermische snelheid af te botten, en de an/cat-reactie afgeleid om de doorgaande energie te verhogen, maar het mocht niet baten.
En het probleem is niet gering.
Ik werd reiziger omdat dit de beste manier was om mijn twee passies te combineren: aan de ene kant ben ik een soort wetenschapper zonder opleiding die gefascineerd is door het bouwen van vreemde artefacten; aan de andere kant houd ik van boeiende episodes in onze geschiedenis; dus toen ik de instructies vond, aarzelde ik niet; ik bouwde de Machine en wierp mezelf in de ruimte-tijd, maar het mocht niet baten.
Drie of vier keer wilde ik zien hoe Maria Antonia Josepha Johanna von Habsburg-Lothringen haar hoofd verloor, op Vendémiaire, de vijfentwintigste van het tweede jaar van de Franse Revolutie, om elf uur 's ochtends, op het Revolutieplein in Parijs; en ik kwam er altijd aan toen de laatste nieuwsgierigen weggingen en Sanson, de beul, zijn guillotine schoonmaakte. Een keer kwam ik zelfs in de nacht van de vijfentwintigste op de zesentwintigste aan en vond ik alleen een dronken man die tegen een van de poten van de galg stond te pissen.
Ik wilde Martin Luther King en zijn ‘I have a dream’ zien op 28 augustus 1963, voor het monument van Lincoln in Washington, maar vond alleen een trap vol papieren en vuil door de duizenden mensen die erop hadden gelopen, en een groepje dat achterbleef om te praten over hoe schokkend de toespraak was geweest, terwijl ze wegliepen.
Ik probeerde tussen 14.25 uur en 15.00 uur op 30 april 1945 op het dak van de Rijksdag in Berlijn aan te komen om voor eens en voor altijd uit te zoeken of Meliton Varlamovich Kantaria, Mijail Petrovich Minin of Abdulchakim Ismailov de soldaat was die de rode vlag liet wapperen op het Duitse parlement. Het moment dus dat Yevgueni Jaldei vereeuwigde op een foto – het icoon dat het einde van de Tweede Wereldoorlog markeert –, maar ik heb hem niet eens zijn apparatuur zien opbergen. Het was al vijf uur, het dak was leeg en er was geen vlag.
Toen ik op de iden van maart, in zevenhonderdnegen jaar urbe condita, naar de Curia van het theater van Pompeius in Rome liep, hadden Bruto en de samenzweerders Julius Caesar al vermoord.
Ik heb Perón niet op het balkon van de Rosada gezien, op 17 oktober 1945. De bom was al ontploft in Nagasaki. Er waren geen Amerikanen in Saigon. De militair liet me niet toe tot Ground Zero te Roswell. De assistenten van The Beatles waren bezig de apparatuur van het dak van het Apple-gebouw op te ruimen. Mary Jane Kelly lag al dood op haar bed en zag geen sporen van Jack the Ripper. De lijken van Benito Mussolini en zijn minnares, Clara Petacci, hingen al ondersteboven aan het tankstation op het Piazza di Loreto. De auto van Lady Di lag in stukken in de tunnel, vlak bij de Seine, en was omringd door ambulances en politieauto’s. Er waren nauwelijks nog splinters over van het hout van de brug over de Kwai. Van Jeanne d'Arc waren alleen nog as en twee of drie sintels over, aangewakkerd door een zwakke noordenwind. Dempsey ging de ring in, na de verschrikkelijke rechtse hoek van Firpo. De bomen van Tunguska stonden al in brand en waren omgevallen. En natuurlijk had de politie Dealey Square in Dallas al omsingeld en JFK, dodelijk gewond, naar het Parkland Hospital gebracht.
Er is niets aan te doen. Ik ben altijd overal te laat, vanwege deze rammelbak – een waar geldmonster – die me meer dan tien jaar werk, mijn huwelijk, de haat van mijn kinderen en de veroordeling van mijn vrienden en familie heeft gekost.
Natuurlijk heb ik verschillende keren geprobeerd om terug te gaan naar 1998 en mezelf te behoeden voor dit ongemak, in de hoop dat ik bij die eerste stappen een goede oplossing zou vinden, misschien zelfs iets voor de hand liggends, in het ontwerp uit het tijdschrift Popular Mechanics, met name de editie van maart; maar wat ik ook doe, ik kom ook dáár altijd te laat aan. Ik heb mijn werkplaats namelijk al gesloten en slaap op dat moment in de bus, tijdens de lange reis terug naar huis, op dat welbekende late uur van de middag. Ik kan mezelf niet eens stevig vasthouden aan de leuning als bus 298 remt op het kruispunt van Rilling en Roosevelt Avenue en ik wakker schrik, te laat alweer, omdat een taxichauffeur door het rode licht rijdt – waardoor ik val en drie weken lang rugpijn heb.

Meer info over de auteur leest u hier.
0 Opmerkingen

Finn Audenaert en Marius Vahlkamp - De wimpel oftewel De getuigenis van de laatste Beveler

6/3/2026

0 Opmerkingen

 
Afbeelding
‘And when the Crawling Chaos walks among men,
 his face shall be as theirs, yet his eyes shall hold the memory of the void.
 Beware the gift he offers, for it binds the soul with threads unseen.’

‘En wanneer de Kruipende Chaos onder de mensen wandelt,
 zal zijn gelaat op het hunne lijken, maar in zijn ogen huist de herinnering aan de leegte.
 Hoed u voor het geschenk dat hij biedt, want het bindt de ziel met onzichtbare draden.’

uit The Necronomicon van Abdul Alhazred (overleden in 738 na Christus)
 
#
 
DE KREUPELE EN ZIJN DROOM
Iedereen verlangde naar de wimpel. Geen man in het land die er niet ‘s nachts van droomde. Hoe het kwam dat zo’n dun stuk textiel absolute macht vertegenwoordigde, was in de mist der tijden verloren gegaan. Alleen dit stond vast: wie de wimpel veroverde, kon zijn wil aan anderen opleggen.
De vraag was natuurlijk: hoe stal je de wimpel van zijn huidige bezitter, Leonhard de Beveler? Udo dacht het antwoord te weten: enkel een list bood uitkomst. Bruut geweld gebruiken – zo hadden de twaalf doden van het afgelopen jaar uitgewezen – liep faliekant mis.
Udo sloeg geen dag over. Elke ochtend, klokslag zes uur, strompelde hij door de kronkelige steegjes van Rothenburg ob der Tauber. Ondanks de pijn in zijn been maakte hij met opzet een omweg, want de leerlooierij waar hij werkte, lag een eind uit de buurt. Op de toren van het Topplerschlösschen wapperde de blauw-wit-geblokte wimpel. Udo’s ogen volgden de snelle beweging van de gouden cirkel midden op de wimpel. O, hij zag de bergen van goud al voor zich. Als iedereen hem gehoorzaamde, zou zijn rijkdom oneindig zijn. Dat zou zijn stadsgenoten leren – vernederd hadden ze hem in zijn jeugd, niet meer of minder. De pijn vlamde door zijn been toen hij dacht aan de dag waarop de andere jongens hem tegen een kar hadden geduwd. De karrendrijver had nog geprobeerd zijn paard te doen stoppen, maar het onheil was reeds geschied. Udo ging vanaf die dag als een kreupele door het leven, al was ‘gaan’ misschien niet het juiste woord.
Het werk in de leerlooierij was zwaar, zeker voor iemand als Udo. Hij was wat men een ‘vlezer’ noemde. Dierenhuiden werden onthaard, gesmart en gebroeid voordat ze bij hem terechtkwamen. Op de binnenkant van de huiden zaten nog grote stukken vlees. Udo legde de huiden op een bolle stenen tafel en schraapte het vlees eraf. Hiervoor moest hij voortdurend rechtop staan. De tafel was hoog. Hij kon wel zitten, maar dan zette hij niet genoeg kracht op het mes.
Naast het werk zelf putten ook de anderen in de leerlooierij hem uit. Zo ging het al jaren: niemand behandelde hem zoals het hoorde. Hij werd beschimpt om zijn gebrek en belogen, omdat men dacht dat wie krom liep, ook wel dom moest zijn. Vaak doorzag Udo het bedrog, maar de pogingen stompten hem af. Steeds weer raakte hij teleurgesteld in mensen.
Dus had hij alleen oog voor de wimpel. Die zou zijn leven veranderen. Al meer dan een jaar trof Udo voorbereidingen voor zijn diefstal. Vandaag was eindelijk de dag aangebroken. Natuurlijk zou hij niet naar de leerlooierij gaan. Als hij de wimpel kon bemachtigen, zou de hele stad zijn bevelen opvolgen. Waarom zou hij dan nog werken voor de kost? Zijn eerste bevel zou trouwens de leerlooierij gelden: iedereen moest eruit, behalve misschien Inneke. Zij was een vriendelijke meid die altijd een goed woord voor hem overhad. Wie weet bevorderde hij haar tot bazin. Daar zouden zijn stadsgenoten van opkijken: een vrouw aan de macht! Maar de echte macht zou bij Udo liggen. Hij moest maar eens aan de slag gaan, nu …
 
#
 
EEN STEEK VAN ONRUST
De dageraad viel vaal door de kleine ramen van Innekes huis. De vloer bestond uit ongelijke plavuizen, waarop hier en daar rieten matten lagen. Tegen de muur stond een lage kast vol aardewerken potten, elk gevuld met iets wat ze zelf had bereid: hars voor de huiden, kruiden tegen de stank, soms ook zalven die ze voor Udo maakte, zonder dat hij erom vroeg.
Haar hondje, Iä, sprong rond de tafel met een rafelige lap in zijn bek – een lap die ooit deel had uitgemaakt van een werkvoorraad uit de looierij. Het dier trok eraan alsof het het levendigste wezen op aarde was.
Inneke glimlachte flauwtjes. Ze was geen vrouw van veel woorden, maar ’s ochtends, voordat de stad ontwaakte, praatte ze soms hardop tegen Iä.
‘Vandaag wordt het een lange dag,’ zei ze, terwijl ze een linnen schort omdeed. ‘Misschien helpt hij me met het zware werk. Hij zegt nooit nee, al doet zijn been pijn.’
Ze ging aan de tafel zitten en streek een pluk haar uit haar gezicht. Haar handen trilden even toen ze dacht aan Udo. De anderen uit de leerlooierij lachten om hem, noemden hem een halfman. Maar zij zag iets anders in hem – iets wat ze niet goed kon benoemen. Zijn ogen hadden een ernst die haar deed denken aan mannen die meer hadden geleden dan ze toonden. Misschien, dacht ze, moest ze hem vanavond bij haar thuis vragen. Niet om iets groots, alleen om samen te eten en wat te praten. Ze had genoeg brood, een kruik bier, zelfs een stuk vlees dat ze voor later had bewaard.
‘Misschien,’ mompelde ze, ‘lacht hij dan eens echt.’
Iä had de lap losgelaten en sprong tegen haar schenen. Zijn kleine poten waren nat van het spelen, maar ze duwde het dier niet weg.
‘Wat denk jij, kleine rakker?’ vroeg ze zacht. ‘Zou hij vandaag komen?’
Het hondje kwispelde, alsof het begreep wat ze bedoelde, en holde toen naar de deur.
Buiten klonken voetstappen, ergens in de verte. De stad werd langzaam wakker. Inneke keek door het venster. Ze dacht aan de toren, hoog boven het marktplein, waar de blauw-witte wimpel al wapperde in de ochtendlucht.
Ze voelde een steek van onrust – niet om de wimpel zelf, maar om wat hij in Udo losmaakte. Soms zag ze hoe zijn blik zich vastbeet in dat fladderende doek.
Ze schudde haar hoofd, schoof haar stoel achteruit en floot naar Iä.
‘Kom, we moeten op tijd zijn. Hij werkt sneller als ik in de buurt ben.’
Het hondje sprong tegen haar op. Ze pakte haar mand met lappen, legde er een stuk brood en een mes bij en stapte de deur uit.
Het steegje was leeg.
 
#
 
DE STAD HIELD HAAR ADEM IN
Udo leunde op zijn stok en keek nog één keer omhoog, naar het blauw-wit-geblokte doek dat boven de hoge toren van het Topplerschlösschen danste. De gouden cirkel in het midden leek hem toe te lonken, maar vandaag viel hem iets nieuws op. Binnen het glanzende vlak tekende zich iets af – een schaduw die zich langzaam uitbreidde?
Hij knipperde, dacht dat het slechts zijn verbeelding was, en stak het marktplein over. Het was er merkwaardig rustig; zelfs de kraampjes ontbraken. Het was weliswaar nog vroeg, maar toch. Zijn blik rustte kort op Altenwach, het stadspaleis aan de overkant. Leonhard was zelden in het sober ingerichte Topplerschlösschen te vinden. De Beveler besteedde liever zijn tijd in Altenwach, met zijn uitgestrekte lusthof. Udo snoof. Hij hoorde daar te wonen, niet Leonhard.
De tas om zijn schouder zwaaide bij het stappen heen en weer. Die schaduw van daarnet … Natuurlijk zag hij dingen die er niet waren. Het lag aan de spanning. Hij was beter vroeger gaan slapen – de opwinding had hem vannacht lang wakker gehouden. En de pijn van alledag hielp niet. Straks zou hij daarvan verlost zijn. Op naar de wimpel.
De steeg naar de brede stadspoort lag er verlaten bij. Door de open poort zag hij het sparrenbos dat de stad omzoomde. Hier en daar stond ook een larix. Het bos was er altijd al geweest, lang voordat er van Rothenburg sprake was. Een geruststellend gezicht, en toch …
Hij hoorde geen stemmen, zelfs geen gehinnik van paarden. Ook voorbij de poort leek het stil. Alsof Rothenburg en omgeving plotseling ophielden met leven. Zelfs het tikken van zijn stok op de stenen klonk anders, doffer.
Bij de poort ontmoette hij Inneke. Haar hondje drentelde achter haar aan. Er was dan toch iemand! Ze droeg een mand met lappen en groette hem zachtjes. ‘Udo, je ziet bleek,’ zei ze. ‘Is alles goed met je?’
Het was altijd een plezier met Inneke te praten, maar nu kwam ze helaas ongelegen. Hij knikte, te gehaast. ‘Vandaag verandert alles. Vandaag zal niemand mij meer bespotten.’
‘Pas op wat je wenst,’ zei ze. Haar gelaat betrok.
Hij voelde haar ogen in zijn rug branden terwijl hij langs de muur naast de stadspoort liep, één hand op de vlakke stenen, de andere op zijn stok. Iä blafte hem vrolijk na.
Het Topplerschlösschen was vlakbij.
 
#
 
ZOON VAN VERGETELHEID
In de toren rook het naar vocht en roestig metaal. Mensen? Die zag hij ook hier niet. Volgens de legende van Rothenburg werd de wimpel op een andere manier bewaakt … De trap slingerde zich in vreemde bochten omhoog. Udo’s stok tikte onregelmatig tegen de treden, totdat hij bij een luik kwam dat naar het dak leidde.
Daarboven, tussen de kantelen, wapperde de wimpel wild – maar er was geen wind. De sparrentoppen voorbij de stadsmuren bewogen niet. Het doek leek zichzelf te dragen.
Udo merkte hoe zijn gedachten scherper werden. Hij herinnerde zich elk gezicht dat hem ooit had uitgelachen. Gerben, Hans, Dietrich, hun namen kwamen één voor één terug. De wimpel zou zijn wraak worden.
Hij legde zijn stok neer, haalde het schraapmes uit zijn tas en klemde het tussen zijn tanden. Het was zover. Hij greep de houten mast en begon moeizaam te klimmen. Zijn misvormde been schrijnde al gauw.
Toen hij het doek bereikte, hoorde hij een stem – niet buiten hem, maar binnen in zijn hoofd, laag en slepend.
‘Udo … zoon van vergetelheid …’
Hij verstijfde. ‘W–... Wie spreekt daar?’
‘Wij spreken door wat jij zoekt. Wij kennen je door en door. Eeuwenlang hebben mensen de wimpel vereerd zonder te weten wat ze dienden. Jij wilt macht. Wij schenken macht. Maar er is een prijs.’
Hoorde hij zichzelf raaskallen? Slechts dwanggedachten – hij moest ze negeren. Hij schudde zijn hoofd en keek naar de wimpel. Niets zou hem tegenhouden. De gouden cirkel bewoog langzamer dan voorheen. Vreemd. De schaduw erin was groter geworden. Udo reikte omhoog. Hij was er zo dichtbij … Zijn vingers gleden over het oppervlak. Het voelde niet als stof, maar als huid.
‘Ben je bereid de prijs te betalen, zoon?’
Bijna viel hij. Udo liet snel de wimpel los en omklemde stevig de mast. Hij moest zichzelf wat tijd gunnen om op adem te komen. Hij keek naar beneden. Het slot en de stad leken uitgestorven. Het plein was leeg. Ook in de lusthof van Altenwach ontbrak elke beweging. Waar was iedereen? Was ook dit deel van … de legende?
Hij vermande zich, nam het schraapmes van tussen zijn tanden en zette zich aan het werk. De twee touwen boden nauwelijks weerstand.
‘Zwijgen is toestemmen, zoon.’
Wat dacht hij allemaal? Hij mocht zich niet laten afleiden. Dit moment zou hij nog jarenlang koesteren – hij moest het goed doen. Voor dit laatste stuk had hij het mes niet nodig, toch? Beter was het om de wimpel te voelen. Met een wild gebaar gooide hij het mes van zich af. Nu dan. Hij rukte aan de wimpel; de spanning week uit de touwen. De wimpel was van hem!
Uitzinnig van vreugde liet Udo zich zakken, met het doek stevig in zijn ene hand geklemd – iets te snel. Hij landde onzacht op de plavuizen, dwars over zijn wandelstok. Het maakte niets uit; hij was de nieuwe Beveler. Ongetwijfeld kon hij zelfs de pijn, zijn eeuwige begeleider, wegwensen. ‘Ik–’
‘Wacht, zoon.’
De stem was niet verdwenen. Udo had nochtans de wimpel. ‘Ik wens deze vreemde gedachten weg.’
Een bulderlach weerklonk, als het geblaf van een demon die eindelijk vrij was. Het helse lawaai leek wel uit de kantelen te komen.
‘Zo werkt het niet, zoon.’
Udo had zich zijn eerste ogenblikken met de wimpel helemaal anders voorgesteld. ‘Wie … wie zijn jullie?’ vroeg hij met haperende stem.
Een windvlaag stak op, deze keer echt, en ruiste namen die geen mens ooit had mogen horen. Tussen de vreemde klanken herkende Udo twee woorden duidelijk, omdat ze steeds herhaald werden: Nyarlathotep en Shub-Niggurath. Waren het mensen? Plekken, misschien?
De wind blies almaar harder. Udo kromp ineen en probeerde te begrijpen wat hij hoorde, maar het was de taal zelf die ophield betekenis te hebben.
 
#
 
DE NAAM DIE DE HEMEL AAN FLARDEN REET
Plotseling stond een man naast Udo, lang en dun, gehuld in een donker gewaad. Hij glimlachte breed – te breed. Twee rijen vlijmscherpe tanden blonken in zijn mond. Udo dacht onwillekeurig aan Iä, Innekes hondje. Opeens verlangde hij naar onschuldiger dagen.
De wind viel.
‘Ik ben slechts een boodschapper,’ sprak de magere man staccato. Pas nu leek de stem niet meer uit Udo’s hoofd te komen. ‘Men noemt mij Nyarlathotep, al heb ik vele namen. Jij, mijn zoon, hebt ons geroepen door je honger naar heerschappij.’
Udo rilde. ‘Ik wilde alleen … rechtvaardigheid. Dat de mensen naar me zouden luisteren.’ Terwijl hij het uitsprak, besefte hij dat het niet hetzelfde was.
‘Ze zullen luisteren,’ zei Nyarlathotep monotoon. ‘Ooit luisterden ze allemaal. Ook Leonhard de Beveler. Hij dacht de wimpel te bezitten, maar het was slechts het doek waaronder een oeroude kracht schuilging – die van de Buitengoden. Jij, mag die kracht bevrijden. Wij hebben gewacht op iemand wiens wil zo sterk is als de jouwe.’
Udo keek van Nyarlathotep naar de cirkel op de wimpel, die nu gitzwart was. Was dit zijn kans? Kón hij wel terugkrabbelen?
‘Denk aan de kracht, zoon, en aan allen die je onrecht hebben aangedaan.’
Dat gaf de doorslag. De vertrouwde bitterheid stak de kop op. Hij aarzelde niet langer en zei: ‘Wat moet ik doen?’
‘Raak de cirkel van verderf aan en spreek mijn naam.’
Udo’s hand bewoog als vanzelf. Voordat hij het wist streelden zijn vingers het donkere hart van de cirkel, en iets kouds en levends kronkelde zich om zijn pols. En beet. Udo dacht dat hij alle vormen van pijn kende – hij had het mis. Hij stortte neer en stierf duizend doden. En begreep: dit was pas het begin.
Verderf? Had de man echt ‘verderf’ gezegd? Hoe had hij ooit kunnen instemmen?
Udo klemde zijn kaken krampachtig op elkaar. Hij mocht vooral de naam niet uitspreken. Zijn mond ging echter onstuitbaar open. ‘Ny-ar-la-THOOOO-tep!’
De hemel opende zich met geraas. Alles leek in de tijd te bevriezen: de lucht, de toren, zelfs zijn gedachten. Daartussen sloop een klagend gezang dat rechtstreeks uit de aarde leek te komen. Udo hapte naar adem.
Een wolk van schaduwen steeg op achter de toren. In het midden verscheen een vorm die niet te vatten was, een mengsel van hoorns, monden, wortels en vruchtbare buiken, waaruit nog meer monden groeiden.
‘Shub-Niggurath, de Zwarte Geit der Wouden, Moeder van Duizend Jongen,’ zei Nyarlathotep. Voor het eerst klonk zijn stem anders, eerbiedig. ‘Zij komt, zoon.’
Udo rook het dier, de vrouw, of wat het ook was dat uit de wolk verscheen en op de toren landde. De wimpel beet opnieuw in zijn hand en dronk gulzig zijn bloed. De pijn was onvoorstelbaar, er zat echter ook iets zaligs in – het gevoel dat hij eindelijk begrepen werd, opgenomen in iets ouders dan deze wereld. Misschien moest hij deze beproeving doorstaan; kon het niet anders dan op deze manier.
Nyarlathotep keek op hem neer en lachte vreugdeloos. ‘Je begint het te begrijpen, geloof ik. Zie, zoon, hoe je macht door pijn woekert. De stad zal jou niet langer vergeten. Vooral niet na Haar bezoek. Ik maak plaats; ik ben het niet waard in Haar buurt te zijn.’
De wimpel maakte zich van Udo los.
Nyarlathotep stapte naargeestig grinnikend achteruit, de wolk in.
 
#
 
ONDER HET OOG VAN DE WIMPEL
Inneke stond alleen op het marktplein. Ze liet haar mand vallen en keek omhoog. Ze hoorde een geluid als van een verre storm. Iä jankte onophoudelijk, maar kwam nauwelijks boven het lawaai uit. Ze zag hoe het blauw-witte doek zich boven de toren uitstrekte tot een onherkenbare vorm. De kleuren vloeiden samen en de cirkel draaide als een oog dat haar nauwlettend observeerde. De wimpel was veel groter dan voorheen en droop van het bloed. Dit moest hekserij zijn!
Het rumoer had de burgers blijkbaar uit hun huizen gelokt. Eén voor één kwamen ze het plein op, hun gezichten zorgelijk.
Inneke zag hoe Leonhard de Beveler zelve de kunstig versierde deuren van Altenwach openstootte en het plein op stormde, zijn slagzwaard in de hand. ‘Ze zijn teruggekomen,’ riep hij met een overslaande stem, voordat hij midden op het plein instortte. ‘De legende. Ze willen …’ Verder kwam hij niet.
Hij bewoog niet meer. De mensen gingen niet om hem heen staan. Hun blikken gingen de lucht in.
De wimpel zweefde van de toren en dwarrelde naar het marktplein. Toen hij op de plavuizen viel, was hij weer even klein als voorheen. Toch vielen mensen op de knieën, sommigen lachten, anderen huilden.
Inneke kreeg het zo koud dat ook zij moest gaan zitten.
Tot haar verbijstering verscheen een grote barst in de toren van het Topplerschlösschen. Uit de gapende scheur staken takachtige vormen, waaruit een vloeistof droop die stonk als de pest. Inneke voelde gal opkomen.
Dit moest met Udo en zijn voornemen te maken hebben. Ze had hem daarnet nog zo gewaarschuwd. Even meende ze hem inderdaad te zien, een kleine pop, vastgegroeid aan de mast daarboven, zijn lichaam half mens, half iets … anders. Zijn gezicht glansde, zijn ogen kon ze niet onderscheiden.
Haar mond ging open, tegen haar wil in. Drie letters drongen zich naar voren. Ze hoorde ze echoën over het plein, uit talloze kelen.
 
#
 
NA DE OPENBARING
‘Udo!’ bulderde Nyarlathotep. ‘Het is geschied. Zij heeft woord gehouden.’  Zijn stem klonk rauwer dan voorheen.
Udo vermoedde dat de ander opnieuw naast hem op de toren stond. Hij zag enkel zwart en doorstond helse pijnen.
Zo-even had Zij zich in Haar volle glorie aan hem geopenbaard. Zij had hem ‘zoon’ genoemd, meer niet. Het hout van de mast was vervolgens over de hele lengte versplinterd en was diep in zijn rug gedrongen. Daarna had Zij Zich teruggetrokken. Dat was het laatste wat hij zag.
Hij voelde zijn bloed traag langs de splinters glijden. Een ware gesel. Hij vertrok zijn mond van pijn.
‘Je wilde dat ze je bevelen volgden,’ zei Nyarlathotep. ‘De Moeder van Duizend Jongen heeft ervoor gezorgd. Luister naar Rothenburg!’
Beneden gehoorzaamde de menigte inderdaad. Al stegen kreten van afschuw naar de torentop, vermengd met gebraak en gespuw, Udo merkte, ondanks zijn pijn, tekenen van hun onderwerping: de mensen scandeerden met tussenpozen zijn naam. Hoe vaker hij de klanken hoorde, hoe minder herkenbaar ze werden. Een eerste splinter kwam aan de andere kant zijn lichaam weer uit. Liep … liep zijn buik leeg?
‘Ik hoor het,’ kreunde Udo ondanks alles. Zijn stem werd steeds zwakker. ‘Ze zijn van mij.’ Maar tegen welke prijs?
‘Juist, Beveler,’ gierde Nyarlathotep. ‘En jij bent van Haar. Dank Haar en breid Haar rijk uit.’
Achter hem hoorde hij een pijnlijk hoog gemekker. De dierlijke stank zwol weer aan, overweldigde hem en liet geen gedachten toe. Hij kon alleen nog voelen.
Hoeven drukten op zijn schouders. Gespleten, twee tenen. Hij stootte een hoge gil uit die overging in iets onmenselijks.
Splinters schoten nu ook door zijn zitvlak en kwamen er aan de voorkant weer uit.
 
#
 
HET RODE SPELDENKUSSEN
Inneke zag het allemaal. Ze had zich de ziel uit het lijf gekotst en was stilaan bij zinnen gekomen. Iä was weggelopen in de krioelende massa op het marktplein. Ze had hem geroepen, maar tevergeefs.
Geen hond.
Geen geliefde?
Geen geluk?
Haar handen grepen vertwijfeld naar de mand, het enige vertrouwde in deze akelige omgeving. Ze stond op, duwde de voorovergebogen en spartelende mensen op het plein opzij – er leken steeds meer inwoners toe te stromen – en rende richting de toren van het Topplerschlösschen. Hun geschreeuw, waarin nog amper Udo’s naam te herkennen was, jaagde haar vooruit.
De torentrap was glibberig, bedekt met iets wat ooit steen was geweest maar nu zacht aanvoelde. Ze kokhalsde opnieuw, maar zette door. Ze moest naar Udo toe. Met twee treden tegelijk beklom ze de trap; af en toe glibberde ze een eind terug. De mand schommelde wild in haar handen; lappen vielen als herfstbladeren op de smurrie.
Na wat een eeuwigheid leek, vond ze hem boven, hangend tegen de mast, half in de mast, met achter hem een uitdijende werveling van licht en duisternis. Het kostte haar moeite haar blik van de maalstroom af te wenden.
Zijn gezicht – het was een en al neus, mond en oren. Opgezwollen, buiten alle proporties. De ogen … ze waren inderdaad weg. Hier en daar priemde een splinter door zijn kaken.
‘Udo,’ fluisterde ze. Meer kreeg ze niet gezegd, nog steeds niet, maar nu klonk zijn naam haar tenminste weer vertrouwd in de oren – niet animaal, zoals voorheen.
Hij reageerde niet, leek wel een nauwelijks ademend speldenkussen waartussen rood boosaardig glom. Even ging zijn mond open. Hij bracht alleen stilte voort.
Ze stak geschrokken haar handen naar Udo uit, maar een grote man in donkere kledij trad uit de werveling tevoorschijn en ging tussen hen in staan.
De man liet zijn gewaad zakken en toonde zijn lijf, dat op slag veranderde van vorm. Waar daarnet nog krullend haar zat, verscheen een gestreepte hoofddoek. Zijn huid ging van lijkbleek naar donkerbruin. In zijn hand verscheen een grote, met edelstenen ingelegde staf.
Van beneden steeg gemekker op, als van een hele kudde geiten.
Inneke zette onwillekeurig een pas achteruit.
‘Aanschouw mijn ware vorm, nietige mens. De nieuwe Beveler is ons portaal geworden. Hij is klaar voor zijn taak,’ zei de man met de hoofddoek, wijzend naar de mast en naar ... Udo. Hij grijnsde Inneke toe. ‘Zijn eindtaak.’
Dat woord sneed haar adem af. Ze moest iets doen. Ze graaide in haar mand en voelde het koude metaal van haar broodmes. In een flits stak ze toe; de man lachte enkel.
 
#
 
ALS EEN KOOR
Er was geen licht meer. Wel warmte, en daarna koude. Udo wist niet of hij zijn ogen gesloten hield of dat ze er gewoonweg niet meer waren. Tot zijn opluchting kon hij tenminste weer nadenken. De pijn was verdwenen. Geen splinters meer. Alleen de lucht voelde zwaar, als het leer uit de looierij.
Lag hij neer? Hij probeerde te gaan zitten; het lukte niet. Onder zich bespeurde hij de kilte van stenen, het oppervlak was glad, op een grillige vorm na. Het marktplein – dat moest het zijn. Hij rook aarde die net opengebroken was, en hout waaruit iets droop, zoet en kruidig. Hars?
Om hem heen hoorde hij beweging. Voeten – nee, hoeven – schraapten over de plavuizen. Er werd gemekkerd, laag en van treurnis doortrokken. Udo twijfelde niet: dit was het geluid van absolute gehoorzaamheid. Hij herkende het maar al te goed. Op precies dezelfde toon hadden de inwoners van Rothenburg jarenlang Leonhard de Beveler aangesproken. Onderdanig, nederig.
Waren zij dit? Ze ademden diep. Hun geur vulde de lucht: mest, bloed, en een vleugje van iets wat aan mens deed denken.
Hij wilde hen vragen of ze hem zagen, maar zijn mond werkte niet meer naar behoren. Slechts één woord kwam eruit: zijn eigen naam. Toch antwoordden ze tegelijk, als een koor, alsof ze wisten wat hij bedoelde. Weer gemekker.
En daar – te midden van die dierlijke geluiden – kwam Zij.
Niet zichtbaar, niet tastbaar, maar Haar stank was onmiskenbaar dezelfde als op de toren. Udo’s ingewanden trokken samen.
Zij was dichtbij. Hij voelde Haar hete adem in zijn oor.
‘Udo … mijn zoon. Mijn herder. Beveler! De kudde van Rothenburg dient jou. Welke andere stad voeg je als eerste toe aan ons glorieuze rijk?’
Het gemekker rondom hem nam toe.
Hij wilde Haar vertellen dat hij niet meer kon. Dat hij er genoeg van had. Dat de wimpel –hij besefte nu dat het niet lucht of leer was, maar dit doek dat hem op zijn plaats hield – hem elke beweging verbood. Maar de woorden kwamen niet.
Alleen: ‘Udo.’
En vocht, dat ook. Het liep traag langs zijn wangen naar beneden. Waren het tranen? Had hij dan toch ogen? Hij wilde zijn gezicht aanraken, maar kon het niet. Zijn handen, of misschien wat ervan restte, zaten vast onder de grillige vorm die tegen zijn rug drukte.
‘Herder, ik kwijl over jou,’ zei Zij. ‘Ik ben nu jouw ogen. Jij bent mijn stem. Spreek en beveel mijn duizend jongen, hier in het eerste van vele komende wouden. En vertel mij waar wij mijn hogepriester Nyarlathotep opnieuw zullen ontmoeten.’
Het was een wortel, onder hem. Van een spar. Het bos had de stad ingenomen, stammen waren door de plaveien van het marktplein gebroken. Hij was omringd door bomen en door hen die Zij naar Haar evenbeeld had geschapen.
Hij zweeg halsstarrig. Iets in hem protesteerde. Het was–
Een hoef rolde hem op zijn zij. Zijn handen schoten los van de wortel en zijn gezicht raakte dat van een ander. Het voelde kil aan. Het rook niet naar mest of bloed, maar naar … leer.
Op het moment dat hij besefte dat Inneke levenloos naast hem lag, schreeuwde hij het uit.
Hij zei niet: ‘Udo.’
Voor het eerst sinds zijn ontwaken zei hij iets anders.
Meteen dreunden de hoeven over de plaveien. Hoorns tilden hem op.
Inneke was niet meer, hij had alleen nog zijn dwaze plannen om te koesteren. De plannen van gisteren. Rothenburg had hij al; nu zou hij als kreupele – nee, als lamme – de rest van de wereld veroveren. Het was een bittere troost.
 
#
 
‘Und sie nennen sie die Schwarze Ziege der Wälder,
 deren tausend Kinder sich nähren von Blut und Erde.
 Wo ihr Atem weht, da wächst kein Glaube mehr – nur Gehorsam.’



‘En zij noemen haar de Zwarte Geit der Wouden,
 wier duizend kinderen zich voeden met bloed en aarde.
 Waar haar adem waait, groeit geen geloof meer – slechts gehoorzaamheid.’

uit Unaussprechlichen Kulten van Friedrich von Junzt (1795-1840)
 
#
 
EPILOOG – Providence, 1929
Uit het dagboek van Howard Phillips Lovecraft, gevonden tussen losse papieren in een houten kist, dertig jaar na zijn dood.
 
20 februari 1929
Ik heb vandaag een merkwaardig pakket ontvangen, verzegeld met een bleekblauwe was die naar geiten ruikt. Geiten! Het pakket kwam zonder begeleidende brief, alleen voorzien van het zegel van een zekere Marius Vahlkamp – een naam die mij niets zegt, maar die mij toch met een vreemd onbehagen vervult.
Binnenin vond ik een bundel vergeelde papieren, beschreven in een handschrift dat overduidelijk niet modern is. De titel luidde: ‘De getuigenis van de laatste Beveler’.
De tekst vertelt van een zekere Udo, een kreupele vlezer uit de stad Rothenburg ob der Tauber, en zijn ontmoeting met wat enkel omschreven kan worden als de Kruipende Chaos in hoogsteigen persoon.
Hoewel ik mijzelf wijsmaak dat het om een laat-romantische allegorie over de donkere middeleeuwen gaat, verontrust de toon van het verhaal mij. De beschrijvingen van de stad, de namen, vele details ook – zij dragen de onmiskenbare geur van authenticiteit, alsof de schrijver werkelijk aanwezig was.
Het eigenaardigste is evenwel dat de tekst verwijst naar mijn eigen uitvinding, Nyarlathotep, en zelfs naar Shub-Niggurath – vreselijke goden die ik, naar ik dacht, slechts in dromen had ontmoet. Hoe is het mogelijk dat een oud document deze namen bevat?
 
#
 
22 februari 1929
Ik heb de papieren vannacht herlezen. De letters leken zich te verplaatsen onder het licht van de lamp. De naam Udo kwam steeds terug, als een echo, alsof het woord zelf iets wilde zeggen.
Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat ik dit alles eerder heb gezien – niet gelezen, maar gezien. De blauw-witte wimpel, de barst in de toren – het komt mij allemaal te bekend voor. Als kind droomde ik herhaaldelijk van een stad vol torens, R’lyeh, waaruit wortels groeiden die bloed droegen. In mijn ergste nachtmerries werd de stad door de zee verzwolgen, wat op zijn beurt een verschrikking wekte die al gauw het hele universum bedreigde. Ik dacht dat alleen mijn verbeelding zulk een stad kon scheppen, maar nu begin ik te twijfelen.
Zou het kunnen dat dromen slechts herinneringen zijn van iets wat zich elders voltrekt? Dat mijn verhalen niet uit mijn fantasie voortkomen, maar uit een vorm van overbrenging?
 
#
 
24 februari 1929
Vannacht hoorde ik een geluid – een laag gemekker dat uit de tuin leek te komen. Toen ik uit het raam keek, zag ik niets dan schaduw en een enkele spar, krom en glanzend van het vocht. Toch zweer ik dat ik iets zag bewegen onder het oppervlak van de aarde, alsof wortels zich roerden.
Ik heb de papieren in de haard verbrand, maar dat had niet het gewenste effect. Toen het vuur doofde, had een wimpel de plaats van de tekst ingenomen – een klein, blauw-wit doek met een gouden cirkel. Hoe het in mijn kamer terechtkwam, weet ik niet.
De wimpel heb ik opgevouwen en in mijn lade gelegd. Wat moest ik anders? Soms, wanneer ik de lamp doof, meen ik dat het doek zich beweegt over het hout. Schrapend …
 
#
 
26 februari 1929
Een brief van mijn vriend August Derleth. Hij vraagt of ik iets nieuws schrijf. Ik weet niet wat ik hem moet antwoorden. Alles wat ik sinds de komst van de wimpel noteer, glijdt uit mijn vingers, alsof de woorden mij niet meer toebehoren.
Toch dringt één zin zich telkens opnieuw op, ongeacht wat ik probeer te schrijven:
‘Waar haar adem waait, groeit geen geloof meer – slechts gehoorzaamheid.’
De zin komt mij vaag bekend voor, ofschoon hij niet in de tekst stond die de mysterieuze Marius Vahlkamp mij toezond. Wat er ook van zij, ik vrees dat de zin een schokkende waarheid bevat.
 
#
 
27 februari 1929
Ik heb de wimpel vanochtend op mijn bureau gevonden, hoewel ik de lade gesloten hield. De gouden cirkel lijkt dieper te glanzen dan voorheen. Misschien zal ik erover dromen vannacht. Misschien zal ik eindelijk begrijpen waar R’lyeh, het echte Rothenburg, ligt – of lag. Zal ik ginds de goden voor wie ik huiver spreken?
Als iemand deze dagboeknotities ooit leest, laat hem weten dat ik mijn pen niet vrijwillig heb neergelegd.
Er zijn stemmen in de wind die mijn hand leiden.
En als men vraagt wie dit schrijft, zeg: ‘Udo.’
 
#
 
‘And where Nyarlathotep went, rest vanished; for the small hours were rent with the screams of nightmare.’
uit ‘Nyarlathotep’ van H.P. Lovecraft (1920)
 
‘... is the Lord of the Woods, even to … and the gifts of the men of Leng … so from the wells of night to the gulfs of space, and from the gulfs of space to the wells of night, ever the praises of Great Cthulhu, of Tsathoggua, and of Him Who is not to be Named. Ever Their praises, and abundance to the Black Goat of the Woods. Iä! Shub-Niggurath! The Goat with a Thousand Young!’
uit The Whisperer in Darkness van H.P. Lovecraft (1931)
0 Opmerkingen

Eveline van Dienst - Een enkele reis met de koffer

5/3/2026

0 Opmerkingen

 
‘Luister, dit is belangrijk: als een lichaam ontbindt, zwellen de organen op door gasvorming en als het dan in het water ligt, komt het bovendrijven. Dat moeten we natuurlijk niet hebben.’ zegt John terwijl hij Leo aankijkt. 
Leo knikt.
‘Wat we nu moeten doen, is zorgen dat de organen straks niet opzwellen.’
‘Vertel, hoe doen we dat?’
‘We maken gaten in de organen, zodat het gas eruit kan.’
‘En, waarmee doen we dat?’
‘Met een priem. Als we de organen doorboord hebben, stoppen we het lichaam in een koffer en vullen die met cement.’
‘Past dat, denk je?’ Leo kijkt John vragend aan.
‘Natuurlijk, en zo niet, dan zorgen we dat het past. Links om of rechts om. Met een beetje hakken en proppen, komen we een heel eind …’
‘Het klinkt wel heel gemakkelijk zoals je het brengt, John.’
‘Dat is het ook. En daarna moeten we alleen nog de koffer lozen.’
‘Je hebt zeker ook al uitgezocht waar we dat het beste kunnen doen?’
‘Dat heb ik inderdaad. We moeten geen locatie nemen die vlak bij ons ligt. Ik heb met een punaise een willekeurig punt op de kaart aangeprikt. Vervolgens heb ik in die omgeving gezocht naar een bos met een meertje dat redelijk goed bereikbaar is voor auto’s. Kijk, ik ben sterk,’ John laat zijn welgevormde biceps zien, ‘maar om nou een lange afstand met een met cement gevulde koffer te lopen, zie ik niet zitten. En ik zie jou dat al helemaal niet doen …’
Leo ziet de arrogantie in Johns uitstraling en besluit er verder niet op in te gaan.
‘Ik kwam uit bij het Graafse bos in de gemeente Begraven.’
‘Ha ha, Begraven!’ lacht Leo. Hij kijkt naar John en ziet zijn strakke blik. ‘Oh, het is geen grap …’ zegt hij zacht.
‘Nee, het is geen grap. Noem het toeval, of niet. Enfin. Wat we doen, is dat we haar in de koffer meenemen en naar Begraven rijden. Aan het begin van het bos parkeren we de auto, lopen een stuk het bos in en dan één-twee-drie-hop lozen we de koffer in het meertje en gaan er ongezien weer vandoor.’
‘Gewoon, zomaar, zoals dat?’
‘Ja, precies, zoals dat.’
‘Hoe wil je dat ongezien doen?’ Leo trekt zijn schouders op.
‘We rijden sowieso 's avonds. Alleen … we moeten eerst nog wel onderzoeken hoe laat de laatste bezoekers gebruikelijk het bos uitgaan, pas dan kunnen we veiliger het bos in.’
‘Hoelang wil je dat onderzoeken?’
‘Ik dacht aan een weekje,’ antwoordt John.
‘Pardon? Dat meen je niet! Je hebt van alles uitgezocht, maar dit niet? Hoezo heb je het nog niet onderzocht? Hoezo heb je hier nog één week voor nodig? Die teef ligt hier op mijn zolder voor lijk te spelen. Sorry, voor lijk te liggen! Over een paar dagen gaat ze rotten. Dat gaat stinken man! Gatverdamme! Bewaar haar lekker in jouw huis!’ schreeuwt Leo uit.
‘Wat denk je zelf? Dat we nú een levenloos lichaam verhuizen? Ik vertel je net hoe we er vanaf moeten komen.’
‘Had die voorbereiding eerder gedaan! Dan hadden we haar vanavond kunnen lozen!’ Leo begint te briesen.
‘Sla niet zo’n toon tegen me aan! Weet tegen wie je het hebt!’
‘Ja, nou, jij mag ook best weten wie je tegenover je hebt staan! Ik ben slappe Harry niet!’ Leo balt zijn vuisten en doet een stap naar voren.
‘Denk je dat je me daarmee imponeert?’ John houdt zijn stem rustig. ‘Er kan denk ik best nóg een teef in die koffer, LEO ... Hè hè. En anders tjop tjop …’ John maakt hakkende gebaren met zijn handen en lacht duivels. ‘Bovendien is het niet door mijn toedoen dat ze niet meer leeft. Door jou is ze overleden, dus in feite is het jouw probleem en niet het mijne. Ik help je alleen, maar als mijn hulp niet wordt gewaardeerd, wil ik ook wel weg gaan hoor …’
Leo wordt bloedheet. ‘Jij!’ Hij vliegt op John af en probeert hem bij zijn keel te grijpen.
John steekt vlot zijn rechterarm tussen de armen van Leo, duwt met zijn rechterhand tegen Leo’s gezicht en begeleidt hem met een draaiende beweging soepel naar de grond. Op de grond zet hij een kaakklem en zegt luid: ‘En nu is het klaar met die onzin! Als je haar vandaag zo graag wil lozen, dan loos je haar toch vandaag, maar dan zonder mij!’ John verslapt zijn greep en gaat staan. Leo is door het hele voorval overrompeld en blijft liggen.
‘Hier,’ John reikt zijn hand. Leo neemt hem aan en komt overeind. ‘Dus … Je kan haar ook vanavond lozen als je wil. Het is jouw teef,’ zegt hij rustig en geeft Leo een vriendschappelijke klap op zijn schouders. ‘Ik heb een priem en cement in de bus liggen. Ik zal het voor je pakken. Ik ga ervan uit dat je een koffer hebt?’
Leo knikt.
‘Mooi, dan gebruiken we die. Geef me twee minuten voor het halen van de spullen.’ Zonder enige reactie af te wachten, loopt John de kamer uit. Leo kan niets anders dan hem nastaren.
 
Na enkele minuten is John terug met een priem, een zak cement en een teil. ‘Kom mee, naar zolder.’
Op zolder heeft Leo al een kleine koffer klaargelegd.
‘Nu snap ik wat je bedoelde met: “Past dat?” Tja, het wordt denk ik een beetje proppen, maar het gaat wel passen hoor, zo groot is haar lichaam niet,’ zegt John.
Leo pakt een met vloeistof doordrenkt katoenen dekbedovertrek uit een doos. Hij legt het op de grond en ontvouwt het. Het lichaam van Lidewij komt tevoorschijn. Haar haren zijn bevuild door urine en ontlasting. ‘Ah man, dat stinkt …’ zegt hij. ‘Ze ligt hier duidelijk langer dan dat goed voor haar, voor mij, is …’ Leo draait snel zijn hoofd weg.
‘Watje …’ John reikt de priem aan Leo. ‘Aan jou de eer.’
‘Waarom ik?’
‘Eens moet de eerste keer zijn …’
‘En wie zegt dat ik het niet eerder heb gedaan?’
‘Dan is er des te meer een reden om het door jou te laten doen. Dan kan dit deel niet mislukken. Hier, pak die priem, ik heb niet de hele dag de tijd. Ik ga alvast het cement maken. Vergeet niet alle organen te doorboren, want anders komt ze alsnog bovendrijven …’
Leo gruwelt van het idee, maar besluit door te zetten. Hij steekt eenmaal hard in haar lichaam. Haar huid is stug, toch slaagt hij erin een gat te maken. Een tweede steek gaat er ook goed in. Hij heeft de smaak te pakken en steekt nog een keer en nog 27 keer meer. De twee laatste steken gaan door de oogballen. Hij kan het niet laten om ze eruit te trekken. Vocht spat in zijn gezicht. ‘Gatver …’ Hij wrijft met zijn mouw over zijn gezicht.
‘Zo zo, jij had er zin in.’ zegt John als hij binnen komt lopen. ‘Ik wist wel dat ik het aan jou kon overlaten. Vergeet je niet zo jouw gezicht te wassen? Het zit helemaal onder het bloed.’ John pakt het lichaam en bekijkt het aan alle kanten. ‘Goed gedaan, ik denk dat we aan haar geen werk meer hebben.’ John pakt de koffer erbij. ‘Leg jij haar erin?’
Het past.
‘Dicht?’ vraagt Leo.
‘Ja.’ John neemt de priem van de grond en ramt hem een paar keer in de gesloten koffer. ‘Voor het cement.’
‘Die kleine gaten? Dan zijn we een eeuwigheid bezig met vullen.’
‘Ja, want met die kleine gaten is de kans kleiner dat het cement er straks uitloopt.’
‘Ah, op die fiets.’
Na het vullen stoppen ze al hun gebruikte materiaal in de teil en mengen het goed door het resterende cement. ‘Het lijkt me het beste dat dit straks ook het meertje in gaat,’ zegt John. ‘Neem jij de koffer? Dan neem ik dit wel.’ Nadat ze alles hebben opgeruimd en zelf enigszins zijn opgefrist, pakken ze de spullen en gaan naar de bus.
‘En, wat ben jij nu van plan?’ Leo kijkt John aan.
‘Ik ga met je mee … Samen uit, samen thuis …’
 
Aangekomen bij het bos, parkeert John de bus. Ze blijven een poosje zitten en zien in die tijd niemand het bos in- of uitlopen. Ze stappen de bus uit en doen de achterklep open.
‘Eh John, dat cement … dat is nog vloeibaar,’ zegt Leo als hij de teil ziet.
‘Verdomd …’
‘Wat nu?’
‘Die laten we vandaag voor wat het is. Dat pakken we later deze week wel op.’
‘En de koffer?’
‘Lastig, lastig. Het cement daarin is waarschijnlijk ook nog niet uitgehard … Maar ik denk dat dat niet zo’n groot probleem zal opleveren, de koffer zit goed dicht en de gaten zijn gesloten.’
‘Denk je dat echt?’
‘Ik durf erop te wedden! Kom, pak de koffer en dan gaan we. We zijn nu al zo ver gekomen. Laat dit ons niet tegenhouden.’
Als ze langs de kant van het meertje staan, zoeken ze de meest geschikte plek om de koffer in het water te laten. ‘Doe jij het of ik?’ vraagt John.
‘Ik doe het wel, het is immers door mij dat ze er niet meer is.’ Leo's stem neemt de klank van verdriet aan.
John slaat een arm om Leo’s schouder. ‘Het was een ongeluk. Dat weet je. Je kon er niks aan doen.’
Leo zucht diep. ‘Tja …’ Hij knippert met zijn oogleden en schudt zijn hoofd. ‘Vooruit dan maar …’ Hij richt zijn ogen op de koffer. Leo beweegt deze met moeite naar achteren en slingert hem naar voren. Vervolgens laat hij de koffer los en hierop zweeft deze door de lucht. ‘Daar ga je …’ De koffer ploft op het water en zakt snel naar beneden. ‘Dat was het dan,’ zegt hij. Opnieuw krijgt hij een arm om zich heen.
‘Kom, we gaan,’ zegt John en neemt Leo in zijn beweging mee als hij zich omdraait.
‘Dat was het dan ...’ herhaalt Leo.
‘Je zal vandaag en morgen nog veel verdriet voelen, maar onthoud: tijd heelt alle wonden. En bovendien verwacht ik dat je binnenkort op zoek gaat naar een vervanging van Lidewij en dan heb je voor je het weet weer een nieuwe labradoodle pup in jouw huis rondrennen.’
0 Opmerkingen

Ludo Maas - De Gifwolk

4/3/2026

0 Opmerkingen

 
Wat me bijblijft is de eenzaamheid
Het gevoel dat ieder sterft voor zich

Het leek een doodgewone vergadering
Een ontmoeting zoals zovelen
Toen loeide een sirene, luid en onverwacht

Niemand keek elkaar nog in de ogen
Als atomen viel ons samenzijn uiteen

Door het kelderraam zag ik woordloos toe
Van boven klonk de eerste schreeuw
Het gekerm van ernstig zieken, luid en verwacht

Daar dreef de gifwolk
Zwart en in korzelige stukjes
Het had ook onweer kunnen zijn

Dit gedicht werd ingezonden voor de dichtwedstrijd 'De Ontmoeting'.
0 Opmerkingen

Finn Audenaert en Peter De Groot - De wimpel

3/3/2026

0 Opmerkingen

 
‘Sommige overwinningen beginnen niet met zwaarden of bevelen,
maar met een sprong, een sok en een mens die durft te lachen met zijn eigen angst.’
Oud spreekwoord uit Rothenburg
 
WELKOM IN DE STAD DER PIEKERENDE INWONERS …

​In de kronkelende straatjes van Rothenburg ob der Tauber waaide altijd wel een geheim rond – meestal in de vorm van roddels, soms in de vorm van een schijnbaar anonieme straathond. Maar boven alles wapperde daar, op de toren van het Topplerschlösschen, een wimpel die iedereen wilde. Niet omdat hij mooi was – het was een stukje gekleurde stof, niks meer – maar omdat hij macht beloofde, en macht doet rare dingen met mensen.
Zowat alle inwoners piekerden over de wimpel in hun slaap. Hem veroveren leek onmogelijk. En toch … soms kan de kleinste, kromste, meest onwaarschijnlijke held het onmogelijke doen.
Dit is het verhaal van Udo, een vlezer met een been dat protesteerde bij elke stap, een hart dat groter was dan zijn lichaam, en een plan dat niet mis kon gaan – althans, dat dacht hij. Met een mand vol sokken, een beetje lef en een flinke dosis geluk zou hij ontdekken dat macht soms niet om bevelen gaat, maar om koek, vriendschap … en het juiste gevoel voor timing.

#

​HOE HET ALLEMAAL BEGON …


Iedereen wilde de wimpel. Er was geen man in het land die er niet ’s nachts van droomde. Hoe het ooit gekomen was dat zo’n dun stukje stof absolute macht vertegenwoordigde, was verloren gegaan in de mist der tijden. Alleen dit stond vast: wie de wimpel veroverde, kon zijn wil aan anderen opleggen.
De vraag was natuurlijk: hoe stal je de wimpel van zijn huidige bezitter, Leonhard de Beveler? Udo dacht het antwoord te weten: alleen een list bood uitkomst. Bruut geweld gebruiken, zo hadden de twaalf doden het afgelopen jaar uitgewezen, liep faliekant mis.
Elke ochtend om klokslag zes strompelde Udo door de nauwe steegjes van Rothenburg ob der Tauber. De pijn in zijn been brandde als een stil vuur, maar hij maakte opzettelijk een omweg – de leerlooierij kon wel even wachten. Hij moest de wimpel zien.
Hij telde de stapstenen in zijn hoofd, fluisterde ritmes tegen zichzelf, zo zacht dat geen mens ze kon horen.
Op de toren van het Topplerschlösschen wapperde de blauw-wit-geblokte wimpel. Daar was hij dan! Het felbegeerde doek stak slechts een tweetal meter uit boven de drie masten die, elk omgeven door een haag, de toren flankeerden. Aan iedere mast hing een vlag, met daarop het kleurrijke wapenschild van respectievelijk koning Friedrich III, van zijn edele vrouwe Elisabeth von Saarburg en natuurlijk dat van Leonhard, de Beveler van Rothenburg. Het goud van de cirkel in het midden van de wimpel danste in de wind als vloeibaar licht.
Udo’s ogen volgden elke beweging. Hij stelde zich voor hoe hij de stof tussen zijn vingers klemde, hoe de stad zou buigen onder zijn bevel. Zijn rijkdom, zijn macht, alles stond op het punt om te ontluiken. De herinnering aan de dagen dat een paar jongens hem tegen de kar duwden, flitste als een bliksemschicht door zijn geheugen. Het paard had getrappeld, het geluid van krakend hout en geschreeuw weerklonk nog altijd in zijn oren. Sinds die dag was ‘gaan’ niet meer hetzelfde; elke stap was een krachtsinspanning, een gemene por van het lot.
Het werk in de leerlooierij was hard, vooral voor iemand zoals hij. Udo was een vlezer: dierenhuiden werden onthaard, gesmart en gebroeid voordat ze bij hem terechtkwamen. Op de bolle stenen tafel lag een huid als een stug lichaam dat hij met zijn mes moest temmen. Rechtstaand sneed hij vlees van leer, zijn armen tintelden van inspanning.
Naast het werk zelf vermoeiden ook de anderen hem: hun gesmoorde spot, de constante leugen dat wie krom liep, ook dom moest zijn.
Sinds een jaar bereidde Udo zich voor op zijn diefstal. Zowat elke week ging hij een keer Eberhain in, het dichtbegroeide bos dat Rothenburg omgaf. Hij wilde geen pottenkijkers; diep in het bos testte hij bij kaarslicht de eigenschappen van verschillende touwen. Enkele maanden geleden had hij er een drie meter hoge imitatie van een mast opgericht, vervaardigd uit een slanke sparrenstam. Het had hem veel tijd en moeite gekost. Wanneer er voldoende maanlicht was, sloeg hij een van de touwen om de mast en oefende al klimmend zijn handgreep. Het was zwaar werk, even lastig als wat hij in de leerlooierij voor de kiezen kreeg, maar hij voelde bij elke klimbeurt de kracht in zijn goede been toenemen.
Udo’s plan was eenvoudig en gevaarlijk tegelijk: sluipen, afleiden en grijpen. Geen brutale aanval, geen haast. Alleen precisie, geduld en een moment waarop de stad hem even niet zou horen of zien. Zijn hart klopte sneller bij de gedachte dat één klein geluid of één verkeerde stap alles zou kunnen verwoesten. Zou het wel lukken?
Hij moest moed vatten; er was wel degelijk hoop voor hem. Inneke, een vriendelijke ziel in de leerlooierij, die altijd een zacht woord voor hem overhad, bleef een lichtpunt in de schaduwen van zijn gedachten. Misschien zou ze zijn medestander worden in de nieuwe orde die hij zou vestigen. Een vrouw mee aan de macht – dat idee alleen al deed hem glimlachen.
Nu moest hij handelen.
 
#
 
EEN ONVERWACHTE ONTMOETING …

Udo streek over de rand van zijn leren tas, voelde het koord dat hij zou gebruiken. Alles was klaar. Hij haalde diep adem en stapte de steeg in, het plan in zijn hoofd levendiger dan ooit.
De stad sliep nog half. De klokken van de Marienkirche beierden zesmaal en een straathond leek bezig met het oplossen van het mysterie van zijn eigen dutje. Udo keek omhoog. De toren van het Topplerschlösschen stak tegen de hemel af als een wijsvinger die aan het universum vroeg: ‘Wie doet me wat?’ De wimpel plooide zich dan weer naar de wind, de enige meester die hij echt duldde. Leonhard de Beveler kon niet anders dan een tijdelijke heerser zijn, toch?
Aan de voet van de toren stond een patrouille van twee jongens, nog geen mannen eigenlijk, druk met het knopen van veters alsof het een kunst was. Ze waren de nachtwakers. Tenminste: dat beweerde hun wapenrusting, en dat geloofden de meeste inwoners.
‘Ziet eruit alsof het weer misgaat met de veters,’ fluisterde de een.
‘Als we de veters vastkrijgen, krijgen we misschien ook betaald,’ antwoordde de ander.
Udo grijnsde Hij kon het niet helpen: de ernst waarmee ze een veter behandelen stemde hem hoopvol voor wat komen zou. Hij ging de richting van de bakkerij uit, net voorbij de toren. Niet om brood te kopen – hij werd karig betaald – maar omdat hij wist dat de bakker zijn oven open zou gooien om lucht te laten ontsnappen. Warmte. Lucht. Geluid. De perfecte dekmantel.
‘Hallo?’ Een hoge stem kwam van de hoek. Het was Inneke! Ze stond daar met haar haar in een vlecht die meer stof dan glans leek te bevatten. Haar ogen waren groot en gulzig, zoals van iemand die een verrassing had geproefd en haar meteen met vrienden wilde delen.
‘Wat doe jij hier?’ vroeg Udo, heel zacht.
‘Jij … jij,’ zei ze weifelend, ‘loopt altijd zo raar door de stad.’ Ze verbeterde zichzelf snel. ‘Ik heb het niet over jeweetwel. Maar over je meanderende routes. Ik dacht, eh, ik kijk even of je niet de weg kwijt bent.’ Ze wiebelde op haar tenen, alsof ze wilde maskeren dat ze hem eigenlijk had gevolgd. ‘En ik heb een mand met oude sokken. Voor de nacht. Of de dag. Voor je voeten.’
Udo moest lachen. ‘Sokken?’ vroeg hij. ‘Je neemt me in bescherming met sokken? Ik heb meer aan mijn touw, geloof ik.’ Hij klopte op zijn tas.
‘Ik zie het al dagen aan je houding, aan je nervositeit. Jij bent wat van plan! In deze stad bescherm je elkaar met sokken,’ zei Inneke, nu vastberaden, en stak hem de mand toe. ‘En met koek, maar die heb ik gegeten.’
Haar aanwezigheid vormde slechts een licht gevaar voor zijn plan. Ze was geen verrader. Ze was onhandig en goedhartig, precies het soort mens dat de wereld beter maakte. ‘Blijf dan,’ fluisterde Udo. ‘En kijk, maar spreek niet.’
Inneke fronste haar wenkbrauwen, maar zei niets.
Udo zag haar teleurstelling, dus griste hij gauw een sok uit de mand en legde die over zijn schouder, als een soort vredesoffer. Hij had geen tijd te verliezen.
Ze knikte goedkeurend en ging zitten op een houten kruk die naast de deur van de bakkerij stond.
 
EEN MAST WACHT …

Dit was het juiste moment! De oven van de bakker kreunde en zond een warme adem uit die langs de straat gleed als een sluipende kat. De nachtwakers reikten even verderop voor de zoveelste keer naar hun veters en praatten honderduit. Over Leonhard, die aan de wimpel zijn macht ontleende. Of misschien over zijn tariefverhoging van de stadsmolen. Het maakte niet uit – er was precies genoeg lawaai.
Udo knikte naar Inneke en sloop dan voorovergebogen naar de masten. De drie hoge palen waren omgeven door een lage meidoornhaag die rijkelijk versierd was met stoffen bloemen, ter ere van de Beveler. Udo beefde over zijn hele lijf – niet van angst, maar van verwachting. Hij knielde bij de eerste haag en haalde zijn touw tevoorschijn. Een behendige worp, en de lus zat om de mast. Hij trok het touw strak aan. Hopelijk had hij voldoende kracht in zijn goede been. Hij had in de voorbije maanden natuurlijk niet voor niets zoveel tijd in Eberhain doorgebracht.
Udo trok het touw nog eens strak aan en keek omhoog. De mast leek ineens hoger dan ooit, als een woudreus die aan de hemel zelf wilde krabben. Hij had hier maanden op geoefend – alleen de maan had zijn pogingen gadegeslagen, en zij had nooit gelachen.
‘Udo,’ fluisterde Inneke achter hem, ‘je weet dat dit ... eh, niet in de Bijbel staat, toch?’
Ze had hem gevolgd, ondanks zijn vriendelijke vraag. Hij kon niet kwaad zijn op haar, natuurlijk zou hij niet liever hebben dan dat ze altijd in zijn buurt bleef. Alleen was dit waarschijnlijk niet de juiste gelegenheid
‘Dan schrijf ik wel een nieuwe,’ zei hij om het gesprek stil te leggen. Het moest vooruit gaan, nu.
Inneke hield een hand voor haar mond.
Met een zucht zette Udo zijn voet tegen de mast en begon te klimmen. Zijn goede been duwde hem omhoog, zijn slechte gromde binnensmonds protest, maar Udo gaf niet op. De bakkerijlucht – warm, gistig en vol belofte – steeg met hem mee.
Halverwege gleed hij bijna uit, en de mast kraakte gevaarlijk. Hij keek onwillekeurig naar beneden en zag hoe Inneke haar mand vol sokken tegen haar borst klemde.
‘Niet vallen!’ siste ze.
‘Dat was ik net van plan,’ hijgde hij geïrriteerd terug, ‘maar je hebt me overtuigd.’
Hij keek even naar de deur van het Topplerschlösschen. Het zag ernaar uit dat één wachter de veter in zijn schoen had gekregen. Dat was reden tot gejuich. Prima zo, leve de jeugd en hun kleine overwinningen.
Udo zwoegde zich opnieuw een weg naar boven.
Nog één laatste ruk, en daar stond hij, bovenaan de mast, zijn bruine haar in de wind, zijn blik gericht op de toren van het Topplerschlösschen. De wimpel wapperde verleidelijk dicht bij hem – een blauw-witte vlam in de opkomende zon. Maar tussen hem en de toren gaapte een kloof van misschien twee meter.
Twee meter macht.
Twee meter geschiedenis.
Twee meter waanzin.
Udo slikte. De mast zwiepte onder zijn gewicht. Udo spitste zijn oren. De nachtwakers beneden discussieerden nu over wie van hen eigenlijk de sleutel van de wachttoren kwijt was. De stemming was omgeslagen, dat ging snel. Geen beter ogenblik dan dit!
Hij boog zijn knieën, voelde de wereld kantelen, en sprong.
Even hoorde hij niets meer.
De kloof leek zich te openen, breder, dieper. De toren week, of zijn moed zakte. Zijn vingers schoten langs de gladde stenen, zijn goede voet greep niets. In een fractie van een seconde voelde hij hoe hij viel, en wist hij: dit is het. Dit werd zijn laatste goede idee.
Maar toen … een onverwachte zachtheid. Iets bungelde in de buurt van zijn manke been: Innekes sok was daarnet van zijn schouder gegleden en verstrikt geraakt in het touw. Terwijl hij sprong, had de sok zich vastgeslagen aan een uitstekende haak van de toren – een koddige reddingslijn van wol en toeval.
Udo hing stil, even toch, het hoofd naar beneden. De sok scheurde onder het gewicht, maar bood hem net genoeg tijd om met zijn armen naar het openstaande luik te graaien op de bovenste verdieping van de toren.  Hij ging over kop en vloog met zijn benen vooruit het raam door. Met een luide kreun plofte hij op een trede. Hij zag sterretjes. Hopelijk hadden de wachters beneden niets gehoord.
Toen hij zich niet meer duizelig voelde, stak hij voorzichtig zijn hoofd door het raam. Inneke stond warempel met de wachten te babbelen. Ze toonde hen sokken in verschillende kleuren.
‘En deze passen zeker bij jullie veters,’ hoorde hij haar zeggen.
Wat een vrouw!
Maar waarop wachtte hij eigenlijk? Hij hinkte ondanks zijn stramheid de treden op.
Bovenaan de trap bevond zich een deur. Ademloos stootte hij die open. Een ladder leidde naar een paneel in het plafond.
Voor hij het wist, stond hij oog in oog met … de wimpel.
Hij lachte. Hardop. Een klank die de slapende duiven op de kantelen deed ontwaken. Hij greep de stof en kneep erin alsof het leven zelf ertussen zat. Hij slaakte een vreugdkreet.
Onder zich hoorde hij nu ook Inneke juichen. ‘De sok! De sok heeft het gedaan!’
Udo hief de wimpel omhoog, de wind speelde ermee, en voor het eerst in tijden voelde hij geen pijn in zijn been. De klok van de Marienkirche sloeg zeven keer, en de stad ontwaakte in een nieuw tijdperk – eentje waarin macht misschien niet langer boven de mensen hing, maar tussen hen, zachtjes wapperend als een belofte van wol en vriendschap.
 
#
 
IK HEB ÉN IK BEN …

Toen Udo de zware deur op de begane grond opende, staarden de wachters – elk met een stel sokken in de hand – hem met grote ogen aan.
‘U … U heeft,’ stamelde de een.
‘ U b-... bent …’ onderbrak de andere zijn kompaan.
‘Jawel, ik heb én ik ben,’ bevestigde Udo hun vermoedens vrolijk. Hoe vreemd. Bij het opstaan had hij nog wraak willen nemen op alles en iedereen, maar nu hij de wimpel daadwerkelijk in handen had, ervoer hij een diepe rust. Hij kon zich moeilijk voorstellen dat het Leonhard de Beveler destijds ook zo was vergaan. Mensen verschilden nu eenmaal. Of …
‘Het komt door mijn sokken,’ leek Inneke zijn gedachten te raden.
De wachters gingen eerbiedig door de knieën en spreidden hun pas gekregen sokken voor hen uit.
Udo en Inneke schoten gelijktijdig in de lach.
‘Ik geloof dat er een tijd van onschuld aanbreekt,’ zei Inneke.
Wat een vrouw, dacht Udo nogmaals, ze heeft altijd gelijk.

0 Opmerkingen

Jan JB Kuipers - Evenbeeld

1/3/2026

0 Opmerkingen

 
De ziel treedt in een droom het lichaam uit
Zij buigt zich over het spiegelend water
De krokodil duikt op en sleurt haar mee
Pijl van de tijd, het nu als de bek van later
 
Sparteling, wijde kringen, een sliert bloed
Ik weet waar de ziel de ziel vermoedt
En hou een spiegel boven het spiegelbloed
Van dat bodemloos gewetenloze water
 
Kwantumverstrengeling, fundamenteel verzinsel
De spiegels verdubbelen mij daar voor later
Het kaatsen tussen beide, mystiek beginsel
 
Zo kunnen wij elkaar in ’t diepe woud ontmoeten
Treden door varens, struiken, lichtplek, schaduwvlek
Om ons bleek evenbeeld in huiver te begroeten
 

Dit gedicht werd ingezonden voor de dichtwedstrijd De Ontmoeting'.
0 Opmerkingen

Finn Audenaert en Kwan Aben-Lee - De wimpel of De val van Udo

27/2/2026

0 Opmerkingen

 
Vandaag ging Udo niet naar de leerlooierij. In plaats daarvan liep hij van west naar oost door het Eikenbos, richting het Topplerschlösschen. De grond lag bezaaid met eikels en de regen van de afgelopen dagen had het bospad modderig gemaakt. Telkens als Udo zijn voet optilde, liet hij een voetafdruk achter. Toch was het pad zo glad als een spiegel en Udo lette erop zijn goede been te gebruiken wanneer hij over eikels en verkleurde bladeren stapte. Pas als hij de bodem onder zijn voet voelde en zeker wist dat zijn voet nergens achter zou haken, sleepte hij zijn andere been naar voren. Udo herinnerde zich niet veel meer van het ongeluk, behalve de gezichten van de drie jongens die hem voor de kar hadden geduwd. Toch had hij geweigerd de drie aan te wijzen bij de schout. Dat komt later wel, dacht Udo. Nu moest hij zich concentreren op het neerzetten van zijn goede been en zorgen dat het andere zoveel mogelijk meewerkte zonder hem uit evenwicht te brengen.
Hij had iedereen die hij maar kon bedenken gesmeekt zijn zusje te helpen. Hij had bij het blinde bakkersvrouwtje aangeklopt en takjes salie verbrand voor de eeuwig zwangere Maria. Udo had zelfs de magiër van Windelsbach benaderd en hem zijn eerstgeborene aangeboden. Maar het absolute dieptepunt was vanochtend bereikt, toen hij zijn trots opzij zette en bij de stadsdokter aanklopte die hun moeder in haar laatste dagen had bijgestaan.
‘Kom maar terug als je geld hebt, jongen,’ zei de dokter.
Udo balde zijn vuisten, klaar om de dokter te lijf te gaan en alle gevolgen voor lief te nemen. In plaats daarvan spuugde hij in diens gezicht en maakte hij dat hij wegkwam.
Na het mislukte bezoekje aan de stadsdokter haastte Udo zich in de richting van het Topplerschlösschen. Hij had een duidelijk doel, maar hij had geen plan. Eerst het kasteel maar eens zien te bereiken, dacht Udo en hij strompelde gestaag verder over het modderige pad.
De mantel die hij droeg was te warm voor de tocht en van de vijf knopen die zijn zusje aan het voorpand had gespeld, hingen er inmiddels vier los. Toch was de mantel van ossenhuid het enige wat Udo die ochtend had meegenomen toen hij besloot naar de stadsdokter te gaan. Niet dat dat ook maar iets heeft geholpen, dacht Udo, maar hij was blij de mantel bij zich te hebben. Een jaar geleden had hij de ossenhuid in een opwelling uit de leerlooierij gestolen. Het plezier waarmee zijn zusje de ossenhuid omtoverde tot een mantel, maakte de diefstal meer dan goed.
‘Sta eens stil,’ zei zijn zusje en: ‘Steek je armen uit,’ en: ‘Stop met wiebelen.’
Udo onderging alles zonder tegenstribbelen. Stiekem genoot hij van de manier waarop Ib hem opdrachten gaf en commandeerde. Ze was zo bazig, dacht Udo, maar de opleving was maar van korte duur geweest. De mantel was nog geen week af of zijn zusje gleed terug de duisternis in.
Dezer dagen kon Ib nauwelijks wakker blijven. Vanochtend had zijn zusje amper een hap gegeten of ze was opnieuw in slaap gevallen. Udo schudde met zijn hoofd alsof hij het daarmee kon leegschudden. Nee, dacht hij, Nee en Verdammt!
Udo slipte over een eikel en lag op zijn rug.
Vanaf de grond keek hij versuft naar de lucht. Wolken schoven over elkaar heen, zoals zijn gedachten over elkaar heen buitelden. Hij zou overeind moeten komen. Hij zou de takken en bladeren en het vuil van zijn mantel moeten kloppen. Mislukkeling, dacht Udo en hij sloeg een arm over zijn ogen. Waarom kon hij het niet opbrengen om overeind te komen? Als hij nu niet opstond, zou hij nooit meer opstaan en Udo moest het Eikenbos uit zien te komen. Eenmaal het bos uit was het, op zijn tempo, nog een halve dag lopen tot het Topplerschlösschen, waar het machtigste wapen van Rothenburg ob der Tauber en omstreken wapperde: de blauw-wit-geblokte wimpel met de gouden cirkel in het midden.
Met de wimpel in handen kon Udo de beste artsen van het land laten komen. Hij kon bevelen uitdelen en zijn zusje genezen. Hij kon Ib alles geven wat haar hartje begeerde. Ze zou de zee kunnen zien. Maar Udo moest zich niet verliezen in dromen. Alleen in het afgelopen jaar waren al twaalf doden gevallen toen gelukzoekers, dromers en dwazen zoals hij een poging waagden de wimpel te bemachtigen. Het laatste wat Udo wilde was als visvoer in de grachten rond het kasteel eindigen. Toch moest hij het proberen, al had hij geen idee hoe.
Langzaam kwam Udo overeind. Hij klopte zijn mantel af, schudde bladeren en modder van zijn mouwen en voelde aan zijn been, alsof hij zeker wilde weten dat hij er een had. Voor de zekerheid telde hij ook de knopen op het voorpand van zijn mantel, want mocht hij er een missen, dan zou hij niet rusten tot de knoop was teruggevonden. Toen niets hem er meer van weerhield om de tocht voort te zetten, zuchtte Udo diep. Laten we maar gaan, dacht Udo, maar nog geen vijf stappen verder deinsde hij alweer achteruit. Dit keer had hij zowaar een excuus, want vanuit het niets – als een donderslag bij heldere hemel – kwam een jongen uit de lucht vallen.
Udo moest wel drie keer kijken tot hij geloofde wat hij zag. Voor hem lag, midden tussen de eikels en natte bladeren, een jongen op de grond. Zou hij een engel zijn? dacht Udo en hij keek van de jongen naar de lucht en weer terug. De jongen zag er bleekjes uit, met een kleurloze, haast doorschijnende huid en haren zo wit als van een oude man. Als een lappenpop lag de jongen op zijn rug met de armen en benen gespreid. Het was hierom dat Udo niet wist waar hij zijn ogen laten moest; de jongen was poedelnaakt.
Udo durfde zich niet te verroeren, bang dat hij de jongen weg zou jagen.
‘Hallo?’ zei Udo.
De jongen reageerde niet. Hij krabbelde langzaam overeind, zag Udo staan en stond stokstijf stil. Toen Udo’s blik per ongeluk van zijn gezicht naar beneden afdwaalde, sloeg de jongen zijn handen eerst voor de mond en toen voor zijn kruis.
‘Kan je mij zien?’ zei hij.
‘Eh, ja?’ antwoordde Udo.
De jongen draaide zich vliegensvlug om en keek over zijn schouders naar achteren.
‘Wat sta je nou te kijken?’ zei hij op een toon die Udo maar al te goed kende. De jongen klonk precies zoals Ib wanneer ze op het punt stond te huilen en alles op alles zette om de tranen binnen te houden. Bij de gedachte aan zijn zusje voelde hij een steek in zijn borst.
‘Hier,’ zei Udo. Hij trok zijn mantel uit en legde die over de schouders van de jongen.
‘Dank je,’ snifte hij en: ‘Sorry dat ik tegen je uitviel.’
‘Geeft niet,’ zei Udo.
‘Geeft wel,’ zei de jongen.
Zo stonden de twee ietwat ongemakkelijk tegenover elkaar in het bos. Wat moet ik doen? dacht Udo. Wilde hij het Topplerschlösschen bereiken voor het vallen van de nacht, dan moest hij hemel en aarde bewegen en als de wiedeweerga zijn tocht voortzetten. Maar hij kon de jongen toch niet in de kou laten staan? Ib zou razend zijn als ze wist dat ik de mantel heb weggegeven, dacht Udo.
Terwijl hij stond te dubben of (en vooral hoe) hij zijn mantel terug kon vragen, stak de jongen plotseling zijn tong uit en gaf hij een lik aan de mouw van de mantel.
‘Wat doe jij nou?’ zei Udo.
De jongen keek verschrikt op. ‘Sorry,’ mompelde hij, ‘ik was vergeten dat je mij kon zien.’
‘Natuurlijk kan ik je zien. Met mijn ogen is niets mis.’
‘Wat heb je met je been gedaan?’
‘Dat gaat je niets aan.’
‘Ben je zo geboren?’
‘Zeg,’ zei Udo, die ter plekke besloot dat hij zijn mantel terug zou eisen, ‘waar zijn je manieren?’
‘Wacht,’ zei de jongen, ‘waar ga je heen?’
‘Naar het Topplerschlösschen,’ gromde Udo. 
‘Toch niet voor de wimpel?’ zei de jongen,
‘Toch wel,’ zei Udo en hij bukte om een handje eikels op te rapen. Hij wist niet waarom hij dat deed, maar het gaf hem wel de kans om aan de blik van de jongen te ontsnappen.
‘Wat is je plan?’ vroeg de jongen.
‘Dat heb ik niet.’
‘Je kunt niet over land, want daar zijn wachters,’ zei de jongen.
‘Ik weet het,’ zuchtte Udo.
‘Je kunt niet over water.’
‘Ik wéét het.’
‘Wat is je plan dan? Je wilt toch niet dood?’
De jongen had het nog niet gezegd of er knapte iets in Udo. Brullend haalde hij uit en slingerde de eikels, die hij zojuist nog in zijn hand had, door de lucht.
‘Sorry,’ zei de jongen en ‘Wacht! Stop met eikels gooien! Stop! Stop nou!’
Maar Udo kon niet stoppen. Udo zou NIET met lede ogen toekijken hoe zijn zusje met de dag wegkwijnde.
‘Luister,’ zei de jongen en hij stak zijn handen in de lucht, ‘Ik weet precies wat je nodig hebt.’
De jongen liep van Udo weg en kwam even later terug met zijn armen vol veren.
Even dacht Udo dat de jongen een grote vogel in zijn armen droeg, maar toen hij beter keek, zag hij dat het om een raamwerk van veren ging. Draden waren tot een boog gespannen en aan elk van de draden, bijeengehouden door bijenwas, hingen veren van verschillende kleuren en groottes. Er waren veren die van wit naar grijs overgingen en er waren veren zo pluizig dat Udo hoopte dat die van een vogel in de rui waren – en niet geplukt.
‘Ik weet niet wat je je op de hals hebt gehaald,’ zei de jongen, ‘maar je hebt me geholpen, dus ik zal jou ook helpen.’
Udo begreep direct waar de jongen op doelde. Om de wimpel te bewaken had zijn huidige bezitter meterslange grachten laten graven en een leger wachters voor het kasteel opgesteld. Alle dromers en dwazen die zich waagden aan het stelen van de wimpel liepen tegen hetzelfde aan. Als Udo niet als een van zijn voorgangers wilde eindigen moest hij vooral niet hetzelfde, maar juist iets anders doen. En het raamwerk dat veel weg had van de vleugels van een vogel, bood Udo een kans om het anders te doen dan zijn voorgangers: niet over land, niet over water, maar door de lucht.
‘Hoe kom je hieraan?’ vroeg Udo, terwijl hij het raamwerk bewonderde. 
‘Mijn vader is een echte vakman,’ zei de jongen.
Udo dacht dat de jongen nog iets over zijn vader zou zeggen. In plaats daarvan legde de jongen het raamwerk op Udo’s schouders en bond hem vast.
‘In ruil voor de mantel,’ zei de jongen.
Udo slikte. Deze ruil was precies wat hij nodig had. Ib zal het wel begrijpen.
‘Probeer maar,’ zei de jongen. Ze waren naar een open plek in het bos gelopen, waar de eikenbomen verder uit elkaar stonden, en de hemel vrij was. Udo knikte. De veren ritselden zodra hij zijn handen optilde en naar zijn borst bracht. Toen duwde hij zijn armen van zich af, zoals hij vogels had zien doen. Steeds weer klapte hij zijn armen open en dicht en langzaam kreeg Udo een slag te pakken waarbij de wind niet langer tussen de ruimtes van de veren ontsnapte. Spoedig kwamen zijn voeten van de grond en zoals een dakdekker een ladder beklom, klom Udo met zijn vleugels in de wind.
‘Zorg dat je aldoor in ’t midden vliegt!’ riep de jongen hem vanuit het bos na, ‘Als je te laag gaat, maakt het water van de grachten je vleugels zwaar; te hoog, dan smelten ze door zonnehitte.’
Maar Udo hoorde de jongen niet meer. Met stevige slagen zweefde Udo door de lucht. Zijn dagen in de leerlooierij waren zwaar geweest, maar hadden zijn armen sterk gemaakt. Meters die met zijn slechte been de grootste moeite hadden gekost, legde Udo nu met een enkele slag af. Hij vloog over het Eikenbos, richting het oosten naar het Topplerschlösschen en liet de wind hem dragen. Hij vloog over een man die zat te vissen met een dunne rieten hengel. Hij scheerde over het hoofd van een herder leunend op zijn staf. Udo vloog over het land van een boer die zijn ploeg stillegde om vol verbijstering te kijken naar de engel in de lucht – en voor het eerst sinds lange tijd voelde Udo in zijn borst een sprankje hoop. Het enige wat hem te doen stond, was de wimpel te pakken en alles zou goedkomen.
Met de wind in de vleugels doemde in een mum van tijd het Topplerschlösschen op. Udo versnelde zijn slag en zocht met zijn ogen het kasteel af. Wat is hij klein, dacht Udo toen hij de blauw-wit-geblokte wimpel zag. De wimpel was niet langer dan Udo zelf en slechts een halve el breed. Hoe het kon dat zo’n stuk textiel absolute macht vertegenwoordigde, was verloren gegaan in de mist der tijden. Toch had Udo de wimpel nodig om zijn wil aan anderen te kunnen opleggen. Om de beste artsen uit het land te laten komen. Om zijn zusje te genezen. En misschien wel zijn eigen been te laten helen. Udo’s ogen volgden de snelle bewegingen van de gouden cirkel midden op de wimpel, hij besloot zijn vleugels wijd uit te spannen. Hij bracht zijn linkerarm omhoog en helde zijn lichaam naar rechts, en hij voelde hoe de lucht met hem mee van richting veranderde. Als een roofvogel cirkelde Udo om de wimpel heen. Met de wimpel in het vizier, zocht hij de eerste mogelijkheid om het begeerde stuk aan te vliegen.
Het was verbijsterend simpel om bij de wimpel te komen. Met drie keer om het kasteel heen cirkelen, kon Udo hem al met zijn vingers aanraken. Bij de vierde poging had hij beet, maar moest hij de wimpel op het laatste moment loslaten om voldoende snelheid te behouden. Zo dichtbij, dacht Udo en hij brulde van frustratie toen hij bij de volgende poging opnieuw de wimpel uit zijn vingers voelde glippen. Dit gaat niet werken, dacht Udo en hij besloot het over een andere boeg te gooien. Hij versnelde het klapperen met zijn vleugels om vaart te maken, telde af van drie naar twee naar een en hield terstond op met zijn vleugels te bewegen. In plaats daarvan stak Udo zijn armen uit en greep de vlaggenstok met beide handen vast. Met zijn linkerhand boven de rechter en de duimen dezelfde kant op, draaide Udo als een schroef om de stok. Zijn stunt bleef niet onopgemerkt en onder hem nam de commotie toe.
‘Halt!’ riepen de wachters naar boven.
‘Mooi niet!’ riep Udo terug en hij stak een hand uit, graaide naar de wimpel en rukte zo hard dat het textiel scheurde. Met een stuk van de wimpel in de hand, liet Udo de vlaggenstok los en gooide hij zijn vleugels wagenwijd open. In plaats van te vallen, maakte Udo een duikvlucht over de hoofden van de wachters.
‘Van mij!’ riep Udo glunderend en hij kon niet stoppen met grijzen.
Met de wimpel in de hand, maakte Udo dat hij wegkwam.
Het is me gelukt, dacht Udo, het is me gelukt!
Hij kon niet wachten tot hij de wimpel kon hijsen en het verbaasde gezicht van Ib zou zien. Je zult me niet geloven, zou hij zeggen, en Ib zou hem onderbreken met vragen als Heb je dat echt gedaan? Heb je echt gevlogen? Door de lucht?
En hij zou al haar vragen beantwoorden en vertellen hoe hij de wimpel van het Topplerschlösschen had gerukt. Hij zou haar vertellen over de jongen die uit de lucht kwam vallen. Over hoe de jongen stiekem aan de mantel likte toen hij dacht dat Udo niet oplette. Udo zou elk detail beschrijven, en zijn zusje zou schateren van het lachen. En omdat zijn zusje nu eenmaal dol was op verhalen, vormde zich in zijn hoofd een plan.
Udo fladderde over het Eikenbos richting het westen, maar hij keerde niet naar huis. In plaats daarvan vloog hij naar de leerlooierij, de plek waar hij dag na dag was uitgebuit en vernederd. Nu hij de wimpel bezat, kon hij de leerlooierij sluiten als hij dat wilde. Hij kon iedereen ontslaan. Of iedereen voor hem laten kruipen. Het idee alleen al liet zijn hart sneller kloppen en toen Udo de leerlooierij in het zicht kreeg, begon hij luidkeels te kraaien, net zolang tot mensen naar buiten kwamen om met hun eigen ogen de vliegende jongen te zien.
‘Het is een zeldzame vogel die de weg kwijt is geraakt,’ zei een stadgenoot.
‘Het is een aartsengel, gezonden door God,’ zei een andere.
‘Het is manke Udo!’ riep een kind dat bij zijn moeder op de rug zat.
En allemaal staarden ze met open mond naar de jongen in de lucht, die met zijn vleugels om de leerlooierij cirkelde.
Udo herkende enkele gezichten in de menigte. Hij zag het blinde bakkersvrouwtje bij de eeuwig zwangere Maria staan. Hij zag de stadsdokter, de schout en ook de karrendrijver naar hem wijzen. Udo maakte een scherpe bocht naar rechts en zocht in de menigte de gezichten af tot hij eindelijk een drietal gezichten herkende. Het waren de jongens die hem voor de kar hadden geduwd. ‘Hee, jullie daar!’ riep Udo naar beneden. Toen liet Udo zijn broek zakken – iets wat geheel niet simpel was, aangezien de wind niet mee wilde werken en zijn vleugels in beweging moesten blijven. Met wat kunst- en vliegwerk kreeg Udo zijn broek over zijn achterwerk en met de billen bloot vloog Udo bij wijze van ereronde nog een laatste keer om de leerlooierij. Eenmaal boven de hoofden van de drie jongens, liet hij –  zoals hij stadsduiven zo vaak had zien doen – zijn blaas leeglopen. Udo kon niet stoppen met lachen en maakte dat hij wegkwam.
De hele onderneming was wonderlijk voorspoedig verlopen. Zelfs het bezoek aan de stadsdokter was een zegen gebleken, en de wimpel in zijn hand was het bewijs van zijn triomf. Nu komt alles goed, dacht Udo, Niemand kan me nog wat maken en met zijn hoofd in de wolken, fladderde hij door de lucht, niet wetende dat straaltjes van zijn eigen plas, warm van de inspanning, de toch al zachte bijenwas in zijn vleugels liet smelten.
Eerst lieten de veren los.
Toen sprongen de draden.
Al snel sloeg Udo zijn vleugelloze armen in het rond, maar bij gebrek aan wieken ving hij nergens wind. Nog voor hij goed en wel besefte wat er gebeurde, sloeg Udo – met de wimpel in de hand – te pletter op de grond.
 
 
Bij het schrijven van dit verhaal is gebruikgemaakt van: Finn Audenaert, De wimpel en Ovidius (2001) Metamorphosen (M. D’Hane-Scheltema, vert.), Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam.
0 Opmerkingen

Hay van den Munckhof - Manke broeders

26/2/2026

0 Opmerkingen

 
Roerloos hurkte hij in het steenslag achter een gekarteld rotsblok.
            Twee uit been gesneden vetlampjes stonden bij zijn voeten. Zijn bizonvacht hing daar zo overheen, dat de warmte van hun gele vlammetjes haar weg omhoog vond en zo de allerergste kou verdreef.
            De oude man keek uit over de besneeuwde rotsblokken en dwergberken in de luwte van de kloof beneden hem. Een deel van zijn geest vertoefde echter op de vlakte daarachter.
 
‘Zoek je de dood, Qua’sah?’ riep Uroq, de jongste der jagers, toen hij de vuurplaats verliet. ‘Dat zal anders nog niet meevallen. Zelfs de veelvraat zal moeite hebben met zo’n taaie hap.’
            Qua’sah gaf geen antwoord. Hij was echter te zeer op Uroq gesteld om diens opmerking helemaal te negeren. Hij keek om en zag hoe Ua’lah de jonge jager met een vernietigende blik de mond snoerde.
            Qua’sah kon het de oude sjamaan nauwelijks kwalijk nemen dat hij geen enkel gevoel voor humor toonde. Hij wist hoe zeer het onverwachte vertrek van de mammoetkuddes Ua’lahs prestige binnen de stam had aangetast.
 
Lang nadat hij het rondhuis, opgetrokken uit huiden en mammoetbeenderen, achter zich gelaten had, glimlachte Qua’sah nog altijd. De jongen had als enige opgemerkt dat hij het rondhuis met al zijn wapens verlaten had. Uroq zág hem tenminste nog!
            Zijn glimlach bevroor toen hij de lege rondhuizen passeerde, die de door honger en ziekte uitgedunde stam na dit jaar niet meer nodig zou hebben.
            Met hun lage silhouetten en uit slagtanden gevormde deuropeningen grijnsden ze hem aan. De ochtendzon gaf ze dezelfde glans als de mammoetschedels, die op de toendravlakte achter het kamp lagen te verbleken.
            In een boog ging hij er omheen, uit respect voor de doden van deze winter.
            Hij concentreerde zich, negeerde de nooit aflatende pijn in zijn linkerknie en voerde zijn geest verder terug in de tijd, terug naar lange avonden vol gelach en onmogelijke jachtplannen.
            Jager-Die-Lang-Denkt luidde toen zijn bijnaam, vanwege het vele vlees dat zijn denken de stam opleverde.
            Maar intussen was die naam de spotnaam geworden voor een bijna vergeten kreupele, die in een hoekje achter de vuurplaats zat te dutten.
            Met een huivering schudde hij die gedachten van zich af. Was hij op weg gegaan om hier vol zelfbeklag over de vlakte te gaan staren? Nee!
            Zijn gezicht verstrakte en hij nam zich voor vanaf nu alleen nog te denken aan de toekomst en aan zijn dromen, die de stam van de ondergang konden redden.
            Hij keerde de vlakte en het kamp de rug toe, hing boog, speren, buidel en een extra vacht in de juiste balans. Zijn weg leidde eerst over lage, rotsige heuvels.
            Het laatste stuk naar de kloof was vlak en goed begaanbaar. Qua’sahs gedachten dwaalden af naar Uroqs verhaal over de laatste mammoetjacht. Dat verhaal had vele nachten door zijn dromen gespookt. Het had hem ten slotte de geest van de mammoet geopenbaard, de geest die hem nu de weg wees.
 
De jagers ontstaken hun fakkels en kwamen gillend van achter de rotsen tevoorschijn. Luid trompetterend bogen de voorste mammoeten af in de door de jagers gekozen richting. De overige dieren stampten panisch achter hen aan. De bodem trilde toen de kudde in de richting van de afgrond denderde.
            Toen… als beroerd door een geestenhand…  hielden de dieren in en keerden zich in de richting van de naderende jagers. Ze groepeerden zich rond een reusachtige stier met spiraalvormig gekromde slagtanden.
            Uroq mocht op zijn allereerste jacht enkel toekijken. Hij stond alleen op een rots, vlak naast de afgrond, waarheen de jagers de kudde dreven.
            Daar ving hij de geest van de oude stier, die het plan van de jagers doorzien had en de kudde tot staan bracht. Met alle kracht die in hem was, riep Uroq het dier.
            De stier stond stil en leek te aarzelen. Meteen verloor hij zijn greep op de kudde. De overige dieren schrokken terug voor de brandende fakkels, keerden de jagers opnieuw de rug toe en denderden een nu onafwendbare dood tegemoet.
            Toen de eerste dieren over de rand van de afgrond stortten en te pletter vielen, stond de mammoetstier doodstil. Na een enkele, door merg en been gaande stoot, stampte hij dwars door de groep naar alle kanten opzij springende jagers en verdween in de richting van de open vlakte.
            Uroq werd overvallen door een gruwelijke hoofdpijn en moest de geest van de stier loslaten. Voor de kudde was het te laat. Een reusachtige hoop trillend vlees lag op de rotsbodem onder de afgrond.
            Vanaf die dag lag de vlakte er leeg en verlaten bij, alsof de geesten van de toendradieren zich in de eenzame mammoetstier verzameld hadden om via hem Uroq en zijn stam te straffen. Het meeste vlees van de te pletter gevallen mammoeten rotte weg, nog voordat het aan repen gesneden en gedroogd kon worden.
De sjamaan voelde dat de geesten van de toendradieren hem op die dag verlaten hadden. Hij tastte in het duister naar het waarom. U’alah durfde de boze mare niet aan de jagers te vertellen, werd ziek van ellende en verlangde naar de dood.
  
De volwassen jagers, die Uroq eerder uitbundig prezen, wilden liever niet aan de dag van die jacht herinnerd worden. Toen de winterkou inviel en vlagen stuifsneeuw langs de rondhuizen joegen, zaten ze avond na avond zwijgend in het vuur te staren, in hun trots gekrenkt en de wanhoop nabij, omdat zij de vuurplaatsen van de stam niet voor honger en ziekte hadden kunnen behoeden.
             Vooral kinderen werden ziek en bezweken door het eenzijdige en half bedorven voedsel. De borsten van de jonge moeders gaven nauwelijks nog melk. Spoedig zouden ze opdrogen en nooit zouden hun zuigelingen de lente zien.
            Dezelfde jagers die Uroq in de zomer uitbundig prezen, negeerden hem nu uit schaamte over hun eigen falen. Uroq probeerde met U’alah te spreken, want hij vermoedde waarom de oude sjamaan zich zo levensmoe gedroeg. U’alah reageerde enkel met een norse hoofdbeweging en negeerde de jongen verder volkomen.
             Toen had Uroq in het verste hoekje van de vuurplaats het gezelschap van de oude Qua’sah gezocht. Ondanks het verschil in jaren vonden hun geesten elkaar.
            Qua’sahs knie had het hem onmogelijk gemaakt aan die laatste jacht deel te nemen. Maar Uroq had slechts weinig woorden nodig om hem duidelijk te maken wat er die zomer zo verschrikkelijk fout was gegaan. Qua’sah hoefde slechts de ogen te sluiten om de jacht mee te beleven en te zien hoe die geëindigd was.
Met Uroq was hij nu de enige die wist welke geest nog op de vlakte rondwaarde.
 
Voorbij de lage heuvelrug werd het terrein moeilijker begaanbaar. Zachte glooiingen gingen over in steile puinhellingen tussen door weer en wind gebeeldhouwde rotsen. Qua’sah zocht en vond het spoor dat naar de enige beschutte plek op de noordhelling van de kloof leidde.
Hij masseerde zijn stramme ledematen en kauwde op een reep gerookt vlees. Zijn schuldgevoel over het meenemen van dit vlees van de stam had hij nu wel overwonnen. Als hij faalde zou dat de stam alleen maar vlees besparen. Als hij slaagde, zou er straks genoeg vlees zijn om de rest van de winter door te komen.
            Terwijl hij geduldig sneeuw bijeenschraapte om die boven een van de lampjes te smelten, mengde een slepend, onregelmatig geschraap zich met het fluisteren van de wind rond de donkere kammen aan weerszijden van de kloof.
            Qua’sah verstarde. De wind stond gunstig. Zijn geur zou hem niet verraden. Ongeduld kon dat wel. Hij bleef dus achter de rots en wierp uiterst behoedzaam een enkele blik over de rand en in de kloof.
  
Een roodbruine reus met gedraaide slagtanden, wiens haveloze vacht tot op de besneeuwde bodem hing, naderde de doodlopende kloof. Hier beneden, in de beschutting van de rotsen, stond nog een groep ongerepte dwergberken, sappig van schors en vol voedzame takken en twijgen.
            Pas toen hij aan het knakken en breken van takken hoorde dat de mammoet in het verste deel van de kloof aangekomen was en aan zijn maaltijd begon, kwam Qua’sah in beweging.
            Hij negeerde de pijn in zijn botten en overbrugde de afstand die hem scheidde van de reusachtige steenhoop vlak boven het smalste deel van de kloof. 
            Toen hij de berg stenen ontdekte, had hij zich afgevraagd of die ooit door anderen van zijn volk was opgestapeld of dat ook dit het werk van de geesten was.
            Nu had hij geen tijd om na te denken. Met zijn volle gewicht wierp hij zich op de stam die hij daar dagen eerder als hefboom had voorbereid. Met donderend geraas rolden de stenen over en door elkaar en stortten in een wolk van stof en sneeuw op de bodem van de kloof. Tegen een uitstekende rots van de tegenoverliggende wand kwamen ze tot stilstand.
Tot zijn schrik zag Qua’sah dat de zo gevormde versperring absoluut niet hoog en steil genoeg was om een mammoet lang binnen de kloof te houden. Maar de aanblik van de ingesloten stier deed hem helemaal verstarren. Het dier was op de vlucht geslagen naar het doodlopende deel van de kloof en draaide zich daar moeizaam om, de manke linkerachterpoot achter zich aan slepend.
Het was zoals in een van zijn laatste dromen. Daarin was hij zelf de mammoetstier, die eenzaam over de kale toendra zwierf. Hij voelde de wanhoop van het dier na het verlies van de kudde, een wanhoop zo diep dat het nauwelijks nog voedsel zocht. De stier doolde rond zonder acht te slaan op gevaar, zodat het ten slotte in een diepe rotsspleet stapte en een achterpoot brak.
 
Qua’sah zocht houvast aan een blok puin en haalde diep adem. Zou hij dan al half in de geestenwereld vertoeven en eindigen zoals in het verhaal van de rendierjagers, wier schimmen in de lange winternacht met reusachtige geweien over de toendra dwaalden?
             Tijd om hier lang bij stil te staan, was er niet. Al zijn kracht en concentratie had hij nodig om met zijn speren naar de top van de instabiele steenhoop te klauteren. Heel even dacht hij aan Uroq, die nu naast hem had kunnen staan. Grimmig schudde hij zijn hoofd. Over Uroqs bestemming hadden de geesten anders beschikt.
            Nu moest hij kiezen. Of deze strijd alleen aangaan, óf terugkeren naar het kamp om de jagers te halen, in de hoop dat de versperring van stenen hoog genoeg was om de mammoet met zijn manke poot in de kloof gevangen te houden.
            De stier koos zelf. Langzaam, licht zwalkend, maar zonder een moment te aarzelen ging hij in de richting van het donkere silhouet boven op de steenheuvel.
 
Uroq stond stil aan de rand van de kloof en wenkte de rest van de groep naderbij. De jagers twijfelden even en keken naar Ua’la.
De sjamaan knikte kort. Ze gehoorzaamden hem en voegden zich bij de jongen.
            De twee die nooit meer zouden hinken lagen daar naast elkaar. Een van de werpsperen stak uit de geopende bek van de stier, die zijn slurf om de borst van de oude man gewikkeld had.
            De oude mammoet werd van zijn vlees en tenslotte ook van zijn hersenen ontdaan. Meteen daarna werd Qua’sah samen met de lege schedel begraven.
            Twee slagtanden en twee speren bekroonden de steenhoop, die als laatste woonplaats van de manke broeders diende. 
            Op de weg terug naar de rondhuizen liep Uroq voorop. Zijn geest dwaalde over de vlakte en zag de eerste dieren terugkeren. Hij hield in om het Ua’la vertellen. Aan de blik van de sjamaan zag hij dat het niet nodig was. Ook Ua’la hoorde de geesten weer.
 
                                                      
                                                                                       
 

0 Opmerkingen

Tais Teng - Woorden geschreven in bittere belladonnagal op een vers geplukt eikenblad

25/2/2026

0 Opmerkingen

 
‘Ontmoet mij
Onder de Eenzame Eik
als de maan
ter kimme neigt.’
Woorden geschreven
in bittere belladonnagal
op een vers geplukt blad
van diezelfde boom.
Is het je ware geliefde
wiens kwikzilveren glimlach
je enkel
uit je ooghoek zag
in het verlichte raam
van een langsrazende trein?
Of eerder
de man in zwart satijn
die je naam
en je haastig geschetst gelaat kreeg
met het verzoek
je de volgende zonsopgang
niet te gunnen?
Je kunt wegblijven, natuurlijk,
maar de prijs is te hoog.
Je wilt je de rest van je leven
niet afvragen
wat je gemist hebt.
 
​
Dit gedicht werd ingezonden voor de dichtwedstrijd 'De Ontmoeting'.
0 Opmerkingen

Finn Audenaert en Bjorn J. Keus - De wimpel en de verandering van de stad

24/2/2026

0 Opmerkingen

 
HET ONTWAKEN
Udo stapte uit bed, de nacht was eindelijk voorbij. Naar deze dag had hij verlangd. Bij het opstaan brandde zijn been, pijnlijk als altijd. Een herinnering aan de dag waarop de kar hem hard had geraakt. Het was het noodlot.
De hoon van de jongens en mannen, iedere dag opnieuw. Zijn wonden bestonden uit meer dan alleen een pijnlijk mank been. Udo was het mikpunt van spot en pesterijen.
De nachtmerries bleven, over de dag van het ongeluk maar ook het getreiter. Zijn kamer rook naar oud leer, pekel en vet. Geuren van zijn bestaan in de leerlooierij. Veroordeeld door zijn vakmanschap en niets anders kunnen – of was het niets anders durven? Zijn dagen bestonden uit snijden, trekken en bewerken. Werk dat hij deed als een machine. 
Hij keek uit zijn raam. De zon kwam op. In de mist zag hij de vage contouren van de toren van het Topplerschlösschen. Een baken van trots, gegoten in eeuwige ongenaakbaarheid.
De blauw-wit-geblokte wimpel wapperde zoals altijd boven de daken. Het eerste licht liet de gouden cirkel van de wimpel glanzen. Alsof hij Udo uitdaagde en vroeg te komen.
Udo wilde een ander leven. Geen gepest meer, maar een welverdiend respect. Hij wilde meer: ook macht, gehoorzaamheid aan hem, en natuurlijk zocht hij liefde.
Sinds zijn vroege jeugd had Udo de wereld anders ervaren dan anderen. Zijn hoofd werkte net iets anders dan bij de meeste inwoners van de stad. Mensen zeiden dat hij verstrooid was, een dagdromer. Dat was waar. Na het ongeluk kwamen sombere gedachten daarbij.
Pijn en vernedering bleven aanwezig. De woorden van de stadsgenoten sneden in hem als messen. Iedereen noemde hem ‘kromme Udo’. Niemand zag hoe slim hij was.
Alleen Inneke, mooi, jong, aardig, sprak hem aan alsof hij een doodnormaal mens was. Haar glimlach was hem dierbaarder dan wat ook. Iedereen zag dat hij meer dan gebruikelijk aandacht had voor Inneke. Dat was vanzelfsprekend een nieuwe bron voor getreiter.
Vandaag dacht Udo niet aan werk en pijn. Wel aan Inneke natuurlijk. Vandaag dacht hij vooral aan de wimpel en alles wat die voor hem kon betekenen.
Want niemand wist dat Udo een verbond had gesloten met de mysterieuze man uit het woud.
Hij herinnerde zich de eerste keer dat hij Jurgen had ontmoet, in het bos buiten de stad. De bladeren en bomen waren de getuigen. De stilte droeg hun geheim. 
Jurgen, de oude warlock met ogen als donker mos en een doorleefde stem, had hem gevonden. Udo had dagen gebeden tot de Godin van aarde en vuur. Hij was gaan zitten onder de oudste boom, op zoek naar kracht, moed en macht. Naar grote veranderingen in zijn leven.
Zo had Jurgen hem aangetroffen: in extase, vervreemd van zichzelf. Niet meer wetend waar hij was. Hij had zijn handen op Udo’s schouders gelegd en gezegd dat het tijd was. Zijn gebeden waren gehoord. Een nieuw leven!  Udo liet zijn tranen vloeien. Hij omarmde Jurgen. 
‘Drie vormen,’ had Jurgen gezegd, ‘rat, raaf, slang. Je moet transformeren. Door de drie veranderingen komt de wimpel in jouw handen. Maar vergeet nooit: de wimpel gehoorzaamt niet aan wie hem grijpt. Hij luistert en heeft een eigen wil. De wimpel transformeert ook door je aanraking. Ik weet zelf niet waar dat toe leidt.’
Udo had niet goed geluisterd, hij had alleen gehoord wat zijn hart vurig verlangde: eindelijk macht. Niet meer dan een interpretatie van de gesproken woorden. Macht die hem zou laten heersen en wreken. Hij stond op. Zijn been deed zoals gebruikelijk pijn. Hij bedankte de Godin en Jurgen en omhelsde zelfs de boom waaronder zijn gebeden waren gehoord.
Hij ging terug naar de stad om te wachten op de dag van zijn transformatie. Want de warlock had gezegd dat op de derde dag van de elfde maand de tijd daar was.
Zo wachtte hij op die dag … en deze dag was vandaag.
 
DE DAG IS AANGEBROKEN
Zijn ogen bleven gericht op de toren, op de wimpel die hoger leek te zweven dan sommige wolken. Hij stelde zich voor hoe het zou zijn als hij hem eindelijk in handen had. Hoe de mensen keken, gehoorzaamden en hem zouden bewonderen, zelfs Leonhard de Beveler. Want deze Leonhard had de macht in handen. Hij heerste over de stad en de mensen. Vandaag, dacht Udo, begint alles. Vandaag ga ik de wimpel veroveren en met haar de stad beheersen.
De straten van Rothenburg waren nog leeg toen Udo zich door de steegjes begaf. De mensen en de stad sliepen. Zijn stok tikte zacht op het straatwerk. Het gaat veranderen – de gedachte in zijn hoofd, als een mantra.
Hij bleef stilstaan bij de rand van een van de riolen, sloot zijn ogen en voelde de magie in zijn lichaam. Hij boog zijn vingers, kromde zijn rug, en zijn lichaam vervormde zich tot een rat. Zoals Jurgen had gezegd.
Een verandering van lichaam, niet van geest. Hij was nog steeds Udo. Hij wilde het uitschreeuwen: 'Het lukt, het lukt, de eerste transformatie!’
Udo de rat kroop door de koude tunnels onder de stad, steeds verder naar de plek van bestemming. Zijn reukvermogen nam elke geur op: nat stro, rot hout, oud vlees. Zelfs de geur van de wimpel, hoog in de lucht, rook hij.
Toen hij de plek onder de toren bereikte, voelde hij de magie in hem veranderen. Hij had vleugels aan zijn lijf! De lucht stroomde om hem heen terwijl hij zich omhoog lanceerde. Een raaf geboren uit de rat, zo had de warlock het gezegd. Een zwarte schaduw in de lucht boven de daken vloog richting de toren.
Natuurlijk had Udo in het lichaam van de raaf zó naar de wimpel kunnen vliegen, maar het was te vroeg. De transformatie was nog niet voltooid.
Onder hem waren de stadsmuren.
Hij landde op een richel en voelde hoe zijn lichaam opnieuw vervormde, ditmaal tot een slang. Glibberend kwam hij waar hij moest zijn. Hij gleed soepel door een spleet in de deur van de kamer waar Leonhard sliep. De machthebber die de wimpel de donkere kant had gegeven. En de wimpel die op zijn beurt Leonhard liet heersen.
Udo kronkelde naar boven, voorbij Leonhard. Naar de hoogste toren. De wimpel hing daar, in een gouden cirkel, in volle glorie. Daar werd hij weer mens. Maar alles in hem voelde anders. Hij was gewapend met drie vormen van nieuwe magie: de rat, de raaf en de slang. In hem huisden de krachten van vier wezens. Want mens was hij nog steeds.
Zijn handen streken over het glanzende textiel. Het voelde kouder dan hij had verwacht, maar hij was tegelijk doordrongen van een vreemd soort warmte.
Een hartslag – voelde hij werkelijk de wimpel kloppen in zijn handen? Udo schrok. Vogels stopten plots met zingen, de wind hield op te waaien, en zelfs de rivier leek trager te stromen. Mensen die nog sliepen werden wakker. Op straat stonden anderen kort stil voor zij weer verder gingen.
 
DE TERUGKEER NAAR DE WERKPLAATS
Hoe Udo terugliep naar de werkplaats liet zien dat hij macht had. Via de trappen van de toren kwam hij naar beneden terwijl wachters hem groetten en hun hoofd bogen.
Met de wimpel in zijn bezit hoefde hij niet te vluchten. Hij wandelde – ineens zonder mank been – trots langs mensen en door straten.
Terwijl hij de steegjes doorkruiste, voelde hij een energie die hij niet helemaal begreep: was het een waarschuwing, een belofte, een begin, een uitdaging? Wat was de betekenis? Hij vouwde zijn armen over elkaar en stond even perplex.
 
#
 
Ergens, ver in het bos, voelde Jurgen de veranderingen. De bladeren waaiden woest als door een oerstem in beweging gezet, de takken leken bloednerveus, en hij wist dat de balans van de stad voor het eerst sinds tijden op het spel stond. Het was onvoorspelbaar wat er zou gebeuren door Udo’s transformatie.
 
#
 
Toen Udo de leerlooierij weer binnenging, klonk eerst alleen het vertrouwde gekraak van de houten vloer. De arbeiders werkten aan de huiden, hun ruggen strak, ogen gericht op wat zij deden. Maar ze keken op en zagen Udo daar staan, met de wimpel stevig in zijn armen. Hij hief de wimpel boven zijn hoofd. Het was geen groot gebaar, en toch leek het alsof de ruimte veranderde. Zonder dat hij iets hoefde te zeggen, stopten de arbeiders met hun werk. Dat deden zij nooit. Hun ogen volgden hem, ze leken in de ban van de wimpel. De kracht die uit het textiel straalde roerde wellicht iets diep in hen, iets dat hun hart en brein aanraakte.
‘Vanaf nu verandert alles,’ zei Udo. Zo vastberaden was hij niet eerder geweest.
Hij keek rond en zag de gezichten van zijn collega’s, de mannen die hem zo vaak hadden uitgelachen, de vrouwen die meededen met het treiteren. Eén voor één werden ze stil – hun wantrouwen bevroren door iets wat ze niet konden verklaren? Udo’s hart bonsde in een mengeling van triomf, geluk en ongeloof. Hij had het voor elkaar gekregen.
En toen zag hij haar: zijn Inneke. Haar ogen blauw, groot en helder, keken naar hem, duidelijk verward. Ze stapte naar hem toe, haar hand raakte de zijne, en een moment lang leek alles stil te staan. Dit was wat hij wilde: macht en liefde.
Maar wat zij zei deed hem schrikken.
‘Wat heb je gedaan, Udo?’ vroeg ze, haar stem zacht als altijd.
Het duurde even voor hij antwoord kon geven. ‘Wat ik moest doen,’ antwoordde hij. ‘Ze gaan me eindelijk zien.’
Inneke schudde haar hoofd. En ze streek teder over zijn wang. ‘Waarom toch, Udo, waarom?’
Udo zweeg.
 
#
 
De magie van de wimpel strekte zich verder uit. Buiten de muren van de leerlooierij leek de stad zelf te transformeren. De lucht werd grijs en zwaar weer leek op komst. Straatkatten hielden zich stil, en vogels zwegen op hun takken.
Inneke liep naar buiten. ‘Kom,’ zei ze tegen Udo.
De arbeiders gingen binnen weer aan het werk, maar anders dan eerst. Udo had ze in zijn macht.
‘Udo … er gebeurt iets …’ zei Inneke.
Maar hij lachte en schudde zijn hoofd.
‘Maak je geen zorgen. Alles komt goed. Dit is het begin van een nieuwe tijd. Onze tijd samen. En mijn wraak.’
 
#
 
Ver weg, in het bos, voelde Jurgen de kracht van de magische energie. Zijn ogen glommen groen in het woud. Het stormde ineens en alle bosdieren waren angstig voor wat komen ging.
 
#
 
CHAOS IN DE STAD
Tegen de middag ontwaakte Leonhard de Beveler uit een diepe slaap. Vorige avond weer te veel gedronken. Hij stond op en keek uit het raam. Gelijk merkte hij dat iets niet klopte: de wimpel was verdwenen. Zijn woede was groot.
Hij schreeuwde zijn bevelen. Deze werden normaal gehoorzaam ontvangen door zijn wachters en dienaren, maar nu weerkaatsten ze tegen de muren. Niemand leek nog naar hem te luisteren. Er gebeurde niets. Wat was er aan de hand? Ziedend kleedde hij zichzelf aan, wat ongehoord was voor een man van zijn status. Deze plek was anders dan eerst.
Hij greep zijn zwaard, stormde de deur uit en keek naar de elitewachters op de binnenplaats. Door een magie, slecht van soort, wist hij hen weer aan hem te binden. Zijn bevel was duidelijk: de oostelijke en westelijke wijken moesten worden omsingeld. Het stelen van de wimpel kon niet zonder gevolgen blijven, de stad moest in een hel veranderen.
Straten werden overgoten met teer, en zo kwamen er vuren op pleinen en in steegjes. De rook dreef snel omhoog, alsof de hel naar de hemel reikte. Mensen gilden, renden weg en vielen in elkaars armen terwijl Leonhard met zijn wachters door de straten marcheerde. Geen plek om te ontsnappen. Overal keken de wachters of zij de wimpel zagen.
 
#
 
Udo hoorde het geschreeuw. Hij stond in de leerlooierij met de wimpel dicht tegen zijn borst aan. Zijn hart bleef bonzen, niet alleen uit angst voor wat zich daarbuiten afspeelde, maar ook door de grote kracht die nog steeds in hem huisde. Hij probeerde de wimpel te bevelen het vuur te doven om de inwoners te beschermen. De wimpel ging echter wild in zijn handen tekeer, alsof hij Udo’s geboden afwees. Geen bevelen zolang de balans verstoord is, klonk het in zijn hoofd. Udo wist niet wat hem overkwam.
 
#
 
Tussen de rook en intussen zwarte lucht verscheen Jurgen, een zeldzaam rustpunt in de chaos op het grote stadsplein. Zijn ogen gloeiden en zijn handen hieven zich naar de hemel. Hij sprak onverstaanbare woorden van de oude taal. Het duurde even, maar toen verdreven wolken de donkere lucht boven de stad. Jurgen zuchtte, het had hem kracht gekost. Uit de wolken kwam een vloed van regen die het vuur neersloeg.
 
#
 
HET INZICHT
Udo schrok op toen Jurgen de leerlooierij binnenkwam. De warlock zei: ‘Ga mee met mij, dit is geen plek om te blijven.’ Hij keek even om zich heen, wees toen naar Inneke. ‘Zij gaat mee.’
Udo kon niet anders dan gehoorzamen. Met zijn drieën liepen ze het lage gebouw uit, de natgeregende en beroete steegjes door. Udo ademde zwaar en zijn handen trilden onder het magische gewicht van de wimpel. Inneke ondersteunde hem.
Jurgen leek zoals bij de eerste ontmoeting kalm en onbewogen, als een oude eik in het woud. Met een enkele handbeweging liet hij de wind de regen ondersteunen. Zo waren de natuurelementen in strijd met het nasmeulende vuur van Leonhard.
‘De wimpel,’ zei Jurgen toen ze de rand van het woud bereikten, ‘is meer dan een symbool van macht. Hij is geboren uit de adem van de Godin van aarde en vuur, en zijn kracht dient het evenwicht. Wie hem wegneemt, scheurt de wereld open, ook al is dat niet zo bedoeld.’
Het drong tot Udo door dat hij de veroorzaker was van de chaos in de stad. De hebzucht naar macht verdween uit zijn hoofd, spijt ontlook in hem. Hij keek naar Inneke en liet de wimpel zakken, zijn ogen vochtig. Zoekend naar woorden in de schuld en verwarring die hem trof. ‘Maar ik dacht … ik dacht dat ik alles beter kon maken. Dat ik de stad zou laten zien wie ik echt ben, dat ik …’
‘Je wilde dat de wereld je zag,’ onderbrak Jurgen hem. ‘Maar de wereld gehoorzaamt niet aan de wil van één mens. Macht kan corrumperen en zonder inzicht in het goede vernietigt ze de omgeving, Udo. Ze laat branden, zoals Leonhard liet zien.’
Inneke legde een hand op Udo’s schouder. Haar stem klonk troostend. ‘Laat hem los, Udo. Laat alles gaan dat jou probeert te controleren. Alleen dan kun je zien wat werkelijk belangrijk is. Jij bent zonder wimpel niet meer of minder voor mij.’
Udo keek naar de wimpel. De stof leek te willen ontsnappen. Hij voelde nog steeds de magie van de Godin stromen door zijn handen. Langzaam begon hij te begrijpen wat Jurgen en Inneke bedoelden. Macht zonder balans was een vloek, geen zegen. Hij zakte ineen, moe van de confrontatie met zijn verlangen naar macht en wraak.
Inneke knielde naast hem, haar handen stevig op de zijne. ‘We kunnen het goedmaken,’ fluisterde ze.
Jurgen zei: 'Samen kunnen jullie de stad ten goede veranderen. Maar jij, Udo, moet eerst zien wat je hebt gedaan, en begrijpen wat nodig is om het evenwicht te herstellen.’
Udo knikte, in overgave.
‘De stad kan weer ademen als jij de wimpel op de vertrouwde plaats hijst. Dan zal de balans terugkeren. Maar dat vereist kennis, moed en nederigheid, Udo. Begrijp je dat?’
Udo voelde de tranen branden achter zijn ogen. Voor het eerst zag hij de zaken opnieuw scherp. De wimpel gleed langzaam uit zijn handen en viel op het gras. Een dunne gloed, bijna onzichtbaar, verspreidde zich vanuit de stof en leek de lucht te vullen. 
Zag alleen hij het?
‘We moeten terug,’ zei Jurgen. ‘De stad wacht.’
Udo knikte en stond langzaam op. Inneke glimlachte en gaf hem een zoen.
Jurgen legde een hand op Innekes schouder. ‘Straks zal je voelen waartoe je in staat bent.’
Samen liepen ze het woud uit, klaar om het evenwicht te herstellen. Toen ze de eerste weide bereikten, keek Udo achter zich. Jurgen was verdwenen. Had het woud hem opgeslokt? Had hij zijn doel bereikt?
 
DE VERSCHIJNING
De stad was geen hel meer, wel kapot door vuur en geweld. Udo en Inneke konden zich tussen de mensen, die zichtbaar aan het bijkomen waren, ongemerkt verplaatsen naar hun bestemming. De rook was verdwenen, de vuren gedoofd.
Udo’s benen voelden zwaar, niet van de pijn van vroeger, maar van de grote verantwoordelijkheid die hij eindelijk begreep. Inneke liep naast hem, haar hand nog steeds in de zijne, samen waren ze sterk.
Ze bereikten het Topplerschlösschen, waar de toren zoals altijd hoog boven de stad uitstak. Maar geamputeerd. De vlaggenstok was leeg. Enkel door te transformeren, kon Udo zijn fout rechtzetten. Maar wat met Inneke? Hij keek haar aan.
Alsof ze zijn gedachten raadde, kromp ze tot een rat. Udo begreep het meteen: Jurgen had haar daarnet de magische kracht gegeven om net zoals hij in een rat, raaf en slang te veranderen.
Na nog drie transformaties en een tocht door de riolen, door de lucht en op de trappen, stonden ze boven op de toren, nu weer als mensen. Udo bevestigde de wimpel aan de stok. Toen de wind erlangs streek, zag hij de stad opleven. Het was geen gezichtsbedrog noch een wensdroom. De chaos in de stegen verdween; mensen leken de rust hervonden te hebben. Ze stonden in stilte op het stadsplein, in de steegjes of voor hun ramen en keken omhoog, naar het vaandel, naar Udo. Hij slikte; voor het eerst sinds lange tijd leek hun blik gevuld met verwondering, hoop en opluchting in plaats van angst.
Naast Udo en Inneke verscheen uit het niets een beeld van een vrouw. Geen mens, maar een verschijning. Zij stapte naar voren en spreidde haar handen. Haar stem was zacht en zangerig. De oergodin waartoe Udo had gebeden liet zich zien – zij moest het wel zijn!
Ze sprak: ‘Door jullie handelen heeft de wimpel een nieuwe balans gevonden. Door jouw pijn en angst, Udo, maar ook door jullie verlangens en dromen … en door jouw liefde, Inneke. Hij draagt nu een deel van jullie. De krachten van de natuur, via de drie dieren, en van twee ingoede mensen, laten de wimpel in herboren staat zien.’
De godin glimlachte een laatste keer en verdween.
Udo keek naar Inneke en vervolgens naar de wimpel, glanzend in de doorgebroken zon, en hij voelde iets in zichzelf veranderen. Niet de macht, maar een gevoel van verantwoordelijkheid en verbondenheid met de stad en haar mensen, met de dieren in het bos, was de kern. Hij had geleerd dat zijn gevoelens van wraak hem in de weg hadden gezeten.
Inneke glimlachte en omarmde hem. ‘Je hebt het goed gedaan.’
Ze konden rustig de trap af, niemand hield hen tegen. Ze liepen de stad door. De rivier stroomde helder, de wind bracht de geur van bloemen, er leek zowaar geluk in de lucht te hangen. Mensen waren in hun huizen en op hun werkplaatsen aan de slag. De eerste kleine tekenen van herstel verschenen. Voor het eerst sinds lange tijd voelde Udo vrede in en met zichzelf.
Hand in hand stapten Udo en Inneke door de weiden voorbij de stad. De eerste bomen doemden voor hen op. Zoals het woud eerder Jurgen had opgeslokt, verdwenen ook zij nu in het groen.
 
#
 
Leonhard en zijn wachters gingen bij zonsondergang terug naar het Topplerschlösschen en konden zich weinig herinneren van deze dag. In de volgende weken werden ze steeds milder. Alsof er iets met hun denken was gebeurd. Wat? Daar kwamen ze nooit achter. De stad en het kasteel waren veranderd, zoveel was duidelijk. Was alles wel echt gebeurd?
 
#

Het verhaal van de twee geliefden en de drie dieren werd van generatie op generatie doorgegeven. De wimpel bleef een vaandel van geluk en kracht boven de stad.
0 Opmerkingen

Frank Beckers - Kunstroof

22/2/2026

0 Opmerkingen

 
‘Brutale kunstroof: alle waardevolle schilderijen werden vandaag uit het stadsmuseum
geroofd’ hoor ik tot mijn ontzetting op de radio. Dan gaat de telefoon.
‘Spreek ik met F. ?’
‘Jawel, daar spreekt u mee.’
‘Ik ben woordvoerder van het stadsmuseum. Misschien heeft u het slechte nieuws al
gehoord… vanmiddag is er ingebroken.’
‘Ja, het radionieuws opende met dat bericht.’
‘Het slechte nieuws is dat zowat alle kostbare kunstwerken van de tijdelijke tentoonstelling
gestolen zijn. De politie heeft een onderzoek geopend. Voor u heb ik echter goed nieuws. Uw
twee werken zijn als enige blijven hangen.’
0 Opmerkingen

Ruben De Baerdemaeker - De laatste

21/2/2026

0 Opmerkingen

 
Het wezen kruipt in schaduw weg,
keert zijn of haar gezicht
af van het zware licht,
het trage tergend-sterven van de ster,
hun zon,
die slechts in hun illusie
ooit een middelpunt kon zijn.
Hun wereld is geen wereld meer,
maar enkel nog planeet.
 
‘Ik dacht dat ik de laatste was,’
De adem stil van schaamte.
‘Het had ook anders kunnen gaan
langs ontelbare wegen;
elke stap een keuze
elke bocht een fout.
Ik dacht dat ik de laatste was,
maar jij valt van de sterren,
maakt van mijn eenzaamheid
een leugen.’
 
‘Enkel je eenzaamheid is waar
al zal ze niet lang duren.
Jij bent inderdaad het einde,
ik een nieuw begin.’
 
Even raken ze elkaar.
De ruimte kromt zich om hen heen,
de slang bijt in haar staart.
En alles streeft naar entropie.
En alles stort in.
En alles begint
opnieuw.


Dit gedicht werd ingezonden voor de dichtwedstrijd 'De Ontmoeting'.
0 Opmerkingen

Finn Audenaert en Petra Coret - De wimpel

20/2/2026

0 Opmerkingen

 
Iedereen wilde de wimpel. Er was geen man in het land die er niet ‘s nachts van droomde. Hoe het ooit gekomen was dat zo’n dun stuk textiel absolute macht vertegenwoordigde, was verloren gegaan in de mist der tijden. Er waren natuurlijk verhalen. Over een kluizenaar die een zegen uitsprak, of een demon die juist een vloek oplegde. En zelfs over een wijze vrouw die een diepe betovering had bewerkstelligd. Alleen dit stond vast: wie de wimpel veroverde, kon zijn wil aan anderen opleggen.
De vraag was natuurlijk: hoe stal je de wimpel van zijn huidige bezitter, Leonhard de Beveler? Udo dacht het antwoord te weten: alleen een list bood uitkomst. Bruut geweld gebruiken, zo hadden de twaalf doden het afgelopen jaar uitgewezen, liep faliekant mis.
Udo sloeg geen dag over. Elke ochtend om klokslag zes uur strompelde hij door de kronkelige steegjes van Rothenburg ob der Tauber. Hij maakte speciaal een omweg, want de leerlooierij lag een heel eind uit de buurt. Op de toren van het Topplerschlösschen wapperde de blauw-wit-geblokte wimpel. Udo’s ogen volgden de snelle bewegingen van de gouden cirkel midden op de wimpel. O, hij zag de bergen goud al voor zich. Als iedereen hem gehoorzaamde, zou zijn rijkdom oneindig zijn. Dat zou zijn stadsgenoten leren – vernederd hadden ze hem in zijn jeugd, niet meer of min. De pijn vlamde door zijn been toen hij dacht aan de dag dat de andere jongens hem tegen de kar hadden geduwd. De karrendrijver had nog geprobeerd zijn paard te doen stoppen, maar het onheil was al geschied. Udo ging vanaf die dag als een kreupele door het leven, al was ‘gaan’ wellicht niet het passende woord.
Het werk in de leerlooierij was hard, zeker voor iemand als Udo. Hij was wat men een vlezer noemde. Dierenhuiden werden onthaard, gesmart en gebroeid voordat ze bij hem terechtkwamen. Op de binnenkant van de huiden zaten nog grote stukken vlees. Udo moest de huiden op een bolle stenen tafel leggen en het vlees erafsnijden. Hiervoor moest hij de hele tijd rechtop staan. De tafel was hoog. Hij kon weliswaar zitten, maar dan kon hij niet voldoende kracht op het mes zetten.
Naast het werk zelf vermoeiden ook de anderen in de leerlooierij hem. Zo ging het al zijn hele leven: niemand behandelde hem zoals het hoorde. Hij werd beschimpt om zijn gebrek en belogen, omdat mensen dachten dat wie krom liep, ook wel dom moest zijn. Vaak doorzag Udo bedrog, maar de pogingen stompten hem af. Steeds weer raakte hij in mensen teleurgesteld.
Dus had hij alleen nog oog voor de wimpel. Die zou zijn leven veranderen. Al meer dan een jaar lang trof Udo voorbereidingen voor zijn diefstal. Vandaag was eindelijk de dag aangebroken. Natuurlijk zou hij niet naar de leerlooierij gaan. Als hij de wimpel kon bemachtigen, zou iedereen hem gehoorzamen. Waarom zou hij dan nog werken voor de kost? Zijn eerste bevel zou trouwens de leerlooierij gelden: iedereen moest eruit, behalve misschien Inneke. Zij was een vriendelijke meid, die altijd een goed woord voor hem overhad. Wie weet bevorderde hij haar tot bazin. Daar zouden zijn stadsgenoten van opkijken: een vrouw aan de macht! Maar de echte macht zou bij Udo liggen. Hij moest maar eens aan de slag gaan, nu …
 
#
 
Even bleef hij staan op de Silberbrücke. Ogenschijnlijk om te genieten van het uitzicht; de Tauber stond bekend als de mooiste rivier van het land. ‘Een lint van zilver dat glinsterend door het land trekt.’ Volgens Udo was het meer een miezerige modderstroom die moeizaam en meurend als een open riool langs de huizen glibberde. Als je die rivier even wegdacht leek het geheel nog het best op het wandvullende schilderij met de afbeelding van de triomfantelijke intocht van een voorganger van Leonhard aan het hoofd van de bonte verzameling van boeren en ambachtslieden die zojuist het huurlingenleger van Heinrich Drachenherz had verslagen.
Hoe dan ook, hij ging weer op pad. De leren tas met gereedschap schuurde tegen zijn benen. Hij had er waarschijnlijk te veel ingestopt. Maar hij kon niet riskeren dat iemand zijn list doorzag omdat er iets ontbrak aan zijn uitrusting. En de touwladder was zwaar maar onontbeerlijk voor zijn plan.
Hij keek op. Het Topplerschlösschen was nog ver weg. Eerst moest hij langs de markt en daarna door het park. Dit was duidelijk een rijkere buurt. De meeste lieden die zich hier bevonden waren zichtbaar beter gekleed en gevoed dan Udo. Hij worstelde zich de straten door die vanaf hier omhoog gingen langs de markt naar de heuvel waar het Topplerschlösschen stond. In het park bleef hij even rusten.
Het rook al naar de herfst. Moeder natuur ging gewoon haar gang, zonder opgejaagd of bekritiseerd te worden. Het zou fijn zijn als hij hier langer kon vertoeven. En als hij de wimpel eenmaal had zou dat ook gebeuren.
Voordat hij naar de poort liep haalde hij nog even heel diep adem. Hij moest ontspannen overkomen. De wachters moesten hem geloven. Ze keken hem echter ongeïnteresseerd aan toen hij meldde dat hij hier voor de reparaties kwam en wezen hem met een nonchalant gebaar naar de dienstingang. Udo had een heel verhaal bedacht over ambachtslieden en klusjesmannen, maar het was niet nodig.
De dienstingang was onbewaakt. Dat wil zeggen: de wachter die hier normaal gesproken stond was aan het dobbelen met drie andere lieden in livrei. Een mandfles met wijn stond naast hen. Ze waren zo te zien al een tijdje bezig. Onopgemerkt glipte Udo naar binnen. Dat was mazzel hebben. Er liep een gang langs de keuken en daaruit klonk gezang. Er was iemand jarig, zo te horen, en er was taart. Niemand lette op. Een klapdeur leidde naar de volgende gang. Ook hier was niemand aanwezig. Dat kwam goed uit.
Volgens de kaart, die hem veel geld had gekost, gaf een van de deuren toegang tot een kleine eetkamer en een andere tot het trappenhuis. Hij deed beide deuren even op een kiertje eom te controleren of er werkelijk niemand was en haastte zich dan door een derde deur via een steile trap naar boven.
Maar al te snel kwam hij bij de plek op de kaart die onduidelijk was. Er was in het verleden een beker wijn overheen gemorst en iemand anders had met een andere kleur de lijnen hersteld. Tenminste, dat had de persoon die hem de kaart had bezorgd hem verteld. Was het wijn trouwens? Het leek meer op bloed.
Twee deuren: links of rechts? Hij moest een keuze maken. De lijnen waren bibberig. De beschrijving moeilijk onleesbaar. Links of rechts? Udo aarzelde.
Rechts, besloot hij, rechts was altijd goed. De deur ging bijna geluidloos open. Dat was al iets. Maar zo gauw hij de deur achter zich gesloten had, realiseerde hij zich dat hij fout zat. Voor hem strekte zich een brede marmeren ruimte uit. Dit kon niet de juiste weg zijn.
Hij draaide zich om terug te gaan en zag tot zijn schrik dat er aan deze kant geen deurklink was. Natuurlijk moest er een manier zijn om de deur, die nauwelijks zichtbaar was, weer te openen, maar alleen het personeel wist daarvan. De notities naast de kaart waren nu echt onleesbaar.
En hier moest hij niet zijn!
Een pompeus portaal tussen twee harnassen was de enige uitgang. Hij liep er zo snel mogelijk heen. Zo kwam hij in een zeer lange gang met schilderijen aan de wand en tafeltjes met kostbare en kitscherige prullaria. Hier moest hij ook niet zijn, maar hoe kwam hij weer in het andere gedeelte van het gebouw waar het personeel thuishoorde?
Hij bleef vlak bij de muur lopen en betastte elk paneel waarvan hij vermoedde dat er een deur achter kon zitten. Dan ineens hoorde hij achter hem stemmen. Hij mocht niet ontdekt worden!
Udo zette er tegen beter weten in flink de pas in en toen ging dat verrekte been links af terwijl de rest van hem rechtsaf wilde. Een flinke pijnscheut deed hem bijna vallen.
Bijna, want tot zijn afgrijzen slingerde zich een sterke arm om zijn middel en trok hem opzij. Voordat hij een kik kon geven, wat overigens heel onverstandig zou zijn geweest, klampte een al even stevige hand zich voor zijn mond en werd hij een halfdonkere ruimte in gesleept.
Bij het schaarse licht zag hij een flink vrouwspersoon dat hem prompt toesiste zijn mond te houden. De vrouw in kwestie was niet lelijk op zich. En als ze niet zo boos had gekeken, had hij haar zelfs wel een beetje aantrekkelijk gevonden. Ze was geen Inneke natuurlijk. Verre van. Een wasvrouw, zo zag ze eruit. Ze had opvallende groene ogen. En aan haar voeten stond een mand met wasgoed.
‘Waar ben je mee bezig?’ vroeg ze toen hij net zijn mond wilde opendoen om iets te zeggen. ‘Je bent zeker uit op de Wimpel?’ Hij hoorde de hoofdletter.
‘Wat is dat voor hekserij? Ik ben een simpele klusjesman,’ weersprak Udo haar.
‘Tuurlijk, zoals je daar liep. Voorovergebogen, angstig. Het is zo duidelijk dat je hier niet hoort. En hekserij? Doe normaal. Mijn betovergrootmoeder was een heks. Tenminste, daarom hebben ze haar vermoord. Ze kon lezen en schrijven en wist meer van geneeskunst dan alle artsen bij elkaar. Ze had niets dan goede bedoelingen en kreeg daarvoor stank voor dank.’
Ze zuchtte en ging achter hem staan. Twee stevige handen pakten hem vast. ‘Schouders naar achteren,’ zei ze. ‘Rug recht.’ En voegde de daad bij het woord. Er kraakte iets en Udo hoopte maar dat het niet iets belangrijks was. ‘Kijk vooruit,’ en zijn hoofd werd omhoog gebogen.
‘Zo,’ zei ze, ‘dat is beter. En onthoud: als iemand je aanspreekt, geef dan zo kort mogelijk antwoord. Ga vooral niets verzinnen. En zeg: mijnheer en mevrouw.’
Udo haalde adem om iets tegen de woordenstroom in te brengen, maar toen hij zich omdraaide was er niemand.
Een smalle kier liet een strook licht door. De gang aan die kant was niet van marmer. Hij glipte door de deur en raadpleegde zijn kaart. Na enig turen – het licht was hier niet al te best –, had hij de route naar het torentje weer gevonden. Dacht hij tenminste. Hij rechtte zijn rug zoals de wasvrouw hem had getoond en ging weer op pad.
De eerste die hij tegenkwam was een onderbutler. Niet zo belangrijk als de hoofdbutler maar dat vond hij zelf kennelijk niet. De arrogantie droop ervan af. Hij keek Udo aan zoals je naar een friemelend insekt zou kijken dat op je eten zit. Udo probeerde net zo arrogant terug te kijken en gaf geen uitleg over zijn aanwezigheid. De onderbutler accepteerde het.
Mooi! De tips van de wasvrouw werkten echt. Hij vroeg zich af wie zij was en waar ze nu heen was gegaan. Het deed er eigenlijk niet toe.
Geleidelijk aan kwam hij in een gedeelte van het gebouw waar op de kaart drie verdiepingen over elkaar heen waren getekend. Ook handig. Hij nam een afslag naar links, door een eiken deur met elegante versieringen en eindigde in een opslagruimte van oude meubels. Verkeerde deur. Maar twee deuren en een trap later kwam hij in een ruimte terecht die er exact op leek. Waren er twee kamers met oud meubilair?
Even later, na drie andere deuren, een gang en een trap omlaag: opnieuw oude stoelen en tafels. Het leek wel dezelfde ruimte als eerst. Zijn kaart hielp hier absoluut niet. In een opwelling knoopte hij zijn zakdoek om een van de tafelpoten.
En toen hij niet veel later na weer een aantal afslagen en deuren de zoveelste deur opendeed zag hij tot zijn grote irritatie weer dezelfde meubels. En zijn zakdoek. Hij ging moedeloos zitten op een oude fauteuil. Wat voor hekserij was dit?
Iemand had een oud laken voor het enige raam gehangen en door een kier zag hij de binnenplaats. Ze waren er nog steeds aan het dobbelen. Althans drie van hen. De vierde hing achterovergezakt op een kist tegen de muur.
Udo keek rond in de kamer. Er waren maar twee deuren. Eentje leidde naar de brede houten gang, en de ander naar een kleinere kamer waar je niet verder kon. Een grote kast stond tegen de derde muur. Hij stond op en opende ze. Hij zag een smalle gang die niet op de kaart stond. Vooruit dan. Alles was beter dan weer terugkomen in die opslagruimte.
Deze gang leek wel eindeloos. En donker. Hier en daar waren kleine openingen waar licht doorheen kwam. Door twee van de kieren waren weelderige kamers te zien. In de laatste zat een halfontklede dame op het bed die praatte tegen een voor hem onzichtbare man. De vrouwspersoon was al wat ouder maar nog best aantrekkelijk.
Haar aanwezigheid leidde hem zodanig af dat hij struikelde over een opstapje. Hij kwam hard terecht op zijn pijnlijke been. Een vloek ontsnapte hem.
De deur net voorbij het opstapje ging plotseling open. Daar stond de wasvrouw die hem fronsend aankeek en een vinger op haar lippen legde. Ze trok Udo omhoog en door de deur.
‘Dat is nou niet slim!’ En ze voegde eraan toe: ‘Heb je wel eens nagedacht waar die wimpel vandaan komt? En of dat op een eerlijke manier is gegaan?’
Hoe moest hij dat nou weten? Niemand wist dat toch? Voordat hij echter de kans kreeg om iest te zeggen duwde de wasvrouw hem door een deur die in het halfdonker nauwelijks te zien was.
Hij knipperde met zijn ogen tegen het plotselinge felle licht op de nauwe galerij waar hij terecht was gekomen. Hij bevond zich buiten. Niet geheel tot zijn verbazing stond dit weer niet op zijn kaart en eigenlijk verbaasde het hem ook niet dat de wasvrouw nergens te zien was.
Haar vraag spookte wel in zijn hoofd rond. Waar kwam de wimpel vandaan? Wat voor magie lag erop? En werd die wel goed gebruikt? Hij zou het beter doen. Heus. Achter hem was weer eens geen deurklink te zien en dus moest hij de galerij wel volgen.
Udo vroeg zich af of hij ooit nog uit het vermaledijde slot zou komen, laat staan met de wimpel. Het was een doolhof zonder einde. Zijn kaart was waardeloos. Ver beneden lag de hoofdpoort. Nu moest hij vooral niet vallen. Het duizelde hem kort. Waar was het torentje? Hoe ver moest hij nog? En: kon iemand hem hier zien? Hopelijk niet.
Hij schuifelde bibberig langs de muur. Ergens moest toch een ingang zijn? Vlak om de hoek voelde hij een luik. Met wat gefriemel ging het ding open. Gelukkig.
De kamer erachter rook muffig. Alle meubels waren bedekt met doeken. Aan de muur hing een portret van een triest kijkende dame met groene ogen die hem vaag bekend voorkwam. In de hoek stond een spiegel met een doek eroverheen waar scherven onder lagen. Iemand had zeven jaar ongeluk. Een stapeltje met boeken over verschillende onderwerpen die Udo niet interesseerden lag op het nachtkastje.
‘Huisgemaakt parfum.’ ‘Planten die genezen en doden.’ ‘Natuurlijke kleurstoffen.’
De deur ging probleemloos open, ondanks de grendel aan de buitenkant, en daar was weer eens een gang.
Zijn kaart was natuurlijk onbruikbaar. Hij was nu echt verdwaald. Udo nam zich voor de verkoper straks eens een flink lesje te leren.
Als hij de wimpel eenmaal had. Als …
Udo gokte waar het noorden lag en ging daarheen. Daar moest het torentje zijn. Hopelijk. Achter de volgende deur zong een vrolijke stem een bekend liedje. Het geluid zwol aan. Voordat Udo de kans had om zich te verstoppen in een van de andere kamers werd de deur geopend en een opgewekte wachter stapte erdoor.
De schok moest te lezen zijn op Udo’s gezicht want de wachter stopte abrupt met zingen.
‘Verdwaald, zeker?’ vroeg hij, ‘Dat gebeurt hier wel vaker. Wat kom je doen?’
Udo besloot zich aan het advies van de wasvrouw te houden en hield zijn gereedschapskist omhoog. Een hamer stak erbovenuit.
‘Ah! De reparatie aan het raamkozijn. Natuurlijk.’ En daarna ratelde de man een stel instructies af over hoe Udo bij het kapotte raam in kwestie moest komen die hij al na twee zinnen was vergeten. Hij knikte beleefd, bedankte de wachter en ging haastig op weg.
Dit gedeelte van slot was drukker dan de rest en het kostte Udo moeite om het hoofd hoog te houden en beleefd te knikken hier en daar. Niemand leek geïnteresseerd. Dat was bemoedigend en deprimerend tegelijk.
Totdat hij bij een stuk kwam waar vier wel heel zwaar bewapende en gepantserde wachters stonden. Zelfs zijn vrij nutteloze kaart bevestigde wat hij al dacht. Hij was dicht bij het torentje. Dit waren de wachters bij het laatste stuk. Dichtbij moest een raam zijn dat naar een balkon leidde en vanaf het balkon moest hij dan omhoog klimmen. Maar met vier paar wakende ogen werd dat een uitdaging.
Op dat moment kwam er een giechelende groep jonge vrouwen aan gefladderd te midden van een wolk van parfum. De geur was overweldigend, zelfs op deze afstand. Niet onaangenaam, wel zwaar. Hij gaapte ervan.
De jongedames maakten op luide toon allerlei vleiende opmerkingen over de wachters. Hoe sterk ze waren. En hoe indrukwekkend. Een na de ander wezen ze een wachter aan die wel de dapperste moest zijn. Of de knapste.
Waarschijnlijk waren de wachters zelf ook nog jong want op een enkele uitzondering na begonnen ze te blozen. Ze hadden alleen nog aandacht voor de bevallige dames.
Udo nam zijn kans waar en schoot voorbij de deur die de wachters bewaakten en bereikte het raam dat hij had uitgekozen.
Knak! Daar ging zijn been weer. De ene wachter die niet verleid werd door de zoete woorden van de jongedames deed een halfslachtige poging om hem te volgen. Udo beet op zijn tong vanwege de pijn en wist zich naar een verborgen hoek te slepen, hopend dat de man hem niet zou vinden. Dan klonken er rare geluiden achter hem. Haastig opende hij het raam en keek nog een keer om. De wachters vielen een voor een om. Ook degene die hem had willen vinden. De dames giechelden.
Vreemd.
Udo was zo verstandig om niet te wachten. Eenmaal op het balkon haalde hij zijn touwladder uit zijn kistje en na vijf pogingen wist hij de lus volgens plan om de waterspuwer boven hem te gooien. Zijn been deed nog steeds zeer, maar hij liet zich daardoor niet afleiden. Nog een klein stukje! Hij verbeet de pijn, hoewel de tranen in zijn ogen sprongen. Niet lang daarna stond hij op het platform.
Niet alleen.
Door een zware deur kwam de wasvrouw met de wasmand onder een arm. Een vleug parfum vergezelde haar. Wat moest zij nou hier?
‘En nu?’ vroeg ze terecht. ‘Gaan we elkaar tegenwerken?’
Udo was vastberaden. ‘De wimpel is van mij. Ik was hier het eerst!’
‘En wat ga je er dan mee doen?’
‘Dan ben ík de Beveler, niet Leonhard. En dan ben ik rijk en machtig en doet iedereen wat ik zeg!’
‘Een nieuwe Beveler,’ sprak de vrouw. ‘En verder verandert er niets. De armen blijven arm, de rijken rijk. Op een enkeling na. Er verandert niets.’
Ze begon met lange halen de wimpel binnen te halen.
‘Die is van mij!’ riep Udo en probeerde tevergeefs het stuk stof naar zich toe te rukken.
Ze haalde een lap stof uit haar boezem. Hij  leek sprekend op de wimpel, alleen wat helderder van kleur. Ze hield beide wimpels op. ‘Nauwelijks verschil, toch?’
Binnen korte tijd had ze de oude wimpel verwijderd en de nieuwe opgehangen. Met vlotte bewegingen werd het ding op zijn plaats gehangen.
‘Zo, nu merkt niemand iets.’
‘Die wimpel is van mij!’ herhaalde Udo, boos dat hij genegeerd werd.
‘Het was mijn betovergrootmoeder die het ding gemaakt heeft met betovering en al. En nu wordt het tijd om de betovering ongedaan te maken. Er is te veel misbruik van gemaakt. Wil je hem echt hebben?’
‘Ja,’ zei Udo. Zijn stem klonk een stuk minder vastberaden dan hij wilde. Het was dus toch hekserij.
‘Hier dan.’ Ze gooide het ding naar hem toe.
‘Werkt ‘ie dan nog?’
‘Geen idee, wil je dat?’ zei de wasvrouw. ‘Macht en rijkdom? Of heb je liever gezondheid en liefde?’ Ze grabbelde in haar wasmand en reikte hem een flesje aan. ‘Voor je been. Drie keer per dag smeren. Dat helpt. En als ik jou was zou ik dit slot maar snel verlaten. En de stad.  Begin een nieuw leven. Nu zal niemand je volgen, de wimpel hangt er nog. Totdat het gaat regenen.’
‘Maar …’
‘Of niet. Ook goed. Ik ben weg. Ik heb genoeg van deze stad.’
Ze draaide zich om naar de deur en verdween uit het zicht.
Udo rende het trappenhuis in waar zij weer eens niet te vinden was. Hij trof alleen vier slapende wachters aan. Niemand zag hem. Hij keek twijfelend naar de wimpel in zijn handen. Was het dan allemaal voor niets geweest?
Hij stopte hem weg en maakte zich uit de voeten. De tijd zou het leren.
0 Opmerkingen
<<Vorige
    Inhoudstafel fictie
    Oproep verhalen
    AI-gegenereerde fictie
Powered by Maak je eigen unieke website met aanpasbare sjablonen.
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch