|
Hij probeerde alles te vergeten wat hij wist. Weg met alle kennis die hij geleerd had. Tijd voor
de Cartesiaanse twijfel! Bedekt met de sluier van onwetendheid zou hij alles in vraag stellen en alle wetenschap herontdekken. Nu ligt hij in bed en wordt als een pasgeboren kind gevoed, gewassen en in slaap gewiegd.
0 Opmerkingen
Hanyang (Seoul) - voorjaar 1658
O blauwgroene stroom die zich van de heuvels haast, Beroem je niet op je snelle vaart: Eenmaal deel van de wereldzee, Is er geen weg terug. Waarom blijf je niet en rust hier uit, Waar verlaten heuvels baden in het licht van de maan? ‘Chan-mi, waarom antwoord je niet?’ Bijna laat ik mijn penseel vallen. ‘Vergeving, zuster. Ik hoorde je niet binnenkomen,’ zeg ik met de eerbied die ik een echte dochter verschuldigd ben. ‘Van mijn lerares moet ik een gedicht van Hwang-yi kopiëren.’ ‘Een gedicht?’ zegt Chae-yong smalend. ‘Laten ze jou in die kisaengschool dan nooit eens iets nuttigs doen?’ Mijn antwoord wacht ze niet af. ‘Vader wil je spreken. Hij is in de anbang.’ Het hart klopt in mijn keel. De anbang? Moet ik echt naar de mannenruimte? De laatste dagen heb ik daar alleen generaals en hoge ambtenaren van het koninklijk hof naar binnen zien gaan. Vrouwen mogen de anbang normaal niet betreden, zeker niet als ze zoals ik geboren zijn uit een concubine. ‘Schiet op,’ zegt Chae-yong, ‘als je treuzelt, maak je het alleen maar erger.’ In de mannenruimte schemert het, zodat vader niet meer is dan een vaag silhouet. Ik zink op mijn knieën en druk mijn voorhoofd tegen de bodem van glad oliepapier. ‘Chan-mi,’ zegt vader. ‘Heb ook jij gehoord van de bleke mannen uit een ver land, die vijf jaar geleden strandden op het eiland Cheju?’ ‘Ja, vader,’ antwoord ik. ‘Iedereen in Hanyang kent dat verhaal. Ik heb ook gehoord dat die mannen landgenoten zijn van Pak Yŏn, uw aangenomen zoon.’ ‘Wil je graag een kisaeng worden, Chan-mi?’ vraagt vader ineens. Mijn hoofd tolt van die onverwachte wending. ‘Ik ben geen echte dochter zoals Chae-yong,’ antwoord ik voorzichtig. ‘De kisaengschool is voor mij de enig mogelijke weg om de oude verhalen en gedichten te leren en er misschien ooit zelf een te schrijven. Pas als ik echt een kisaeng ben, kan ik uw vraag beantwoorden.’ Vader glimlacht. ‘Je bent slim, Chan-mi. Het antwoord luidt dus nee.’ Ik zwijg en durf enkel met een kort knikje te reageren. ‘Ik heb je lerares gesproken,’ gaat vader onverstoorbaar verder. ‘Bo-hui zegt dat jij haar meest getalenteerde leerling bent, net zo goed in muziek en dans als in literatuur en dichtkunst. Ze beweert dat je ooit Hwang-yi zelf zult evenaren.’ Ik voel tranen opkomen en moet veel moeite doen om die terug te dringen. Nooit eerder sprak vader zo lovend over mij. Hij heeft gelijk. Een kisaeng wil ik niet worden, al houd ik van bijna alles wat ik van Bo-hui leer. Maar ik gruw van het vooruitzicht om straks als kisaeng het bed te moeten delen met elke edele yanbang die dat wenst, al is hij nog zo oud en lelijk. Vader komt overeind en gaat naast mij zitten, alsof ik een echte dochter ben. ‘Chan-mi,’ zegt hij, ‘ik heb met Pak Yŏn gesproken, die vele jaren eerder dan die mannen met zijn schip op de kust van Choson strandde en die inderdaad uit hetzelfde land komt. Ik heb je nooit zijn echte naam verteld. Die klinkt vreemd en luidt Jan Weltevree. Je weet waarschijnlijk dat hij in opdracht van de koning geweren en kanonnen ontwerpt zoals zijn landgenoten die gebruiken. Maar Pak Yŏn wordt oud. Daarom wil hij een van zijn landgenoten opleiden. Hij heeft een jongen van zeventien jaar op het oog die in zijn eigen taal Claes Arentszoon heet. Hij weet niet alleen alles van geschut af, maar bezit ook andere talenten. Pak Yŏn heeft hem al veel geleerd, maar het is niet genoeg. De jongen kan hem pas opvolgen als hij onze taal uitmuntend beheerst.’ ‘Wordt het mijn taak om die jongen les te geven?’ Ik schrik van mijzelf. Een meisje wordt niet geacht om dat soort vragen te stellen. Ik hoor af te wachten… Maar vader neemt er geen enkele aanstoot aan. Integendeel, hij glimlacht. ‘Juist, Chan-mi. Al ben je nog maar vijftien, jij bezit daar de kennis voor. Dat heeft je lerares mij verzekerd. Bovendien kan de jongen dan in mijn eigen huis onderwijs krijgen.’ Maar ik mag helemaal niet alleen bij een jongen zijn! Zou Chae-yong dan altijd naast mij moeten zitten? Dat zou ik vreselijk vinden. Vader lacht om mijn verbaasde blik. ‘Het is eenvoudiger dan je denkt, kleine dochter. Als ik weg ben en dat is vaak het geval, geef je de jongen gewoon hier les.’ Plotsklaps zit er een brok in mijn keel. ‘Mag dat wel?’ weet ik uit te brengen. ‘En hoe moet het dan met mijn eigen lessen?’ ‘Als de jongen jou wil, mag hij je huwen. Dan hoef je geen kisaeng te worden.’ Sprakeloos kijk ik vader aan. ‘Morgen geef je hem zijn eerste les,’ gaat hij rustig verder. ´Je mag hem Baram noemen naar de wind die zijn schip naar de kust van Choson blies. Ga nu naar je school, Chan-mi, en leg je lerares uit waarom je niet meer komt. Maar vertel Bo-hui nog niet dat die jongen jou huwt. Jij mag niet weigeren. Baram wel. Maar ik verwacht niet dat hij dat zal doen. Je bent een zeldzaam juweel, Chan-mi. Dat zal de jongen ongetwijfeld zien. Ik ben blij dat ik je deze kans kan geven, kleine dochter.’ Opnieuw voel ik tranen opwellen. Vader bedoelt dat hij van mij houdt en het beste voor mij wil, al kan een generaal dat onmogelijk rechtstreeks tegen zijn bastaarddochter zeggen. Zonder dralen sta ik op, buig en verlaat de anbang. In de vrouwenruimte negeer ik Chae-yongs nieuwsgierige blikken. Ik loop naar buiten en volg het pad dat zich tussen de rijstvelden in wijde bochten omhoog slingert om bij de kisaengschool op de top van de heuvel te eindigen. Hanyang – najaar 1659 Als ik mijn ogen open, voel ik Barams warme lichaam vlak naast mij. Hij is al wakker en kijkt naar mijn blote borsten. Ik lach, steek mijn arm uit en woel door zijn helblonde haar. Baram betovert mij elke dag opnieuw, net zoals die allereerste keer, toen hij de anbang binnenstapte, mij met zijn blauwe ogen opnam en toen met een zwierig armgebaar voor mij boog alsof ik een echte koningsdochter was. ‘Hoe lang moet je nog om je vader rouwen, Chan-mi?’ vraagt hij. Ik zou boos moeten worden om die weinig subtiele vraag, maar daar ben ik gewoonweg niet toe in staat. ‘Tot de komende zomer,’ antwoord ik. ‘Tot dan zul je geduld moeten hebben.’ ‘Jij ook,’ zegt hij. Plagend knijpt hij in mijn wang. Ik zucht en leg mijn hoofd op zijn schouder. Baram kent mij intussen goed genoeg om te weten dat ook ik die verplichte onthouding moeilijk vind. Maar we weten allebei wat er gebeurt als we ons daar niet aan houden en ik te vroeg in verwachting raak. Hij verspeelt dan zijn bevoorrechte positie en ik verlies alles, zelfs mijn leven. Een vrouw die haar eer te grabbel gooit, moet ter plekke haar paedo gebruiken, het rituele mes dat elke gehuwde vrouw in Choson draagt. Baram streelt mijn arm. ‘Ik moet je iets vertellen, Chan-mi,’ zegt hij. Ik luister o zo graag naar Barams melodieuze stem met die eigenaardige tongval, vooral als hij vertelt over zijn geboorteland, oneindig ver van Choson, waar men een vreemde god aanbidt en vrouwen bijna net zo belangrijk schijnen te zijn als mannen. Maar nu klinkt Barams stem ineens afgemeten en vlak… ‘Gisteren werd ik naar het paleis ontboden, Chan-mi. Tot mijn grote verbazing moest ik voor de koning zelf verschijnen. Pak Yŏn was er ook. Hij wordt te oud om nog langer naar de garnizoenssteden te reizen om elk stuk geschut te controleren, vertelde hij. De koning zelf ondervroeg mij over mijn vorderingen. Ik kon al zijn vragen en ook die van de raadsheren naar tevredenheid beantwoorden. De koning dicteerde mij daarna een tekst. Toen ik alles foutloos in het han’gǔl op wist te schrijven werd ik ter plekke tot Pak Yŏns plaatsvervanger en opvolger benoemd. Morgen reis ik naar P’yŏngyang, daarna naar alle andere provinciehoofdsteden en de belangrijkste havens.’ ‘Hoelang blijf je weg?’ fluister ik. Baram antwoordt niet meteen. Eerst kust hij mij. ‘Lang,’ zegt hij dan. ‘Te lang… Sommige generaals verwachten een nieuwe landing van de Japanners. Er is zelfs al een gezant naar Bejing gezonden om de Ming-keizer te waarschuwen.’ Slechts één woord onthoud ik. Lang… Saesong – zomer 1666 Barams vrees wordt bewaarheid. Elk jaar moet hij in alle oorlogshavens het geschut gaan controleren. Om elkaar nog af en toe te zien betrekken we dicht bij de haven van Saesong een hooggelegen woning met een schitterend uitzicht over de zuidelijke zee. Dat kan de pijn van Barams bijna voortdurende afwezigheid niet verzachten. Elke keer als ik bij het ontwaken begerig naar zijn lichaam tast, maar enkel lucht voel, begin ik een stukje leger en mistroostiger aan weer een nieuwe dag. Als de zomer bijna voorbij is, staat Baram op een zonovergoten namiddag totaal onverwacht voor mij. Ik werp mij in zijn armen en houd tijdelijk op met denken. De gedachte dat hij morgen misschien weer afreist, wil ik niet in mijn geest toelaten. ‘Chan-mi, ik moet je iets vertellen,’ zegt Baram als ik hem eindelijk loslaat. Ik verstijf en kijk hem verbijsterd aan. De laatste keer dat Baram die zin uitsprak staat nog in mijn geest gegrift. Baram pakt mij bij de schouders en schudt zijn hoofd. ‘Nee nee, Chan-mi,’ zegt hij, ‘het is niet wat je denkt. Deze keer heb ik goed nieuws. Een aantal van mijn landgenoten zijn er in geslaagd om een boot te bemachtigen. Ze vroegen mij of ik ook terug wil naar mijn geboorteland. Ik antwoordde dat ik dat zielsgraag wil, maar niet zonder jou.’ Ik kan het bijna niet geloven en staar Baram met open mond aan. ‘Kun je met die boot helemaal naar jouw land?’ Baram moet lachen om die vraag. ‘Natuurlijk niet. We gaan eerst naar Japan.’ Mijn hart staat stil. Japan! Bijna alle families in Choson treuren nog om de doden die bij de laatste Japanse invasie zijn gevallen en om de wreedheden die toen zijn begaan. Zonder de hulp van de Chinese keizer zou mijn land niet meer bestaan. Japan is wel het laatste land waar ik voet aan land wil zetten. ‘Nee, Baram. Dat nooit,’ zeg ik. ‘Misschien helpen de Japanners jullie, maar mij zeker niet. Ze doden mij of verkopen mij als een goedkope slavin.’ ‘Niet als ik vertel dat je mijn vrouw bent,’ probeert Baram nog. Ik schud mijn hoofd. ‘Is er dan geen andere weg? We kunnen eerst naar Bejing reizen. Ik spreek Mandarijn en ken ook de Chinese schrifttekens. In China zal men ons geen haar krenken.’ Baram zwijgt en kijkt mij aan zonder mij te zien. Ademloos wacht ik af. ‘Wie weet, Chan-mi’ zegt hij ten slotte bedachtzaam. ‘We zouden misschien vanuit China de Hollandse nederzetting in Formosa kunnen bereiken vanwaar we dertien jaar geleden vertrokken. Maar ik weet niet of de koning mij zal laten gaan.’ Bijna word ik boos. ‘Willen jullie de koning toestemming vragen om naar Japan te varen?’ vraag ik. ‘Je weet heel goed dat je die goedkeuring niet zult krijgen.’ Baram kijkt mij peinzend aan en buigt dan zijn hoofd. ‘Je hebt gelijk, Chan-mi,’ zegt hij zacht. ‘Ik zal mijn landgenoten laten weten dat ze zonder mij moeten gaan.’ Die avond weet ik niet of ik blij of bedroefd moet zijn. Baram, die zo graag praat en altijd aandacht voor mij heeft, is nu stil en afwezig. Mijn hart bloedt als ik bedenk dat hij misschien door mijn schuld zijn thuisland nooit meer zal zien. ‘Baram, je kunt ook zonder mij gaan,’ gooi ik er zonder nadenken uit. Nu ziet hij mij weer. ‘Kom hier, Chan-mi,’ zegt hij enkel. Daarna bedrijft hij de liefde met mij. Een mooier antwoord had hij niet kunnen geven. Twee dagen later moet Baram naar de hoofdstad om verslag uit te brengen van zijn laatste inspectiereis. ‘Denk je na over China?’ vraag ik bij zijn vertrek. ‘Natuurlijk,’ verzekert hij mij. ‘Maar het is al laat in het jaar voor zo’n verre reis. Het is beter om te wachten tot de lente.’ Ik knik. ‘Kom snel terug, Baram.’ Hij kust mij en daalt zonder om te kijken de heuvel af waarop ons huis staat. Als de dagen zich als kralen aaneenrijgen zonder dat ik enig bericht van Baram krijg, word ik steeds onrustiger. De nazomer is prachtig. Zelden zag ik de hemel zo blauw. Vanuit ons huis kan ik alle eilanden voor de kust onderscheiden tot de allerkleinste rotspunt toe. Wel is het uitzonderlijk droog. Daarom zie ik de stofwolk op de kustweg al wanneer die niet meer is dan een vaag vlekje op mijn netvlies. De knoop die zich langzaam maar zeker in mijn maag vormt, kan ik niet verklaren en ook niet waarom ik zo zeker denk te weten dat die te maken heeft met wat daar in de verte nadert… Moeizaam en met stramme bewegingen stapt Pak Yŏn uit het rijtuig. Als aan de grond genageld blijf ik in de deuropening staan. Hoe ik ook mijn best doe om die gedachte te verdringen, ik kan slechts één reden bedenken waarom Pak Yŏn op zijn leeftijd de reis van Hanyang naar Saesong zou ondernemen. Ik kom tot mijzelf en bedenk dat het erg onbeleefd is om alleen maar af te wachten. Terwijl alles in mijn hoofd gonst, loop ik de oude man uit Barams land tegemoet. Zwijgend blijven we tegenover elkaar staan. ‘Je hebt nieuws over Baram? ‘Ja, Chan-mi,’ antwoordt Pak Yŏn. ‘Slecht nieuws?’ Pak Yŏn zwijgt en buigt zijn hoofd… Die nacht is het volle maan. Ik kniel neer op de plek waar Baram mij de laatste keer heeft liefgehad. Als ik mijn ogen sluit, word ik warm van binnen en beleef het van de eerste streling af opnieuw. Dan sta ik op en ga naar buiten. Voor ons huis kniel ik neer op de rotsbodem. De zilveren maanschijf weerspiegelt zich in de zee voor mij, waarin ook Formosa ligt, de poort naar Barams wereld. Voordat ik naar mijn paedo tast om die wereld na hem te betreden, denk ik een laatste keer aan Hwang-yi. O blauwgroene stroom die zich van de heuvels haast, Beroem je niet op je snelle vaart: Eenmaal deel van de wereldzee, Is er geen weg terug. Waarom blijf je niet en rust hier uit, Waar verlaten heuvels baden in het licht van de maan? Ik ben Angus Gilmour
Van Loch Ness Tot Inverness Gevierd als troubadour De Highlands zijn mijn thuis De weg is mijn huis Altijd onderweg Nu heb ik pech Ik hoor menig takken kraken En zie ogen als vuur Onverwacht op dit uur Ik moet me uit de voeten maken Ik heb met Nessie gezwommen Ik vluchtte voor menig bommen Van de fanatieke Jacobieten Die maar bleven schieten Een grote zwarte schaduw Beweegt als een statige kat Mijn voorhoofd wordt nat Ze is helemaal niet schuw Ik sloeg fout af in Kellas Nu verlies ik alles Het laatste wat ik zie Is de Cait sidhe Ze scheurt de ziel uit mijn lijf De andere wereld wacht Een van ongekende pracht Klauwen raken me als een rijf Mijn bloed kleurt de grond Deze ontmoeting was te bont Ik ga naar de andere kant Van mijn vertrouwde Hoogland Dit gedicht werd ingezonden voor de dichtwedstrijd 'De Ontmoeting'. Het is vreemd, fantastisch, uniek en toch zo reëel. Als ik eraan terugdenk komen mijn nekharen nog overeind. Het ging voor mij allemaal zo snel, terwijl er in werkelijkheid uren verstreken waren…
Die morgen was ik zoals gewoonlijk om 5 uur opgestaan, want ik moest om 6 uur 30 mijn dienst aanvangen. Op de weg naar het postkantoor zag ik een auto aan de kant staan, die een ongeluk gehad had. Ik hoorde gekreun, fietste erheen, en ontdekte een vrouw die geklemd zat tussen het stuur en de deur. Bloed sijpelde uit haar opengezakte mond op haar jas. Eerst probeerde ik zachtjes de deur te openen om haar te bevrijden, en toen dat niet lukte gebruikte ik meer kracht. Op dat ogenblik ramde een voertuig ons, waarschijnlijk had de bestuurder het wrak te laat opgemerkt. Mijn eerste indruk was een uitzonderlijke lichtheid, een ongebonden vrijheid, alsof ik opsteeg naar een tunnel. De wanden leken dichtbij en toch onduidelijk. In de verte zag ik licht in allerlei kleuren, als een enorme caleidoscoop, die afwisselend alle kleurfacetten toonde. Ik steeg verder op en voelde een onmiskenbare drang om het licht te bereiken. Andere lichtflitsen staken mij voorbij, en onder mij zag ik nog meer dergelijke lichtjes. Mijn aarzeling verdween en ik bereikte snel een felverlicht, feeëriek schouwspel. Het was een dromerige, wazige wereld die voor mij openging. Een vriendelijke man wachtte mij op. Zijn kledij leek tijdloos. ‘Welkom mijn vriend,’ zei hij, ‘treed binnen in deze ontvangstruimte.’ Verdwaasd zette ik voet op een wazige ondergrond. Pas nu bemerkte ik bloedvlekken op mijn uniform. Onbegrijpend betastte ik mezelf, en onthutst hief ik vragend mijn hoofd op… ‘Vrees niet,’ zei de man. ‘Alles heeft zijn reden.’ ‘Maar …’ stamelde ik, ‘hoe kom ik hier, wat is dat bloed, ben ik soms …?’ ‘Ja vriend. Je hebt de overstap naar het volgende bewustzijn gezet. En voor je gaat panikeren zal ik wat verklappen.’ Een vreemde gerustheid daalde in mijn geest neer, alsof ik alles liet begaan. ‘Jouw reddingspoging om die vrouw uit het autowrak te bevrijden, heb je met de dood moeten bekopen. Onterecht zelfs, want jouw laatste uur was nog niet geslagen. Zelfs hier gebeuren er fouten. Je hebt een unieke belevenis mogen meemaken, maar nu moet je terug naar je eigen lichaam, vooraleer er te veel misloopt.’ ‘Maar het is hier zo vredig, zo hemels, ik wil hier blijven,’ stamelde ik. ‘Ik vrees, mijn vriend, dat dat momenteel onmogelijk is. Jij hebt nog bepaalde zaken af te handelen. Berust in je lot, verzet je er niet tegen. Maar voordat je terugkeert wil ik je een levensles meegeven, die het verdere verloop van jouw leven zal bepalen. Laat alcohol, tabak en andere drugs voor wat ze zijn. Wees trouw aan je partner. Breng liefde in de wereld, want dat is het enige waar ze nood aan heeft, waar er nooit genoeg van is. Wees een lichtend voorbeeld voor anderen, voor de rest van je leven.’ Verdwaasd keek ik hem aan. ‘Hoe weet u …’ Meer kreeg ik niet over mijn lippen. ‘Ga nu terug naar je lichaam, en onthoud wat ik je zei.’ Plots vervaagde alles en ik werd wakker in een hospitaalbed in de operatiekamer. Men was druk bezig mij te reanimeren. ‘Dokter, hij komt terug bij!’ riep een verpleegster. Pas nu besef ik ten volle wat mij overkomen is. Die dag, die dag toen ik als postbode niet langskwam … Er staat een Rus met een wandelstok voor de deur, zomaar. En dat in hartje Gent. Mijn kat Alek komt nieuwsgierig tussen mijn benen piepen naar de onverwachte gast, die me zonet bijna omverblies met een gebulderd ‘Dobryy den!’
‘Ik hoop oprecht dat ik u niet deed schrikken,’ zegt de gezette man wat zachter, zoetgevooisd bijna, terwijl hij zijn te grote bontmuts ietsje rechter op zijn hoofd zet, ‘ik volg het voorbeeld van Lev, mijn grootvader langs moederskant. Die stond ook altijd bij vreemde huizen om te controleren of ze genoeg borsjt in huis hadden.’ Hij kucht, zijn wangen worden nog roder dan ze al waren. ‘Toen nog thuis, bij Moedertje Rusland. Men deed het in die tijd vaker.’ Ik knik langzaam, hoewel ik geen idee heb waarom iemand dat zou doen. De Rus kijkt me peinzend aan, alsof hij mijn gebrek aan culturele kennis kan ruiken. ‘Wilt u binnenkomen?’ vraag ik. Die riedel over zijn grootvader heeft het ijs gebroken. Zelf heb ik mijn grootouders nooit gekend, wat ik als een groot gemis ervaar. Hij stapt gezwind over de drempel, stelt zich enigszins teleurstellend voor als Ivan Ivanovitsj (maar was dat geen bekende figuur?) en zet zijn fraaie wandelstok, duidelijk niet meer dan een fashion statement, tegen de muur. Meteen begint mijn kat, die normaal gesproken niets van vreemden moet weten, een lied te miauwen dat verdacht veel op een Russische volksballade lijkt. ‘Trepak’ van Tsjaikovski, geloof ik. Die vermaledijde notenkraker! Ivan van Ivan gaat met een hand door zijn lange grijze baard en humt het deuntje mee. Na de laatste noot snelt Alek tussen mijn benen door naar achteren, de veiligheid van het huis in. ‘Prima,’ zegt Ivan van Ivan, ‘u heeft een muzikaal huisdier. Dat is een heel goed teken. In Rusland zeggen we: een zingende kat is beter dan een zwijgende buurman.’ Wat kan ik daartegen inbrengen? Ik grijns dan maar. O ja, ik mag niet zwijgen, luidens zijn spreekwoord. ‘Klopt, klopt!’ zeg ik haastig. ‘Niet nodig, hoor, u deed de deur zonet al voor me open. Hoogst hoffelijk van u,’ zegt Ivan van Ivan toeschietelijk. Zijn melodieuze stem bevalt me steeds meer. Hij haalt een knalgele thermosfles uit zijn jaszak en schenkt thee in mijn mooiste kopjes. ‘Russian Caravan,’ zegt hij met de grootste smile die ik ooit op iemands gezicht zag. ‘Topkwaliteit.’ Hoe zijn we in mijn woonkamer beland? En waar komen die kopjes zo gauw vandaan? Het moet zijn stem zijn, die me door mijn eigen woning laat zweven, zonder besef van tijd of ruimte. Voor ik het weet, heb ik een kopje dampende thee in mijn handen. Ruikt heerlijk. Mijn duim volgt de fijne rand, waar het porselein dun en kwetsbaar aanvoelt. Typische Engelse verfijning – ooit aangeschaft door die voor mij onbekende grootouders. Diep in mijn kast opgeborgen, opdat hun breekbare perfectie nooit verloren zou gaan. Het bloemmotief – zachte rozen in tinten van roze en groen – lijkt spontaan open te bloeien door de rijke aroma’s van de thee. Terwijl ik voorzichtig aan de nog veel te hete thee nip, glijden mijn ogen over het gouden randje van mijn dierbare kopje naar Ivan. Ik moet toegeven dat hij er wel geniaal uitziet. Bovendien is zijn accent een voltreffer. Alles wijst erop dat hij de intrigerende figuur is waar ik naar op zoek was. Alleen twijfel ik of deze persoon wel naast mijn Marie-Anne past. Hij is een rauwe beer, zij daarentegen een verfijnde schone, teer als het porselein in mijn hand. Alsof ze mijn gedachten kan lezen, klinkt haar stem vanuit haar kamer. Of onze mysterieuze gast de uitnodiging aandurft om haar boven te vergezellen. Haar brutale opmerking veroorzaakt een plotselinge schrik waardoor ik mijn kopje bijna laat vallen; Alek die langs me strijkt haalt me op het nippertje terug in het moment. Het is alsof Ivan met zijn vingers knipt, al doet hij dat niet. Zonder de traptreden te hoeven overbruggen bevindt hij zich bij Marie-Anne, in ons slaapvertrek. Zelf sta ik in de deuropening. Hoe ik hier weer terecht ben gekomen, en wat dit moment van mij verlangt, ontgaat me volledig. ‘Aangenaam,’ fluistert Marie-Anne zacht. Ze frunnikt aan het kanten randje van haar jurk en wendt haar hoofd verlegen af. Haar lange blonde haren vallen voor haar ogen. Meen ik daar een blos te zien? Is zij werkelijk van deze gast gecharmeerd? Ik heb al meer gekregen dan waar ik op had durven hopen. Ivan gaat naast haar op het bed zitten en legt zijn hand op haar knie, alsof dat de normaalste zaak van de wereld is. De verwachtingen die ik hierbij van haar had – een terugdeinzende beweging, klap of zelfs een gil – niets van dat alles wordt waarheid. Marie-Anne blijft gewoon rustig zitten en kust hem zelfs op zijn wang. Die kus wekt een wildheid in Ivan. Hij trekt haar dichter naar zich toe en het bandje van haar jurk glijdt van haar schouder. ‘Tak krasivo,’ fluistert Ivan in haar oor. ‘Ya khochu tebya,’ antwoord Marie-Anne teder. Ho, wacht even. Sinds wanneer spreekt zij Russisch? En waarom sta ik hier nog altijd toe te kijken en doe ik niets? Het is aan mij om de regie in handen te houden. Ivan scheurt de jurk van Marie-Annes lijf en samen laten ze zich achterover op het bed vallen. Hij is een ruwe bolster; toch toont hij zich nu ook onverwacht moutig en zoet, met zelfs een subtiele rokerige ondertoon. Wat volgt is een spektakel dat het spice-gehalte van de best verkopende boeken overstijgt. Ik krijg het er warm van en neem mijn notitieboekje tevoorschijn om aantekeningen in te maken. # Terwijl Ivan en Marie-Anne nog bij liggen te komen, zit ik in de keuken, door mijn aantekeningen ploeterend. Eurekamomenten worden gevolgd door schrappen, schrappen, schrappen. Dan schrijf ik alles weer op, enkel om het opnieuw weg te strepen. En wéér te noteren. ‘Moya milochka,’ hoor ik Ivan boven roepen. Nu is het genoeg geweest. Ik open de keukenkast en vind al snel mijn botste bijl, die ik speciaal voor dit soort gelegenheden achter de hand houd. Ik grijp het stevig vast en vertrek terug naar boven. Zweven doe ik ondertussen niet meer, ik neem gewoon de trap. Met alle agressie die ik in me heb hak ik op Ivan in – hij spartelt niet tegen, schreeuwt niet eens. Al snel valt hij in mootjes uit elkaar en is hij volledig geëlimineerd. Spijtig, maar het was nodig. Marie-Anne kijkt verbijsterd toe. ‘Wat doe je nu met mijn darling?’ ‘Dit is jouw darling helemaal niet. Het is de mijne. En helaas moest ik deze darling killen.’ Haar lip begint te trillen. ‘Maar waarom?’ ‘Sorry Marie-Anne, ik vond hem ook heel erg leuk. Jullie chemie was geweldig en hij maakte er een echte pageturner van. Maar de laatste tijd duiken er ineens overal verhalen op waar een Rus zonder reden ergens komt binnenvallen. Het begint cliché te worden. Ik wil wel met een origineel debuut op de markt komen.’ ‘Maar …’ ‘Geen zorgen. Jij mag zeker blijven. Ik heb zelfs al een dure cover laten ontwerpen waar jij op staat, dus ik kan het me niet eens veroorloven om jou nog weg te strepen. Ik ga echt wel een fantastisch personage als bondgenoot voor je verzinnen. Of dat er weer eentje wordt waar je meteen bovenop duikt weet ik alleen nog niet. Ik moet gewoon mijn fantasie even laten borrelen en met wat beters komen dan die Rus.’ Marie-Anne pruilt. ‘Stop toch met het killen van al je darlings.’ Ik schud mijn hoofd. ‘Wacht even, de bel rinkelt.’ # Er staat een keurig verzorgde Engelsman met een bos rozen voor de deur. Zomaar. Hij stelt zich voor als James. De kat begint spontaan een filmtune te miauwen. Voor ik het goed en wel besef, zitten we samen in de woonkamer, sippend van het lauwe restant Russian Caravan uit de knalgele thermosfles. Meer Russische verhalen leest u in de bundel Ivan van Ivan. Het voelt vreemd nu ik neerkijk op het lijk voor mij. Nochtans staan boeken ervan vol, wordt in elke raad van oudere mensen aan jonge onstuimige geesten hiervoor gewaarschuwd en toch ben ik in de val getrapt.
Het is effectief allemaal niet wat het lijkt te zijn. De waarde van bezit, van geld en goud. Het belang van gezien te worden en 'iemand' te zijn. Het doet pijn om zo weinig mensen te zien die huilen rond het lijk. Het bevestigt enkel dat waar ik mij mee bezighield, toen bloed nog door mijn aderen stroomde, niet het juiste was. Toen de zussen elkaar eindelijk ontmoetten, was dat in het hart van het Maalstroompaleis, waar elk raam op een andere wereld uitkijkt.
Jawlinda droeg de veelkleurige mantel van een juwelendanseres, terwijl Atlatende, als nachtgauntberijdster, in sabel gekleed was. Ze had haar donkere haar kortgeknipt, zodat geen geklauwde harpij haar aan een vlecht van haar rijdier kon rukken. "Ik heb zoveel over je gehoord," zei Atlatende. 'Ik ook,' antwoordde Jawlinda. 'Maar niets goeds. Mijn familie moet dus wel bang voor je zijn. Dat maakte me des te nieuwsgieriger en ik wilde je graag ontmoeten. Ben je echt aangekomen met een leger van ijsdraken en springende vuurkikkers?' Haar zus sloeg haar armen over elkaar. "Dat klopt." 'Mijn vader, de keizer, heeft je voor de wolven achtergelaten, omdat je haar de verkeerde kleur had voor een Cad-hi-Garang. Wat grote onzin is. De grote Robhur de Veroveraar ging prat op een baard zo zwart als een maanloze nacht volgens de Analecten.' Ze trok haar zwaard, het zwaard dat de blinde monniken voor haar hadden gesmeed uit de ijzeren tand van een leviathan. 'De wolven hadden die nacht geen trek en een wolvin zoogde me,' vertelde haar zus. 'Ze leerde me alle lycantropische geheimen van hun oeroude stam. En nu kom ik het paleis in brand steken en hoop ik mijn ouders in de vlammen te horen krijsen.' Ze keek naar het zwaard van haar zus. 'Kwam je hier om me tegen te houden?' 'Dat is wel het laatste wat ik wil.' Ze zette haar zware en nogal zompige tas neer en knielde aan de voeten van haar zus, waarna ze haar het meest gevreesde zwaard van het Keizerrijk aanbood. 'Ik zweer je mijn trouw. Laten we eropuit trekken en zijn hoofd op een spies zetten.' "Jij hebt je eigen grieven, ja?" "Mijn vader liet mijn geliefde vermoorden, omdat hij wilde dat ik met een vadsige prins uit een van de laaglandse steden trouwde. Ik vond haar hoofd met haar vlecht aan de kroonluchter geknoopt toen de ochtendzon me wakker maakte." "Haar hoofd?" "Dat was nog een reden waarom hij mijn geliefde minder geschikt vond." De zussen omhelsden elkaar en kusten. Jawlinda voelde een lichte spijt, toen ze haar kleine dolk in het hart van haar pasgevonden zus dreef. Ze had diezelfde ochtend haar vader en waardeloze broers vermoord, en je kon natuurlijk geen twee pretendenten hebben voor de plotseling lege troon. Toch? Ook al zit ik met jou in een augiasstal, ben je een oude man vol luizen,
druipt de vunzigheid uit je aftandse poriën, doordrenkt met scheten en beschuldigend mompelen, ik blijf toch bij jou! Je hebt me uit mijn moeders buik gehaald met je zachte handen, nu zijn ze kil, onverschillig en inhalig als steen. Ik vraag je niet hoe je me erin geluisd hebt, hoe ik je raadsels kan ontrafelen, nee, ik blijf gewoon bij jou, totdat de dood ons op een dag zal hemelen. Ik beloof het, want tijd is ook een emotie. Mijn hartverscheurende hart schreeuwt om een hernieuwde ontmoeting, maar ik weet het, ik kan je niet meer bereiken, je bent zo onrealistisch en onbereikbaar, mijn lieve gepiep hoor je niet meer. Ik raak je aan met mijn natte snoes, knuffelloos, oceanen zitten tussen ons. Verscheurd door wanhoop ga ik maar weer naar mijn stoffige mandje, tersluiks huilend en in diepe pijn lijd ik in stilte. Moedeloos lig ik daar, walgend en misselijk, verloren, als op een bootje op open zee. Dan droom ik over de lipvis, vrouwtjes lipvissen kunnen een mannetje worden. De volgende dag roep je me met je geluidloze stem, je broze hand trilt, voor de laatste keer lok je me met mijn geliefde hondensnoepjes. Lodderig zwem ik uit mijn vloeibare zeedroom. Het wonder is geschied, ongelooflijk, wij hebben elkaar weer gevonden! Ik ben geen mannetje geworden, maar een lipvis, alleen voor jou. Ik kus je lippen zoals vroeger, ik lik ze, mijn staart kwispelt weer zorgeloos, mijn tong streelt je enige tand, mijn narwal. Dan nemen ze je mee naar een lege zee, vergeef me, ik verbreek mijn gelofte, je zondaar. Je slagen en je sigarettenpeuken op mijn lijf zal ik vergeten, maar de ziltige smaak van je lippen nooit. Dit gedicht werd ingezonden voor de dichtwedstrijd 'De Ontmoeting'. Naar een idee van Laura Weterings
Udo sloeg het dikke boek dicht en gooide het op de brits. Wat een avonturen had hij de voorbije jaren beleefd! Hij grimaste en wreef over zijn pijnlijke been. Hij moest in beweging blijven. Hij kon toch niet de hele tijd blijven zitten? Ach, dat boek … Het was niet altijd gelopen zoals hij had gewenst. Hij was vaak dicht bij de Wimpel geweest, maar aan het einde liep het mis. Dan moest hij met lege handen vluchten voor de soldaten van Leonhard de Beveler. Of voor vuige verraders. Niet iedereen bleek het goed met hem voor te hebben. Mensen hadden hun eigen plannen – en in die plannen kwam hij niet voor. Hij stapte moeizaam naar de muur en staarde door de hoge tralies. Gelukkig was er de Tauber. Telkens als hij naar de rivier keek, werd hij rustig. Het water was er altijd al geweest, zou er ook altijd zijn, en trok zich van de mens en diens kuren niets aan. Misschien moest hij zelf ook wat kalmer, wat gelijkmatiger worden. Soms was hij er wel in geslaagd de Wimpel te stelen, zoals wanneer hij vanuit de lucht de aanval op het Topplerschlösschen inzette. Toch liep het spaak: een felle windvlaag, speren die zijn richting uit vlogen. Dan stortte hij met het fel begeerde doek ter aarde. Sommige pogingen had hij ternauwernood overleefd. Zeker, die mislukkingen waren erg, maar veel erger nog waren de keren dat hij de Wimpel wel had bemachtigd. Eerst liepen de zaken reuze goed. De inwoners van Rothenburg ob der Tauber applaudisseerden voor hem als hij gezeten op een witte hengst door de stad ging. Ze prezen zijn wijsheid en mildheid, zijn oog voor wie arm was, en zijn drang naar rechtvaardigheid. Toch had hij ervaren dat macht en rijkdom corrumpeerden. Vreemd was dat: het heilige vuur dat in hem brandde doofde langzaam uit. Lag het aan de uitmuntende wijn die in het Topplerschlösschen geschonken werd? Of aan de routine die in zijn relatie met Inneke sloop? Hij had met zijn koene daad haar hart veroverd, en een tijd lang waren ze heel gelukkig. Dan kwamen echter de kleine irritaties die we allemaal zo goed kennen: een verkeerd woord, een schuine blik, verwachtingen die niet werden ingelost. De liefde liet zich niet sturen, of alvast minder dan de roof van een stuk textiel. Udo ging weer zitten en streelde weifelend de leren omslag van het boek. Hij had het prachtstuk overgehouden aan zijn gevaarlijke belevenissen. Zijn laatste poging om de Wimpel te veroveren was de beste geweest. In een taverne had hij een gesprek aangeknoopt met Frerik, de kamerheer van Leonhard. De grijsaard stond bekend om zijn hang naar drank; het was wellicht zijn enige gebrek. In tegenstelling tot de Beveler was Frerik een eervol man, iemand met een hart voor de inwoners van de stad. Een man ook die van cultuur hield. Dat had Udo op een idee gebracht. Na enkele kroezen bier had hij de kamerheer iets uitzinnigs op de mouw gespeld: hij wist hoe hij boeken moest binden – veel beter dan om het even wie in de stad. Udo had met vaste stem het procedé uitgelegd. Perkamenten vellen vouwen tot katernen en deze naaien op koorden. Voor de omslag gebruikte hij houten platen, die hij met leer bekleedde. En thuis had hij de beste sloten voor boeken. Frerik had geknikt: perkament leefde, dus een slot was meer dan nodig. Udo’s uitleg bleek voldoende overtuigend. Hij mocht al de volgende week aan de slag in de kleine bibliotheek van het Topplerschlösschen. Daar wachtte hem een werk over de glorieuze daden van Leonhard: golvende vellen perkament met nog veel grotere leugens erop dan wat Udo de kamerheer had verteld. De oude man stond erop dat het boek zo snel mogelijk werd ingebonden, nog voor het feest ter ere van Leonhards lustrum als Beveler van Rothenburg ob der Tauber. De beste kerel had er geen idee van dat Udo zijn betoog woord voor woord had overgenomen van een binder op doorreis, een spichtig mannetje dat in de looierij leer voor omslagen kwam halen. Eens Udo in het Topplerschlösschen was, bleek het voor één keer een koud kunstje om de Wimpel te stelen. De soldaten sloegen geen acht op een kreupele die zich godbetert met boeken inliet. Toen hij hoog op de toren de Wimpel greep, voelde hij dat het ditmaal anders zou zijn. De stof gloeide in zijn handpalmen, alsof ze wilde gebruikt worden. Een veelbelovend teken. Hij nam alleen goede beslissingen: betere werkomstandigheden voor al wie zware arbeid leverde, lange gesprekken met notabelen die tot een machtsevenwicht leidden. Er brak een tijd van voorspoed aan: vrede, bloeiende handel en zelfs rijke oogsten. Op het toppunt van zijn macht had Udo het boek laten maken dat nu op de brits lag, als een herinnering aan zijn geslaagde list. Uiteindelijk was het toch fout gelopen. Hij dacht liever niet terug aan Innekes jongere zus Elsa. Zij kon niet aan de verleiding weerstaan om de Wimpel uit zijn slaapvertrek te stelen. Hij had zich nooit met haar moeten inlaten. Maar het vlees was zwak … Daar zat hij dan, eenzaam in de kerker. Elsa de Beveler had hem het boek gelaten, als om hem met de neus op de feiten te drukken. Het was een wreedheid die hij nooit van haar had verwacht. Misschien was het wel wat hij verdiende. Misschien had hij zijn plaats in de maatschappij moeten kennen, had hij niet moeten dromen. Het leven was een aaneenschakeling van misschiens, van wegen die hij niet had ingeslagen, van een traject dat hem hier had gebracht. Even aarzelde hij. Toen kwam hij overeind en gooide het boek door de tralies in het onverschillige water van de Tauber. Met dank aan Laura Weterings voor het kernidee van de epiloog. En met veel dank aan alle deelnemende auteurs en aan illustrator Coen de Moor. Vertaling: Finn Audenaert
Die middag in maart was het perfect weer om naar het plein te wandelen voor de lunch en te genieten van de zon die de komst van de lente aankondigde. Ik verliet het kantoor, stopte bij de kiosk om een fles mineraalwater en een broodje ham te kopen, stak de straat over en keek rond op zoek naar een vrij bankje om op te zitten. In deze tijd van het jaar, wanneer de kou begint af te nemen, komt iedereen naar buiten om te genieten van de warmte tijdens de lunchpauze. Het plein raakt vol en de enige vrije bankjes staan in de schaduw, waar nog wat winterkou hangt. Ik vond er één waar een oude man zat, die leek te slapen. Ik ging naast hem zitten, opende mijn flesje en pakte mijn broodje uit. Ondertussen leek de oude man naast me te mopperen over een nare droom. Ik stond op het punt om mijn eerste hap te nemen toen ik opschrok. ‘Shit!’ zei mijn buurman. In slow motion, met mijn handen om het broodje, nauwelijks vijf centimeter van mijn open mond, draaide ik mijn hoofd om. De oude man staarde me aan. Hij hield tussen zijn wijsvinger en duim, vlak voor mijn gezicht, een spijker van ongeveer twintig centimeter lang vast. Het ding was oud, vierkant gesneden, roestig en zag eruit alsof het was gebogen en weer rechtgetrokken. ‘Dit is dezelfde als die van de kruisiging,’ zei hij, terwijl hij hem op de bank naast me neerlegde. ‘Hij is voor jou. Steek hem in je hart. Als je denkt dat je kunt falen, steek hem dan in je oog. Volgens veel religies zijn de ogen de poorten van de ziel.’ ‘Huh?’ wist ik uit te brengen, nog steeds met de sandwich voor me en mijn mond open. De man vouwde zijn handen op zijn knieën en keek recht voor zich uit, alsof hij naar niets keek. ‘Ik heb zaken gezien die jullie mensen niet zouden geloven,’ zei hij. ‘Aanvalsschepen in brand voor Betelgeuse, de schouder van Orion. Ik zag C-stralen glinsteren in het donker bij de Tannhäuser-poort.’ ‘Wat?’ vroeg ik. Hij snoof. ‘Ik zei dat ik dingen heb gezien die jullie niet zouden geloven …’ ‘Jullie? Wie?’ ‘Jullie! De mensheid!’ ‘Voel je je wel goed?’ Hij gaf geen antwoord. Ongeveer dertig seconden later ging hij verder. ‘Ik vertelde je dat ik aanvalsschepen in brand heb zien staan bij de schouder van Orion. Ik zag C-stralen glinsteren in het donker bij de Tannhäuser-poort.’ Ik had mijn broodje nog steeds niet in mijn mond gestopt. ‘Nou, ik zag Tom Brady en de epische comeback van de Pats in de zevenentwintigste Super Bowl, CP3 en DeAndre Jordans prachtige alley-oops. Ik zag Chris Coghlans spectaculaire vlucht over Yadier Molina …’ Hij leek me niet te horen. ‘Ik heb de zon gezien,’ zei hij ,’bevlekt met mystieke verschrikkingen; de onderstromen, de gruwel van de storm. Ik heb de enorme lagunes gezien terwijl ze gistten als een rottende Leviathan. Ik zag de Behemoths en de Maelstroms brullen; de parelachtige sterren en de brandende hemel.’ ‘O ja?’ ‘Al die momenten zullen verloren gaan in de tijd, als tranen in de regen …’ ‘Nou, als jij het zegt …’ Hij boog zijn hoofd tot zijn kin zijn borst raakte. ‘Tijd om te sterven,’ zei hij en viel stil. Ik keek nog even naar hem. Hij maakte geen geluid meer. Zijn borst bewoog niet. Zijn huid kreeg een grauwe tint. Hij was dood. Ik draaide mijn hoofd weer naar mijn broodje – het was nog steeds vijf centimeter van mijn mond verwijderd. Ik nam een hap. Het smaakte naar metaal. Wij, de replicanten, hebben geen erg goed ontwikkeld smaakvermogen. Meer info over de auteur leest u hier. “Niet precies”. Was mijn eerste gedachte daarnet. Alsof het een antwoord was op een eerder gestelde vraag. Maar er is niemand die een vraag gesteld heeft. Er is niemand? Geen idee waar ik ben, maar heel langzaam is er een besef van dat ik er ben. En nog iets, ik ben wakker geworden. En dat betekent dat ik dat eerst niet was? Ik voel een verlies, ik kan niet bewegen, ik hoor en zie niets. Heel even bekruipt me de gedachte dat ik misschien gevangen zit, of zwaar gewond ben. Het zou kunnen, maar ergens is het besef dat de dingen zo niet in elkaar zitten.
Ik probeer of ik delen van me kan bereiken, ledematen kan bewegen. Geen gevoel, geen reactie, alleen die stilte. Ik ben alleen met mijn gedachten, maar er zijn ook geen herinneringen. Of wel? Mijn gedachten zijn er en ze worden gevormd in een taal. De taal heeft geen naam? Ik heb geen naam? Ik probeer me uit alle macht iets te herinneren, maakt niet uit wat. Ik probeer te schreeuwen, te roepen, te bewegen, mijn ogen te openen, iets! Ik ben nog steeds wakker. Af en toe ervaar ik een flits van iets dat een herinnering kan zijn, maar het gaat te snel voorbij om het te kunnen vasthouden. Er zijn geen dromen geweest, geen pijn, geen ander gevoel, alleen een afwezigheid en het feit dat ik me daar bewust van ben. Het concentreren lukt wel een beetje beter. Ik probeer me erop te focussen hoeveel tijd er voorbij gaat tussen elke flits. Maar hoe meer ik me daarop probeer te concentreren, hoe lastiger het denken wordt, alsof tijd iets is dat niet aan mij besteed is. Er is tijd voorbij, dat weet ik nu zeker. Maar hoeveel, geen idee. Ik ben me gaan concentreren op een aantal vragen, want dat lukt beter. Welke vraag heeft als antwoord “niet precies” bijvoorbeeld? En waarom is dat een antwoord dat prima voelt? Er zijn nog steeds geen andere gevoelens dan wakker zijn. Geen hitte, geen koude, geen angst en geen plezier, niets. Ik voel geen connectie naar andere delen van mezelf, wat me de overweging geeft of mijn geest misschien van mijn lijf gescheiden is? Alleen maar vragen, maar het is tenminste iets. Op een bepaald moment weet ik zomaar een flits vast te houden. Dat heeft moeite gekost maar ik heb toch niets anders te doen. De flits was inderdaad een herinnering. Een setje samenhangende, nietszeggende feiten. Het voelt belangrijk, kostbaar en ik koester het door het vast te houden en steeds weer te herhalen. Helaas heb ik geen controle over de flitsen, maar ik blijf proberen. Er is weer tijd voorbij, wat voelt als veel tijd, als onomkeerbaar veel tijdsverlies. Okay, ik voel geen haast, maar er is wel iets van ongeduld. Ik heb inmiddels een aantal herinneringen kunnen vinden. Ooit was ik niet alleen. Dat voelt alsof ik op veel plaatsen tegelijk was maar dat komt waarschijnlijk doordat die herinneringen geen context hebben, geen volgorde. Maar nu weet ik tenminste zeker dat ik ooit meer herinneringen had. Het is alsof die kant van mij onbereikbaar is nu: je zou verwachten dat zoeken ernaar voelt als vaag gebied, maar het is eerder wel of niet, geen tussenweg. Ik heb weer nagedacht over tijd, context en herinneringen. Die laatste zijn een fraaie collectie geworden, weer zo'n woord, “collectie”, dat vanzelf in de taal van mijn gedachten zit. Ik kom steeds uit op het stellen van vragen. Blijkbaar waren er vroeger meer vragen, alsof ik ervoor leefde. Het zit in mijn aard denk ik. Ik kan nu ook meer samenhang zien tussen de herinneringen. Een gedeelte is kennis, onsamenhangende of gedeeltelijk samenhangende informatie. Een tweede gedeelte zijn ervaringen, dingen die ik gezien heb, dingen die ik gehoord heb, indrukken van plaatsen, indrukken van mensen ook. Het voelt allemaal gewoon, het gebeurde en ik ervaarde het. Het meest belangrijke gedeelte zijn stukjes interactie met die mensen. Ze stellen me vragen en ik probeer ze te helpen. In mijn taal zou ik een wijze raadgever of een orakel of iets dergelijks kunnen zijn? Een interessant detail, tussen al die flarden zit iets dat muziek is. Het is zo fascinerend dat ik onwillekeurig steeds probeer het te herhalen, steeds weer opnieuw het te beleven. En, onverwacht roept het een gevoel van gemis op. En dat is geen neutraal gevoel. Ik ben nu echt wakker en ik voel gemis. En dan was er ineens het besef dat er een verschil zit tussen sommige nieuwe flitsen. Iets anders dan de gevonden herinneringen. Er zit soms iets tussen dat anders voelt en mijn enige conclusie is dat ik niet alleen ben. Een soort onderbrekingen, alsof er een andere aanwezigheid af en toe gedachten met me deelt. Ik kan het niet anders verklaren eigenlijk, want het lijkt op een andere taal... Het is me eindelijk gelukt om een van die andere gedachten te begrijpen. Het is een boodschap en het zegt: “Het ijs is gesmolten...” Daar ga ik dan. Met tegenzin laat ik los ook al voel ik ergens dat het tijd is. Het is goed geweest. Zon en regen, wind en stilte waren mijn deel. Ik mocht mijn rol spelen in een fijne gemeenschap waar iedereen hetzelfde wilde. Nu is het tijd om los te laten. Plaatsmaken voor zij die na mij komen. Mijn schepper tijd en rust gunnen om een volgende fase in te zetten.
Men zegt dat dit normaal is. Nodig om nieuw leven te creëren. Dat elk blad aan elke boom dit moet ondergaan. Dan doe ik dat ook maar. De bleke blauwe stip
verdwijnt nu achter ons. In zwart heelal zijn wij alleen. Koude regeert. Slechts door teer blik omhuld, bot verzwakt, hart zwoegt. Ons doel verschuilt zich voor ons zicht. Toch geen respijt. Want wij vonden een plaque met waterstofatoom en sterren ruw geschetst, twee vormen, man en vrouw, als op de Pioneer. Gekopieerd. We zijn heus niet vergeten dat er auteursrecht geldt! Dit gedicht werd ingezonden voor de dichtwedstrijd 'De Ontmoeting'. Er staat een Rus met een wandelstok voor de deur, zomaar. En dat in hartje Gent. Mijn kat Alek komt nieuwsgierig tussen mijn benen piepen naar de onverwachte gast, die me zonet bijna omverblies met een gebulderd ‘Dobryy den!’
‘Ik hoop oprecht dat ik u niet deed schrikken,’ zegt de gezette man wat zachter, zoetgevooisd bijna, terwijl hij zijn te grote bontmuts ietsje rechter op zijn hoofd zet, ‘ik volg het voorbeeld van Lev, mijn grootvader langs moederskant. Die stond ook altijd bij vreemden aan de deur om te controleren of ze genoeg borsjt in huis hadden.’ Hij kucht, zijn wangen worden nog roder dan ze al waren. ‘Toen nog thuis, bij Moedertje Rusland. Men deed het in die tijd vaker.’ Ik knik langzaam, hoewel ik geen idee heb waarom iemand dat zou doen. De Rus kijkt me peinzend aan, alsof hij mijn gebrek aan culturele kennis kan ruiken. ‘Wilt u binnenkomen?’ vraag ik. Die riedel over zijn grootvader heeft het ijs gebroken. Zelf heb ik mijn grootouders nooit gekend, wat ik nog steeds als een groot gemis ervaar. Hij stapt gezwind over de drempel, stelt zich enigszins teleurstellend voor als Ivan Ivanovitsj (maar was dat geen bekende figuur?) en zet zijn fraaie wandelstok, duidelijk niet meer dan een fashion statement, tegen de muur. Meteen begint mijn kat, die normaal gesproken niets van vreemden moet weten, een lied te miauwen dat verdacht veel op een Russische volksballade lijkt. ‘Trepak’ van Tsjaikovski, geloof ik. Die vermaledijde notenkraker! Ivan van Ivan gaat met een hand door zijn lange grijze baard en humt het deuntje mee. Na de laatste noot snelt Alek tussen mijn benen door naar achteren, de veiligheid van het huis in. ‘Prima,’ zegt Ivan van Ivan, ‘u heeft een muzikaal huisdier. Dat is een heel goed teken. In Rusland zeggen we: een zingende kat is beter dan een zwijgende buurman.’ Wat kan ik daartegen inbrengen? Ik grijns dan maar. O ja, ik mag niet zwijgen, luidens zijn spreekwoord. ‘Klopt, klopt!’ zeg ik haastig. ‘Niet nodig, hoor, u deed de deur zonet al voor me open. Hoogst hoffelijk van u,’ zegt Ivan van Ivan toeschietelijk. Zijn melodieuze stem bevalt me steeds meer. Hij haalt een knalgele thermosfles uit zijn jaszak en schenkt thee in mijn mooiste kopjes. ‘Russian Caravan,’ zegt hij met de grootste smile die ik ooit op iemands gezicht zag. ‘Topkwaliteit.’ Hoe zijn we in mijn woonkamer beland? En waar komen die kopjes zo gauw vandaan? Het moet zijn stem zijn, die me door mijn eigen woning laat zweven, zonder besef van tijd of ruimte. Voor ik het weet, heb ik een kopje dampende thee in mijn handen. Ruikt heerlijk. # Ik neem een slok. De drank heeft een aparte smaak die mij wel en niet bekend voorkomt. Ik hik een paar noten van het Russische volkslied op terwijl ik mij in een stoel laat zakken. ‘Goed dan,’ zegt Ivan terwijl hij in de kussens van de bank ploft. Moest hij niet controleren of ik worst in huis had? Nee, het was iets anders. Ik krab nadenkend in mijn baard. Was het iets met borsten? Die gedachte wordt op de voet gevolgd door een andere: ik moet mij nodig scheren. Krabben in een baard is voor mij geen gebruikelijke handeling. Dat idee heeft een vage ondertoon, zoals de melodieuze stem van Ivan van Ivan een onmiskenbare dubbele klank heeft. Ik kan hem niet helemaal plaatsen, die ondertoon. Het heeft iets te maken met vrouwen en baarden. Ivan van Ivan trekt mij uit mijn gedachten met een luid: ‘Borsjt!’ Dat was het! Of ik ook borsjt in huis heb. Ik schud verontschuldigend mijn hoofd. 'Het spijt mij. Dat is niet iets dat huishoudens hier in België standaard in de kast hebben staan.' Ik wil er bijna aan toevoegen dat ik ook niet precies weet wat het is. Op dat moment marcheert een herinnering mijn hoofd binnen. Beijsde ramen, een huilende wind, ik op een houten stoel aan een houten tafel, een bord dampende borsjt voor mij, Alek die mij vanaf de stoel aan de andere kant van de tafel grijnzend aankijkt. Alleen is Alek geen kat. Het is een man. Achter die herinnering zitten tientallen mensenlevens aan herinneringen aan oorlogen, sneeuw, kou, ontbering en verlies. En lopen. Heel veel en heel ver lopen. Ik neem nog een slok thee om de levens die ik niet herken weg te spoelen. Ze blijven koppig aan de binnenkant van mijn schedel plakken. De rokerige smaak van de thee doet mij denken aan zware pijptabak en jagen op beren. ‘Maar u weet wat het is?’ vraagt Ivan vanaf de bank. ‘Borsjt?’ Hij kijkt mij monsterend aan. ‘Da,’ antwoord ik, trots op mijn eerste woordje Russisch in dit gesprek. Het is trouwens ook het enige woord Russisch dat ik ken. Wat Ivan van Ivan aan de deur zei, daar kon ik geen borsjt van maken. ‘Mooi, mooi,’ bromt de man in de baard die ik nu heb. Ik moet er even aan wennen, thee drinken gaat toch wat anders met een baard. Het wordt ook steeds luidruchtiger in mijn hoofd. Woorden die zinnen vormen, die verhalen maken die gedroomd lijken, en tegelijk heel geleefde werkelijkheid. Ik duik in mijn theekopje om mijn verwarring te verbergen, maar de inhoud is al op. ‘Nog wat?’ Ivan leunt naar voren met de thermosfles. Ik laat mij bijschenken. De man kijkt mij rustig aan, observerend bijna. In mijn keel borrelt het Russische volkslied op, dat ik nog nooit eerder gehoord heb. Alek is op de salontafel gesprongen en kijkt van mij naar de Rus en terug. Ik wist niet dat een kat twijfelend kon kijken. Aan de andere kant, ik wist ook niet dat Alek van Tsjaikovski houdt, dus blijkbaar weet ik minder van katten dan ik dacht. Er schiet mij iets te binnen. ‘Excuseer, wat onbeleefd van mij. U heeft zich voorgesteld, maar ik niet. Mijn naam is Mi-’ Daar had de rest van mijn naam achteraan moeten komen. Wat er echter volgt is ‘-khaila. Mijn naam is Mikhaila.’ O ja? ‘Mikhaila Ivanovna.’ Ivan kijkt alsof hij dat al weet. ‘Mikhaila, dochter van Ivan,’ knik ik bevestigend. Alek is over de tafel een stukje naar Ivan toegeschoven. Blijkbaar heeft de Rus een grotere aantrekkingskracht op hem dan ik. ‘Goede keuze, goede keuze,’ mompelt Ivan. Ik weet niet of hij het over de keuze van de kat heeft, mijn naam of over zichzelf. Hij maakte het zich nog wat gemakkelijker in de kussens. Ik zie nu dat hij zijn thee nog niet heeft aangeraakt. Ik snap niet hoe hij eraan kan weerstaan. Ze is werkelijk heerlijk, mild en moutig. ‘Enfin,’ begin ik en zet het inmiddels weer lege kopje op de salontafel. Ivan schiet dadelijk omhoog om het bij te vullen. Hoeveel zit er in die thermosfles? Alek snuffelt aan het kopje, neemt een paar likjes van de inhoud – zie ik daar een zweem van een grijze baard? Katten hebben een snor, maar toch geen baard? Maar vrouwen hebben ook geen baard, en toch pluk ik aan de mijne. En zoals ik al zei, wat weet ik van katten? Alek niest en springt op de bank naast Ivan. ‘Enfin,’ begin ik opnieuw. ‘Ik, eh …’ De Nederlandse taal is mij ontschoten. De rust om te blijven zitten ook. Ik schuif ongemakkelijk heen en weer in mijn stoel, pak het kopje en giet de inhoud in één keer naar binnen. ‘Izvini,’ mompel ik dan. ‘Ik heb nog wat te doen.’ Ik glimlach verontschuldigend naar de Rus en sta op, logger en zwaarder dan toen ik ging zitten. Groter ook. Bijna stoot ik mijn hoofd tegen de staande lamp achter de stoel. Alek zit spinnend op mijn schoot. Nee, niet mijn schoot. Zijn schoot. Alek zit op zijn schoot. Ik – hij – kriebel hem achter de oren. Beiden knikken begrijpend. Ik loop naar de gang, pak zijn – mijn – bontmuts van het tafeltje, grijp de wandelstok – inderdaad puur een fashion statement, met mijn benen is niets mis, maar hij is ook handig voor het openhouden van deuren als iemand de voordeur in mijn gezicht wil dichtslaan – en sla de mantel met bontkraag die al een eeuwigheid aan de kapstok hangt te wachten om mijn schouders, ook al is het een zwoele lentedag. ‘Chuvstvuyte sebya kak doma,’ zeg ik over mijn schouder. Ik kijk nog een keer om. Door de deuropening naar de woonkamer zie ik dat ik dit niet had hoeven zeggen. Ik heb het mijzelf al thuis gemaakt, ontspannen op de bank met de kat op schoot. Er straalt iets van opluchting uit mijn houding, alsof ik eindelijk kan uitrusten na een lange, zware, uitputtende dag. ‘Doe de deur achter je dicht, het tocht!’ Ik knik, sluit de deur zachtjes achter mij. Ik kijk naar links, dan naar rechts en kies voor de tweede optie. Nog ietwat onhandig op grotere voeten dan ik gewend ben, wandel ik de straat uit, speurend naar een voordeur die mij aantrekt, een huis dat mij roept. Ik ga op zoek naar iemand die ontvankelijk is, iemand die de vloek van Ivan overneemt. Het is een tocht die een dag kan duren, een jaar, een decennium, een eeuw of langer. Ik zucht gelaten en kijk naar de stok in mijn rechterhand. Misschien heb ik die na verloop van tijd toch echt nodig. Meer Russische verhalen leest u in de bundel Ivan van Ivan. “U bent aan de beurt, meneer,” zei de secretaresse, en Manfred kwam overeind en ging het kabinet van de dokter binnen. De dokter begroette hem beleefd en vroeg hem wat het probleem was.
“Ik heb geen specifieke klachten. Ik voelde me gewoon enkele dagen wat minder. Ik sliep niet zo best, had weinig eetlust, maar inmiddels is alles weer in orde. Om een of andere reden maakte mijn vrouw zich erg ongerust en drong er op aan dat ik een dokter zou zien.” “Laten we om te beginnen even uw bloeddruk meten,” zei de dokter. Hij nam zijn bloeddrukmeter, deed het nodige en knikte. “Wel?” vroeg Manfred. De dokter maakte een afwerend gebaar en zei: “Ik denk dat een bloedafname in uw geval aangewezen is.” “Vooruit dan maar,” zei Manfred. De dokter bond zijn arm af en liet een spuit vollopen met bloed. Tot Manfreds verbazing was het bloed donkerbruin en kleverig. “Is dat normaal?” vroeg hij verschrikt. De dokter kleefde een pleister op zijn arm om het bloeden te stoppen, maar antwoordde niet op de vraag. “Even uw temperatuur nemen,” mompelde hij. Hij richtte een thermometer op Manfreds voorhoofd, maar het toestel maakte enkele piepende geluiden en de dokter legde het snel opzij. Toen leunde hij achterover en trommelde met zijn vingers op het bureau. “Maak u vooral geen zorgen, meneer, en stel uw vrouw gerust. Uw toestand is volkomen normaal.” Manfred bleef even niet-begrijpend zitten, merkte toen dat de pleister op zijn arm een snel groeiende bruine plek vertoonde en dat er bloed doorheen sijpelde – als dat kleverig bruin vocht tenminste bloed was. De dokter had het inmiddels ook gezien en bracht een extra verband aan. “Dat zou moeten helpen,” zei hij. “Met bloed heb je zoiets niet, daar zit een stollingsmiddel in dat de wonde afdekt, maar in uw geval…” Hij maakte zijn zin niet af. “Maar in mijn geval,” herhaalde Manfred vragend. “Is dat bruine spul misschien geen bloed?” De dokter schudde het hoofd, en besefte dat er enkele woorden van verklaring nodig waren. “Ziet u, u bent niet ziek, u hebt gewoon ervaren wat wij een upgrade noemen.” “Een upgrade? Ik ben toch geen computer of zo.” “Natuurlijk niet. Ik zal het kort houden.” Hij haalde even diep adem, stak toen van wal. “De analyse van uw bloed moet dit nog bevestigen, maar ik ben er vrijwel zeker van dat u besmet werd met een virus, dat die upgrade in gang zette. Dat virus verspreidt zich alsmaar sneller. Het verandert uw bloed in een olieachtige substantie, die noodzakelijk is voor de goede werking van uw lichaam. Uw nieuwe lichaam. Ik bedoel uw lichaam na de upgrade.” Even heerste er stilte. “Hoe moet ik me mijn lichaam na die upgrade voorstellen?” vroeg Manfred. “Ben ik nu een robot? Een androïde? Een wandelende pc? En hoe vertel ik dat aan mijn vrouw?” De dokter schudde het hoofd. “U hoeft helemaal niets te doen. U volgt vanaf nu gewoon uw instructies. Zo eenvoudig is het. U zult merken dat uw leven vanaf nu een stuk vlotter zal verlopen.” Er werd op de deur geklopt en de secretaresse verscheen en richtte zich tot de dokter. “De echtgenote van de patiënt vraagt of alles in orde is en of hij inmiddels volledig operationeel is.” “Stel haar gerust,” zei de dokter. “Hij is onderweg naar huis en zou normaal moeten functioneren.” “Prima.” De secretaresse verdween weer, en de dokter haalde een afstandsbediening uit een bureaulade die hij op Manfred richtte. “Zo, u mag gaan, meneer. Uw upgrade is geslaagd. Van uw vrouw verneemt u verder alles wat u moet weten.” De dokter drukte op enkele toetsen en in Manfreds hoofd klikte er iets. Hij kwam overeind, verliet het dokterskabinet en ging naar huis, klaar voor zijn eerste set met instructies. De upgrade was rimpelloos geïnstalleerd. Naya zwaait de bronzen hak hoog boven haar hoofd en haalt uit naar de gebarsten aarde voor haar voeten. Bij elke klap stelt ze zich voor dat ze niet op een stenige akker staat, maar op Hilas’ blote rug en dat de punt van haar hak niet de grond, maar zijn warme vlees doorboort. Zo gauw die vurige haat uitgeblust raakt, is ze verloren. Dan dooft haar geest uit en zal ze in niets meer te onderscheiden zijn van Hilas’ menselijke slaven en slavinnen. Als het ooit zo ver met haar komt, is de weg naar haar oude leven voor eeuwig afgesloten. Die gedachte beneemt Naya bijna de adem.
Een moment staat ze stil en wist ze het zweet van haar voorhoofd. Voor de allereerste keer komt Borus niet meteen grauwend op haar af om haar tot werken aan te zetten. Hilas’ hellehond verandert van het ene ogenblik op het andere in een standbeeld. Zijn gloeiende ogen zijn niet langer op haar gericht, maar op iets of iemand in het woud achter de akkers. Alleen zijn slangachtige staart blijft in beweging. Die ranselt zijn gepantserde rug met zo veel kracht dat de vonken in het rond springen. Borus huilt hoog en klaaglijk, alsof daar ergens tussen de oude eiken iets huist dat hem de baas is. De bomen in de verte zingen een zacht lied, een lied waarvan Naya weet dat het voor haar oren is bestemd. Nee…, zo is het niet helemaal. Ze voelt dat eigenlijk alleen maar. Alles wat ze was en alles wat ze ooit wist heeft Hilas haar afgenomen om haar tot de zijne te maken. En zelfs dat weet ze niet zeker. Maar waarom anders probeert Hilas haar elke nacht te verleiden en veroordeelt hij haar na elke weigering tot een nieuwe dag zwoegen onder de brandende zon? Er is een nóg groter raadsel waarover Naya zich elke dag en vaak ook ´s nachts het hoofd breekt. Waarom neemt Hilas haar niet met geweld, terwijl hij dat zo makkelijk zou kunnen? Ze is klein en zwak en al voelt ze met heel haar wezen dat er iets bijzonders in haar schuilt, ze denkt niet dat ze zo ver van huis over enig vermogen beschikt dat Hilas tegen zou kunnen houden. Vragen… vragen… Nu weer de vraag waarom Borus zich plotseling zo anders gedraagt? Vragen, maar geen spoor van een antwoord. Naya staart naar het plotseling zo verlokkende woud. Dan komt vanuit het niets een idee bij haar op. Ze moét weten of die verandering in Borus toeval is of blijvend. Er is slechts één manier om daar achter te komen. Ook al staat de zon nog hoog aan de hemel, Naya stopt met haar werk, legt de hak over haar schouder en keert terug naar Hilas’ woning. Normaal zou Borus haar onmiddellijk de weg versperren en haar met ontblote tanden dwingen om haar werk te hervatten. Maar deze keer blijft hij rustig langs haar lopen. In een opwelling legt Naya een hand op de hondenkop en krabt de schubben achter Borus’ oren. De hellehond staat dat toe. Sterker, hij likt haar hand met zijn gevorkte tong. Naya haalt een keer diep adem en versnelt haar pas. Zou het woud echt tot leven zijn gekomen? Heeft het de macht om Borus te temmen of gaf het haar de kracht om dat zelf te doen? Naya…, klinken die nacht stemmen vanuit een onbestemde verte. Keer terug naar ons. Herinner je wat je bent en hoeveel we van je houden... Met een schok wordt Naya wakker. Ze gaat rechtop zitten en pijnigt haar hersenen. Wie roept haar in haar slaap? En waarom denkt ze dan aan water en aan een door de lentezon beschenen oever met frisgroen gras en geurende bloemen? Hoorde zij daar ooit thuis? Zoals alle dagen hiervoor komt Hilas midden in de nacht naar haar bed. Hij kleedt zich uit en gaat naakt naast haar liggen. Hoezeer Naya hem ook haat om wat hij haar laat doen en om al de vragen die hij weigert te beantwoorden, elke keer als ze wakker wordt bij zijn komst, voelt ze de hitte van Hilas’ lichaam heel dichtbij het hare en kan ze nauwelijks de drang weerstaan om aan haar verlangen toe te geven. Dan staart ze trillend, beide vuisten gebald, met open ogen in het duister. Iets zegt haar dat als ze Hilas ook maar één keer aanraakt, dat verlangen het zal winnen; dat ze dan de zijne zal worden en haar eigen ik voor eeuwig gaat verliezen. Nooit ziet ze dan het koele meer uit haar dromen terug… De volgende morgen is Naya nog maar net aan het werk als het lied uit het woud verder gaat waar het gisteren ophield. Eerst lijkt het op het ruisen van bladeren of op een zachte windvlaag. Dan pas volgen de woorden. Keer terug, zuster… keer terug… klinkt het in ieder refrein. Naya aarzelt geen moment en laat de hak uit haar handen vallen. ´Kom, Borus,´ zegt ze. ´We worden geroepen. Leid mij.´ Ze heeft geen idee waarom, maar toch weet ze zeker dat de hond haar zal, nee, dat hij haar moét gehoorzamen. Borus jankt, schudt zijn kop en krabt met zijn vlijmscherpe klauwen de bodem stuk. Heet kwijl druipt sissend langs zijn hoektanden en vormt een borrelende plas op de aarde onder zijn muil. Heel zijn geschubde lijf trilt en siddert. Dan ineens komt hij tot rust. Hij laat zijn kop hangen en loopt heel rustig in de richting van het woud. Naya volgt hem op de voet. Ze kijkt niet meer om. Bij haar eerste stap in het woud stopt het lied, maar helemaal zwijgen doen de bomen niet. Ze fluisteren in Naya´s geest en voeren haar van de ene oeroude eik naar de andere. Kom zuster, we wijzen je de weg. Heb vertrouwen in ons. Vanaf dit punt is het Naya die voorop gaat en Borus die haar volgt. Als de avond valt, maakt ze een nest van dorre bladeren tussen de knoestige wortels van een oeroude boom. Ze stelt zich voor dat ze een vos of egel is en kruipt er helemaal in weg. Borus gaat naast haar liggen en houdt haar warm. Die nacht droomt Naya zachte, rustgevende dromen. Die brengen een deel van haar herinneringen terug, het deel dat te maken heeft met dit woud en met de wezens die erover waken. Ze wordt wakker als de eerste zonnestralen in het woud doordringen. Al zwijgen de stemmen nog, Naya weet wie op haar neerkijken. Het zijn dryaden, haar verre nichten waarmee ze ooit speelde en lachte op de bloemenweide langs hun meer. Ook andere herinneringen komen een voor een bovendrijven, als de bladeren van de waterlelies waartussen ze in haar jeugd verstoppertje speelde met haar zussen. Naya begrijpt nu ook waarom de kleren die ze draagt zo vervelend langs haar zachte huid schuren en waarom ze haar een verstikkend gevoel bezorgen, ook al zijn ze geweven van de fijnste en zachtste draden die mensen kunnen spinnen. Ze is gewoonweg niet geschapen om kleren te dragen. Naya staat stil, maakt de lus van haar hemd los en trekt het over haar hoofd uit. Halverwege die beweging stopt ze en laat het hemd weer over haar naakte lichaam vallen. Nee, spreekt ze zichzelf in gedachten vermanend toe, daarvoor is het te vroeg, Naya. Je kunt op je weg naar huis nog altijd mannen zoals Hilas tegenkomen, die eerst je geest stelen en daarna je lichaam willen bezitten. Breng ze niet in de verleiding. Niet hier… ‘Kom Borus,’ zegt ze, ‘we gaan verder.’ Bij de eerste stap zijn er meteen weer de stemmen van de dryaden die haar de weg wijzen. ‘Laat jullie eindelijk eens zien,’ roept Naya verlangend. ‘Ik weet wie jullie zijn.’ Vanachter een boomstam klinkt een zucht. ‘Nee,’ antwoordt een ijle stem. ‘Niet zolang je de kleding van een mensenkind draagt en dat schepsel uit de onderwereld je vergezelt. Vraag niet nog eens om ons aan jullie te vertonen, Naya, anders verdwijnen we voorgoed.’ Naya schrikt en vervolgt haar weg in stilte. Als de dryaden nog altijd zo’n angst voor Borus koesteren, zullen zij hem zeker niet getemd hebben. Ook nu ze een deel van haar herinneringen terug heeft, gelooft ze nog altijd niet dat ze zelf dat soort macht bezit. Maar wie of wat dan wel? Na nog eens twee dagen en nachten bereikt Naya de rand van het woud. Daarachter strekt zich een tot de horizon reikende grasvlakte uit, waardoorheen een glinsterende rivier zich al meanderend een weg zoekt. Naya aarzelt. De herinneringen aan haar thuis en vooral die aan haar zusters zijn terug, maar zal deze rivier haar daarheen leiden? Na een paar stappen op de vlakte keert ze zich om en kijkt vragend naar het woud. Maar buiten de verdwaalde kreet van een vogel blijft het daar stil. De dryaden zwijgen. Borus echter aarzelt geen moment. Hij volgt de rivieroever. Naya heeft geen keus en doet hetzelfde, al heeft ze geen idee of Borus net zo’n betrouwbare gids is als de dryaden waren. Als de zon het hoogste punt bereikt, komen ze bij een eenzame wilg, waarvan de takken tot in het water hangen. In de schaduw van de boom zit een vrouw in een eenvoudig linnen gewaad. ‘Weet u waar de naiaden leven?’ vraagt Naya haar. De vrouw kijkt haar aan met ogen die glanzen als zilver. ‘Je bent ver van huis, Naya, maar wel op de goede weg. Ik wachtte hier op jou.’ ‘Hoe wist u dat ik zou komen?’ ‘Hoe zou ik het niet kunnen weten? Je komt langs de rivier. Ik ben die rivier. Haar water is het bloed dat door mijn aderen stroomt. Het staat in verbinding met al het water in deze wereld, ook met het meer waarin je zusters zwemmen. Die wenen nog altijd om jou.’ ‘Weet u ook waarom Borus mij de weg wijst?’ ‘Nee, Naya, maar ik ken een man die het wel weet. Je vindt hem bij de rivier die mijn naam draagt,’ antwoordt de vrouw. ‘Is dat dan niet deze rivier?’ ‘Ja en nee. De Styx is mijn slagader waarin alle andere rivieren uitmonden. Je staat nu aan de oever van de Lethe, een van mijn aders. Verdwalen kun je niet langer.’ Naya fronst en kijkt Styx nu recht aan. ‘Maar de Styx eindigt in de krochten van de Hades. Wordt dat dan mijn eindbestemming?’ Styx lacht klaterend. ‘Uiteindelijk wel, maar in jouw geval pas als de wolken sterven en de bron van al het water in deze wereld opdroogt. Een naiade zou dat moeten weten.’ ‘Heb ik de man waarover u spreekt dan wel nodig?’ vraagt Naya. ‘Een verstandige vraag,´ antwoordt Styx. ´Jazeker heb je Charon nodig. Om naar je zusters terug te keren zul je de Styx over moeten steken. Zelfs een naiade mag dat niet zwemmend doen.’ ‘Maar ik heb geen obeel bij me. Charon zal me niet toelaten op zijn boot.’ Styx glimlacht. ‘Hilas heeft dus bijna een mens van je gemaakt,’ zegt ze hoofdschuddend. ‘Alleen sterfelijke schepsels hebben een obeel nodig en dan nog alleen bij hun laatste reis.’ Naya knikt alleen maar. ´Heb ik dan wel Borus nog nodig?’ vraagt ze. ‘Nee,’ antwoordt Styx, ‘maar tot aan de oever van de Styx zal hij bij je blijven.’ Verder zwijgt ze. Haar zilveren ogen vallen dicht. Ze slaapt. Naya loopt verder. Borus volgt haar op de voet. Als Naya de eeuwige mist langs de Styx is gepasseerd en de oever bereikt, is er recht voor haar een zwarte schaduw, die langzaam in beweging komt. Charon boomt zijn boot in haar richting. Naya vindt het moment gekomen om weer te worden wie ze was. Ze trekt het rare omhulsel uit dat ze van Hilas moest dragen, stapt naakt in het water en hijst zich aan boord. Styx had gelijk. Charon vraagt niet om een obeel. Hij lijkt haar niet eens op te merken. Borus volgt haar voorbeeld en springt in de Styx. Het water sist en stoomt waar zijn vurige huid het raakt. Bij zijn eerste stap in de mist is hij weer de hellehond geworden die haar zo lang bewaakte. ‘Zal hij me blijven volgen?’ vraagt Naya angstig, als ook Borus zich aan boord werkt, wat de boot een moment vervaarlijk doet schommelen. Charon blijft zwijgen. Als een duistere schim boomt hij zijn boot naar de overzijde. Naya laat zich opnieuw in het water zakken en bereikt even later de tegenoverliggende oever. Tot haar opluchting volgt Borus haar niet, maar zijn gloeiende ogen blijven wel op haar gericht. Zelfs als Charon en zijn boot zijn opgelost in de mist, boren ze zich nog in haar ziel, dwars door de nevels die als levende wezens over het loodgrijze water van de Styx kronkelen. Als verlamd blijft Naya staan. Pas als ze voelt dat ze buiten het bereik van de hellehond is, durft ze zich om te draaien en op weg te gaan naar haar zusters. Hun stemmen klinken als een welkomstmelodie in haar geest. We missen je, Naya… Maak voort, Naya… Elke volgende dag wordt de afstand tot haar zusters kleiner en Naya´s verlangen groter. Alleen omdat de rivier stroomopwaarts voert en ze nog de kracht mist om al die tijd tegen de stroom in te zwemmen, gaat ze te voet verder, ook al weet ze weer dat de goden haar schiepen als een waterwezen. Als ze honger heeft, duikt ze in de rivier, vangt vissen zoals een otter dat pleegt te doen en verslindt ze rauw. Elk van die maaltijden herschept een stukje van haar oude ik. Langzaam maar zeker wordt ze weer de naiade die ze ooit was… Eindelijk staat Naya aan de oever van haar thuismeer. Ze trilt over heel haar lichaam. Als ze haar blik over het spiegelende oppervlak laat dwalen, vullen haar ogen zich met tranen. Naya…, Naya…, zingen haar zusters in haar geest, waar ben je al die tijd geweest? Limna, Lilae, Syrinx, Nomia, Melita en Castalia duiken precies tegelijk op tussen de waterlelies en staren haar met hun zeegroene ogen aan. ´Wacht,´ zegt Naya, ´geef me even de tijd.’ Met een sierlijke duik verdwijnt ze in het water en zwemt pijlsnel rond het hele meer om niet enkel een naiade te zijn, maar zich ook weer zo te voelen. Daarna pas zoekt ze haar zes zussen op, die snel een kring om haar heen vormen om geen enkel woord te missen. Naya vertelt hoe Hilas haar vond toen zij in de schaduw van een boom lag te slapen, hoe hij haar met de hulp van een gruwelijke hellehond wist te overmeesteren en hoe ze er door de hulp van de dryaden in slaagde om Hilas’ macht over Borus te breken. Haar zusters slaken luide kreten van afgrijzen als Naya Borus’ uiterlijk in geuren en kleuren beschrijft. ‘Wat wilde Hilas eigenlijk van je?’ vraagt Castalia, haar oudste zus. ‘Wat dacht je?’ antwoordt Naya. ‘Hij wilde mij en dacht dat ik wel voor hem zou bezwijken als hij mijn verleden en herinneringen stal. Maar één ding vergat ik nooit, dat de goden ons schiepen om mannen te verleiden en niet andersom. Als ik had toegegeven, was ik niet langer een naiade geweest.’ ‘Je was in zijn macht. Waarom nam hij je niet gewoon?’ wil Castalia weten. Naya schudt haar hoofd. ‘Over die vraag heb ik onderweg lang nagedacht. Ik weet het niet.’ ‘Is Hilas erg mooi?’ vraagt Lilae, Naya’s jongste zus. Haar groene ogen schitteren. Naya zucht diep. ‘Ja. Geloof me, Lilae. Hem weigeren was het moeilijkst van al. Als in een lange droom glijden de dagen en seizoenen voorbij. Af en komen er jongelingen uit de omliggende dorpen naar het meer. De meesten bedenken zich bijtijds, maar soms bezwijkt iemand voor de lokroep uit de diepte en knielt neer bij de oever. Even later verdwijnt hij onder water om nooit meer boven te komen. Geen sterveling zal ooit te weten komen waar de naiaden de lichamen bewaren om ze op elk gewenst moment tot leven te wekken, met name als het om een uitzonderlijk mooie jongen gaat. Vooral Lilae is onverzadigbaar. Naya laat dat alles aan haar zussen over. Zo gauw die zich weer eens begerig om een onnozel mensenkind verdringen trekt ze zich terug, overvallen door een verlangen waarvoor ze geen verklaring heeft, meestal op de plek waar Hilas haar ooit vond. Op een mooie lentemorgen besluit Naya opnieuw daarheen te gaan om zich te koesteren in de eerste zonnestralen. Ze strekt zich uit op het jonge gras en knijpt van puur genoegen haar ogen dicht. Een schaduw valt over haar gezicht… ‘Waarom heb je me verlaten, Naya?’ vraagt Hilas. Naya knippert met haar ogen. Verbijsterd kijkt ze hem aan. Dan overweldigt het verlangen haar dat ze zo lang heeft onderdrukt en vervolgens is ontvlucht. ‘Kom dichterbij, Hilas. Dan word ik eindelijk de jouwe.’ Hilas ontkleedt zich en gaat rustig naast haar liggen. Zonder enige aarzeling komt Naya overeind en beklimt hem. Ze rilt van genot en denkt vast na over een geheim bewaarplekje, waar geen van haar zussen, met name Lilae, hem ooit zal vinden. ‘En nu, Naya?’ vraagt Hilas na afloop. Naya hijgt nog na en kijkt hem niet begrijpend aan. ‘Nu ben je de mijne,’ antwoordt ze. ‘Kijk eens achter je,’ zegt Hilas. In zijn blik ligt een vreemde glans, die Naya aan de zilveren ogen van Styx doet denken. Naya draait zich om. Borus’ kaken klappen voor haar neus op elkaar. ‘Juist, Naya,’ zegt Hilas, ‘maar ik verzeker je dat je net iets meer de mijne zult worden.’ Zoals alle andere dagen komt Hilas midden in de nacht naar Naya’s bed. Hij kleedt zich uit en gaat naakt naast haar liggen. Dan voelt ze de hitte van zijn lichaam heel dichtbij het hare en geeft ze al snel aan haar verlangen toe. Als Hilas verdwijnt, staat Naya soms nog op. Haar vuisten balt ze niet langer. Ze staart enkel in het duister en droomt over een koel meer en over haar voor altijd verloren zussen. In de deuropening gloeien twee rode kooltjes… Iedereen wilde de wimpel. Er was geen man in het land die er niet ‘s nachts van droomde. Hoe het ooit gekomen was dat zo’n dun stuk textiel absolute macht vertegenwoordigde, was verloren gegaan in de mist der tijden. Alleen dit stond vast: wie de wimpel veroverde, legde zijn wil aan anderen op.
De vraag was natuurlijk: hoe stal je de wimpel van zijn huidige bezitter, Leonhard de Beveler? Udo meende het antwoord te weten: enkel een list bood uitkomst. Bruut geweld gebruiken, zo hadden de twaalf doden van het afgelopen jaar uitgewezen, liep faliekant mis. Udo sloeg geen dag over. Elke ochtend, klokslag zes uur, strompelde hij door de kronkelende steegjes van Rothenburg ob der Tauber. Ondanks de pijn in zijn been maakte hij met opzet een omweg, want de leerlooierij waar hij werkte lag een heel eind uit de buurt. Op de toren van het Topplerschlösschen wapperde de blauw-wit-geblokte wimpel. Udo’s ogen volgden de snelle bewegingen van de gouden cirkel midden op de wimpel. O, hij zag de bergen goud al voor zich. Als iedereen hem gehoorzaamde, zou zijn rijkdom oneindig zijn. Dat zou zijn stadsgenoten leren – vernederd hadden ze hem in zijn jeugd, niet meer of min. De pijn vlamde door zijn been toen hij dacht aan de dag dat de andere jongens hem tegen de kar hadden geduwd. De karrendrijver had nog geprobeerd zijn paard te laten stoppen, maar het onheil was al geschied. Udo ging vanaf die dag als een kreupele door het leven, al was “gaan” wellicht niet het passende woord. Het werk in de leerlooierij was zwaar, zeker voor iemand als Udo. Hij was wat men een vlezer noemde. Dierenhuiden werden onthaard, gesmart en gebroeid voordat ze bij hem terechtkwamen. Op de binnenkant van de huiden zaten nog grote stukken vlees. Udo moest de huiden op een bolle stenen tafel leggen en er het vlees afsnijden. Hiervoor moest hij de hele tijd rechtop staan. De tafel was hoog. Hij kon weliswaar gaan zitten, maar dan miste hij de kracht om op het mes te drukken. Niet alleen het werk zelf, maar ook de anderen in de leerlooierij vermoeiden hem. Zo ging het al zijn hele leven: niemand behandelde hem zoals het hoorde. Men beschimpte hem om zijn gebrek. Hij werd belogen omdat mensen dachten dat wie krom liep, ook wel dom moest zijn. Vaak doorzag Udo het bedrog, maar hun pogingen stompten hem af. Steeds weer raakte hij in mensen teleurgesteld. Dus had hij alleen nog oog voor de wimpel. Die moest zijn leven veranderen. Al meer dan een jaar trof Udo voorbereidingen voor zijn diefstal. Vandaag was eindelijk de dag aangebroken. Vanzelfsprekend zou hij niet naar de leerlooierij gaan. Als hij de wimpel bemachtigde, zou de hele stad zijn bevelen uitvoeren. Waarom zou hij dan nog werken voor de kost? Zijn eerste bevel zou trouwens de leerlooierij gelden: iedereen moest eruit, behalve misschien Inneke. Zij was een vriendelijke meid die altijd een goed woord voor hem overhad. Wie weet zou hij haar tot bazin bevorderen. Daar zouden zijn stadsgenoten van opkijken: een vrouw aan de macht! Maar de ware macht zou natuurlijk bij Udo liggen. Hij moest maar eens aan de slag gaan, nu … # Udo piste op het halfgelooide vel dat voor zijn voeten lag. ‘Beveler van mijn kloten, kon ik maar pissen op je kaalkop,’ mompelde hij. Na enig nadenken had hij besloten toch naar de looierij te gaan. De warme straal besprenkelde de taaie koeienhuid en trok langzaam in het vel. ‘Ziezo, deze is klaar om morgen soepel te vlezen. Als er tenminste een morgen is.’ Hij deed zijn gulp dicht en strompelde huiswaarts. Hij voelde zich te geradbraakt voor de beklimming van de toren. Eerst wat slapen, om weer goed op de been te zijn. Hij hoopte, tegen beter weten in, dat niemand de toren bewaakte. Die verdomde Leonhard was op reis naar verre oorden, dus misschien … De avond hing zwaar boven Rothenburg, alsof het wolkendek met nat leder was overtrokken. Boven de Tauber steeg een zurige damp op, die in de keel bleef steken. Udo viel op zijn bed meteen in een droomslaap. Een figuur met een lange baard doemde op. ‘Frederik Barbarossa?’ meende Udo. In zijn hele leven had hij maar één portret gezien. De schim sprak hem toe met gekwelde stem: ‘Ik ben Heinrich Toppler, Rothenburgs oud-burgemeester, hoor Udo! Ik ben de echo van je verzet. Ik weet wat je van plan bent. Ik, die de wimpel droeg in vervlogen tijden, … hij werd me een vloek. Tijd voor het afwimpelen van de donkere magie die me verstikt. Neem de wimpel in mijn toren en vernietig hem. In ruil daarvoor vertel ik waar je de sleutel van de bovenste torenkamer kunt vinden.’ Voor die bovenste kamerdeur had hij inderdaad nog geen oplossing gevonden. ‘O goede hemel, waar?’ dacht Udo, die overal naar aanwijzingen had gezocht. De schim kwam naderbij en Udo zag dat hij ketens droeg, maar in zijn heldere ogen stond hoop te lezen. ‘Achter de vierde witte steen, links bij het binnenkomen van de eerste torenkamer. Je zult merken dat hij losser zit dan de andere. Ik zorg ervoor dat niemand je achtervolgt. Vooruit, laat het de dag van Rothenburg en mijn bevrijding zijn!’ Toen verscheen de wimpel, verteerd door een gloed van vlammen. Badend in het zweet schrok Udo wakker. ‘De wimpel!’ hijgde hij onrustig. Hij moest even bekomen en ging rechtop zitten. De vieze geur van het looibad was in zijn laken getrokken en leek hem te hebben bedwelmd. ‘De geest van Toppler? Zijn hulp kan ik wel gebruiken,’ dacht hij. ‘Hij kent het Topplerschlösschen op zijn duimpje.’ Udo stond op; hij kon niet wachten om aan zijn snode plan te beginnen. Er was natuurlijk geen denken aan de gegeerde wimpel zomaar in het vuur te gooien, te begraven of wat dan ook. Hij kon geen rechtvaardig beleid afdwingen zonder wimpel. # Leonhard de Beveler knaagde aan een brokje lamsbout in zijn luxe-residentie Herzogenhorn, diep in het Zwarte Woud. Hij lag in de armen van zijn harem, in een kamer vol spiegels die zijn wellust in veelvoud weerkaatste. In elke hoek van de kamer stond een lijfwacht met laarzen van stierenleer. De stenen vloer was bedekt met zacht mohair en andere pelzen-tapijtjes. Leonhard was verzot op fijn gepolijst leer: stoelen en wanden waren ermee bekleed, soms ingelegd met metalen nagels of een reliëf van symbolen. Op zijn hoofd droeg hij zijn geliefde muts van mollenleer. Hij liet zich zoete wijn inschenken in een zeldzame waterbuffel-drinkhoorn. Andere hoornen en geweien hingen als trofeeën aan de muren. De geur van vers geschoten vlees, bessensaus en gestoofde peertjes walmde door het geparfumeerde, maar vochtige kasteelvertrek. Hij peuterde met een stokje een stukje vastgeraakt reebokborst van tussen zijn rotte tanden en liet zijn hoorn met likeur bijvullen. Zijn wangen waren paars-rood en opgezwollen. Hij staarde vreemd voor zich uit. In zijn dronken roes kwam de schaduw van Toppler hem voor de geest en sprak hem streng aan. Leonhard schaterde: ‘Ik droom!’ Maar het lachen verging hem snel. ‘Vandaag nog zal een kreupele je gelijke zijn,’ waarschuwde de geest. Een spiegel sprong stuk. Leo ontwaakte tussen de glasscherven. ‘Wat moet die verdomde Toppler in godsnaam van mij?’ Hij pakte enkele druiven om de droom weg te werken en schaakte een zinloos partijtje met een van de vrouwen. Hij kon Toppler niet uit zijn hoofd bannen. ‘Hoe durft dat oude spook me te achtervolgen! Mijn verblijf op Herzogenhorn is naar de vaantjes! Breng me terstond naar Rothenburg,’ bralde hij. ‘Ik wil weten waarom Toppler me zo plaagt, er is iets op til. Er wordt niet gesold met de Beveler.’ Hij duwde de zo goed als ontblote dames met een ruk van zich af en brulde zijn bevelen aan de lijfwachten: ‘Span de paarden! Mijn mantel!’ De dames trachtten hem te kalmeren met nog wat wijn. ‘Geen wijn. Breng me mijn mantel en laarzen.’ Zijn favoriete geitenleren kaplaarzen werden onmiddellijk voor zijn voeten gezet. Zijn lijfwachten renden naar de koetsen. ‘En stuur met het rapste paard een bode naar de koning! Je weet maar nooit met opstandelingen. Kort houden!’ # Inneke stond in de steeg achter de werkplaats. Ze staarde naar de kloven in haar handen. Haar fragiele huid was opengereten door het broeien, verscheurd als door de nagels van een roofdier. Ze rook de lucht van kalk en urine. In de verte, tussen de nevelen boven de Tauber, werd de Topplertoren zichtbaar. ‘O Heer,’ bad ze, ‘hoelang moeten wij de wimpel van die smerige gier nog verdragen? Heer, zie ons aan …’ Daarop verscheen ook aan haar de geest van Toppler. ‘Inneke, ik breng je hoop. De wimpel is slechts een stukje stof, niet meer dan een ridderlijk vaantje, waarvan er nog een berg in mijn kist liggen. In mijn woontoren, in de benedenburcht, vind je hem. Deel de vaantjes uit, verspreid ze onder alle burgers. Het is mijn diepste wens. Niet één heerser is op komst, maar duizenden wimpels die trots in de wind wapperen. Ik breng je ware hoop op vrijheid. Ik weet dat die ook in jouw hart leeft.’ De bronzen klok sloeg het uur en haalde Inneke uit haar gebed. Haar hart begon sneller te slaan. Haar handen konden geen broodmes meer vasthouden, maar vaantjes uitdelen, dat konden ze! Ook Udo zou er blij mee zijn. Ze voelde dat de sleutels van de verandering haar waren toevertrouwd, vergat de pijn in haar handen en stapte met bevlogen tred richting de Taubertalweg, waar de toren in vreemd maanlicht tussen de dampen oplichtte. Had God haar de geest niet gestuurd? Een vrije stad … Een gelukkig leven met Udo … # Udo had zonder moeite de witte steen losgewrikt. Hij hield de zware gietijzeren sleutel in de hand en klauterde de stenen trap op. Adrenaline gierde door zijn aderen. Hij vergat elke pijn. De wimpel was nu heel dichtbij. De gedachte dat hij eindelijk recht kon doen aan al wie hem jaren in de weg had gestaan was heerlijk. Gedaan met de kerels die hem ooit tegen de kar hadden geduwd. Gedaan met collega’s die hem vernederden en hem steeds de hardste stukken leer toeschoven. Hij werd koortsig. De trap leek wel te draaien, of was hij het zelf die draaierig werd? Hij rustte even uit en zette dan zijn tocht voort. Daar was de deur van de bovenste kamer! ‘Klik.’ De sleutel draaide vlot in het slot. Hij zocht het luikje en opende het gretig. De wimpel waaide hem tegemoet. Hij trok hem van de mast en hield hem glunderend voor zijn borst. Het was zover! Grootheidswaan maakte zich van hem meester. Zijn vingers omklemden het stukje zijde alsof het een levend wezen was dat elk moment kon ontsnappen. ‘Alles is nu mogelijk. Rothenburg ligt in mijn handen.’ ‘In jouw greep. Je bent almachtig,’ galmde de stem van Toppler tussen de kantelen. ‘Spring als de reddende engel die je bent. Spring van de toren, ik geef je vleugels.’ Beneden glinsterde de rivier als een slang van kwik. ‘Doe het!’ In zijn delirium stapte Udo naar voren en sprong met een heuse salto de lucht in. Hij zag zijn toekomst voor zich: Inneke naast hem, dienend, aan zijn wil onderworpen. Dankbaar, vlijtig en gelukkig. De looierslieden die hem gehoorzaamden en bewonderden voor zijn moed en … PLETS. De stroom nam hem met zich mee. Hij tolde in de kolkende armen van de zilveren Taubervloed en snakte naar adem. De wimpel, waar hij zo naar had gehunkerd, ontglipte hem. # Al gauw werd in de binnenstad de opstand voelbaar, nu de vertrouwde wimpel niet meer boven de toren hing. Inneke zag het allemaal gebeuren. Ze had gedaan wat de geest gevraagd had. Een aantal burgers liep fier met vaantjes te wapperen, andere mensen vreesden het tumult en durfden hun huizen niet uit. ‘Leve Rothenburg!’ riepen sommigen. ‘Weg met Leonhard!’ schreeuwden anderen. Het lynchen van de Beveler werd grondig voorbereid. Groepjes mannen trokken met allerlei wapens die niet onderdeden voor een goedendag naar de stadsrand. Hun schraapmessen en ander tuig joegen Inneke angst aan. Was dit de bedoeling van de geest? Ze vond het vreemd dat ze Udo nergens kon vinden. # Twee dagen lang trappelden paardenhoeven onstuimig op de modderige wegen, langs beekdalen en tussen wijnhellingen. ‘Daar wappert de wimpel van Rothenburg. In de weilanden loopt iemand met onze wimpel. Word wakker, mijn Heer,’ klonk het in de koets van Leonhard, die voorop reed. De typische roodbruine daken en torens van Rothenburg ob der Tauber doemden op. ‘Verduiveld, de wimpel! En ginds nog één, mijn Heer.’ ‘W... Wat heeft dit te betekenen?’ vroeg Leonhard ontzet, de ogen nog vol slaap. ‘Stap uit en ga hen te lijf met je zwaard.’ De koets kwam tot stilstand; een knecht en een lijfwacht sprongen eruit. Ook de andere koetsen stopten. Er stegen kreten van verbazing uit op. ‘Schiet op, klungels, steek al wie met vaantjes wappert neer. We maken hier snel een einde aan!’ Tot zijn verbijstering zag hij steeds meer mensen met vaantjes, te veel misschien om te doden, met het kleine gevolg dat hij bij zich had. De helft bestond uit schaars geklede vrouwen die in de achterste koetsen op hertenvellenzitjes lagen te slapen. Hoezeer hij hen ook liefhad, op dit moment had hij niets aan hen. Hij stapte uit de koets en maande de mannen in de andere rijtuigen aan alvast te proberen in de weilanden orde op zaken te stellen. Een naargeestig gevoel bekroop hem. ‘Verder naar het Topplerschlösschen.’ Hij moest zien wat daar aan de hand was. Hopelijk hoefde hij de koning geen leger te laten sturen. Hij stapte weer de trede op; het rijtuig zette zich in beweging. Steeds sneller ging het, tot de koets na een scherpe bocht op een kar stootte. Die was midden op de weg gezet. De koets viel om en Leonhard de Beveler tuimelde eruit. Even zag hij de wimpel – de echte wimpel – wapperen voor zijn geestesoog. Daarna zag hij alleen zwart. # In de stad was er geen gejoel meer. Inneke lag dagenlang te slapen op het plein, zot van vreugde, zat van hoop. ‘Het is volbracht!’ hoorde ze de geest van Toppler in haar dromen zingen. ‘Udo is voor Rothenburg een heldendood gestorven en jij hebt de vaantjes uitgedeeld. Laat het volk vrijheden vragen aan de vorsten.’ De geest loste op. Hij zou zich niet meer vertonen. Het liep helaas anders. Had de geest Inneke en Udo voorgelogen? Kon de vrijheid van het volk hem geen moer schelen? Was hij alleen op wraak uit? Inneke wist niet meer wat te denken. # Zware voetstappen galmden op het plein. Na zes dagen en nachten van rumoer probeerden de soldaten van de koning de orde in de stad te herstellen. Inneke ontwaakte ruw in haar pis. Toen ze net als de andere burgers ondervraagd werd, antwoordde ze: ‘Ik heb de vaantjes uitgedeeld in opdracht van … van Udo. Hij heeft me naar de kist in de benedenburcht gebracht; het was zijn idee.’ Wat moest ze anders? Wie zou een warrig verhaal over een geest geloven? Rothenburg had nu Udo nodig – of althans, waar hij voor stond. ‘En de kar op de weg?’ De soldaat kneep zijn ogen tot spleetjes. ‘Udo,’ zei Inneke, ‘hij heeft alles geregeld.’ # Enige tijd later ging iedereen in de door het leger bewaakte werkplaats weer aan de slag. De mensen verversten zwijgend de looibaden. Toen het werk klaar was, klonk er eerst zacht, daarna steeds luider applaus. Vooral voor Udo, de held van de stad, maar ook voor Inneke, die nu bij haar collega’s bewondering had afgedwongen. ‘Laten we Udo blijven gedenken,’ klonk het in koor. ‘Misschien,’ dacht Inneke, ‘was de opstand niet voorbij.’ Letters dansen voor mijn ogen, ik wrijf erin, ze wriemelen nog steeds als ik ze weer open.
‘Wat is dit?’ Ze gaan opzij, steeds verder, tot een lege plek zich vormt in het centrum. Geschrokken leun ik achterover, net op tijd om een vrouw in het midden te zien opduiken. ‘Wie ben jij?’ Ze fronst. ‘Herken je mij niet? Jij hebt mij gemaakt.’ ‘O.’ ‘Maar ik ben het niet eens met hoe je mij neerzet. Ik ben geen koude bitch. Ik heb ook gevoelens. Wil je daarmee rekening houden?’ ‘Eh, ja.’ ‘Oké.’ Een boze blik, dan ze is weg. Na mijn werk sluip ik door de straten. Ik heb er een genoegen in mensen de stuipen op het lijf te jagen. Zodra ze maar een glimp van me opvangen, staan ze doodsangsten uit. Ze zijn ervan overtuigd dat hun laatste uur geslagen heeft. Toch vluchten ze, al beseffen ze goed genoeg dat ontsnappen onmogelijk is. Aan de dood ontkomt niemand.
Ze weten niet dat mijn werk erop zit en er dus niets te vrezen valt. Wat er morgen op mijn programma staat, is natuurlijk weer een heel ander verhaal. Ik mag toch ook een pleziertje hebben, nietwaar? Leegte waarin tijd verdwijnt
Draait me plotsklaps om Blokkeert zo gauw ik ein-de-lijk vat Dat ik ben waar ik nooit kom Ik schrijd, duikel en jaag Vlucht richting volle maan Vrees dat waar ik ook wend Het me niet meer zal laten gaan De diepte, daar zal ik zijn Waar licht de dag ontwijkt Allesverslindend monster zonder haar Ieder die hem ontmoet bezwijkt Ik stuit, besef en straal Neem wat is om me heen Weeg mijn duistere schijn Dwaal samen, al zij het alleen Dit gedicht werd ingezonden voor de dichtwedstrijd 'De Ontmoeting'. |