Out of this World
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch

VERHALEN

Johanna Lime - Een betoverende stem

21/2/2024

0 Opmerkingen

 
Het nieuwe jaar begon goed. Ik was nog maar net afgestudeerd als keel-, neus- en oorarts, of ik kreeg een goede baan aangeboden in Havenziekenhuis Deltamere. Over de hele wereld hoog aangeschreven. Hier werden zeelieden behandeld die alle zeven wereldzeeën hadden bevaren en in alle windstreken waren geweest. De skyline van het bedrijvige havengebied bestond uit reusachtige containerschepen en hoge kranen, die de handelswaar verdeelden over kleinere rivieraken. Zij brachten de goederen het achterland in.
In zo’n plaats als Deltamere, waar alle nationaliteiten bij elkaar kwamen, waren poliepen op de stembanden, neuskwalen of gehoordefecten aan de orde van de dag. Ik was dus erg in mijn nopjes met mijn aanstelling.
Peter Gangmaker, de vorige KNO-arts, wees mij de weg op de afdeling die hij binnenkort zou gaan verlaten. Ik luisterde verbluft naar zijn verhalen, over de meest onwaarschijnlijke ziektegevallen die hij tijdens zijn loopbaan had meegemaakt.
‘Als dit werk u zo aanspreekt, waarom stopt u er dan mee?’ vroeg ik hem.
‘Geloof me, meneer Rietzanger, als je zo oud bent als ik, wil je graag met pensioen,’ was zijn antwoord.
‘Noem me Arnold, alstublieft,’ smeekte ik, omdat hij mij zelf bij onze kennismaking op het hart gedrukt had om hem Peter te noemen. ‘We zijn tenslotte collega’s onder elkaar.’
Hij grijnsde en gaf me gelijk. Ik merkte al snel dat het klikte tussen ons, gefascineerd als we allebei waren door kelen, neuzen en oren. De rondleiding over de afdeling was een ontdekkingsreis voor mij, die tot mijn grote verrassing uitliep in de vervulling van mijn tweede wens. Behalve een interessante baan kreeg ik ook nog een prachtig huis. Peter vertrok naar Spanje, hij verkocht zijn huis in Deltamere aan mij. Ik kon mijn geluk niet op.
 
Nadat ik was ingewerkt als de nieuwe KNO-arts van het Havenziekenhuis zat de wachtkamer iedere dag stampvol met patiënten. Ze kwamen voor een behandeling speciaal naar Deltamere. Ik maakte lange werkdagen en had maar weinig vrije tijd. Mijn carrière verliep zoals ik het me had voorgesteld. Toch had ik nog één grote wens over: het stichten van een gezin. Na een geweldige baan en een heerlijk huis, wilde ik graag de mooiste vrouw van de wereld ontmoeten, om mee te trouwen. Pas als deze derde wens ook uitgekomen was, zou ik echt alles hebben wat mijn hart begeerde. Maar waar vond ik de mooiste vrouw van de wereld, als ik iedere dag druk in het Havenziekenhuis aan het werk was? Ik had weinig tijd en energie over om er nog op uit te trekken. Het zou erg toevallig zijn als de vrouw van mijn dromen op een dag mijn behandelkamer in zou lopen. Maar ik maakte me voorlopig geen zorgen. Ik was nog jong en ooit zou mijn derde wens ook uitkomen, daar vertrouwde ik op.
Soms liet ik mijn blik weleens door de drukke wachtkamer glijden, waar behalve ruige zeebonken ook wel vrouwen zaten te wachten op een behandeling. Geen van hen kon echter tippen aan het ideaalbeeld dat ik voor ogen had. De een had te ver afstaande oren, de ander een ongeïnteresseerde blik en weer een ander een haakneus. Om over hun stemgeluid nog maar niet te spreken. Nee, ik moest echt geduld oefenen voordat mijn derde wens vervuld kon worden.
 
Alles veranderde met een slechtgehumeurde schipper van een kleiner schip. Op een dag zat hij in de wachtkamer en ik schrok van zijn bulderende stem. Het geluid klonk zelfs door de deur van mijn behandelkamer, alsof er op een misthoorn geblazen werd: ‘Hoelang duurt het nog voordat ik bij dokter Rietzanger word toegelaten? Ik zou om twee uur worden geholpen. Het is nu al drie kwartier later!’
Het zou niet de eerste keer zijn dat er iemand uit de wachtkamer zijn geduld kwijtraakte. Soms had ik gewoon meer tijd nodig voor mijn onderzoeken, die ik zo secuur mogelijk deed. Vol spanning wachtte ik af wat er ging gebeuren.
Een man met een kapiteinspet en een volle baard stormde achter mijn assistente aan naar binnen. De vogel die op zijn schouder zat gaf mij direct de associatie met een piraat. Hoewel het geen krijsende papegaai was maar een wonderschone sneeuwuil, die de snavel dicht hield. De klauwen van het dier grepen zich vast in de epauletten van zijn overjas. Rond de poten van de uil merkte ik vreemde schitteringen op, die leken de ketenen van een gevangene.
Ik had echter geen kans om me nog verder over deze vreemde verschijning te verwonderen, aangezien de schipper bulderde: ‘Kunt u mijn oren nakijken? Ik voer heen en weer naar Duitsland en werd bij de Lorelei aangetrokken door de betovering van gezang. Mijn gevecht met de feeks maakte dat ik doof werd.’
Ik stond perplex. Had deze ruwe kerel werkelijk gevochten met de Lorelei? Maar dat was toch geen feeks? Voor zover ik wist, was Lorelei een waternimf, een prachtige vrouw. Ik wilde er graag meer over weten, maar de schipper hield zich verder stil.
‘Als u uw jas even uittrekt, zal ik u onderzoeken,’ zei ik en gebaarde hem naar de kleedkamer.
‘Wat blief?’ vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen. Hij hoorde niet wat ik zei, dus schreef ik het op een briefje en hield het voor hem omhoog.
Het onderzoek volgde. De prachtige witte uil bleef in de kleedkamer achter toen de man in de onderzoeksstoel plaats nam.
Ik bekeek zijn gehoorgangen, maar kon geen enkel defect vinden. Zijn trommelvliezen waren niet gescheurd, hij zou gewoon moeten kunnen horen. Ik begreep niet hoe deze man doof kon zijn en zou bijna geloven in een magische verklaring. Kon zijn verhaal dan toch kloppen? Had de nimf hem betoverd? Ik dacht erover na en schudde mijn hoofd. Dat was niet bepaald een wetenschappelijke conclusie. Het enige wat voor de hand lag, was dat de geluiden niet door zijn hersenen werden geregistreerd. Daarom verwees ik hem door naar de neuroloog, voor het maken van een EEG. Om hem dit duidelijk te maken, schreef ik het voor hem op.
De schipper was niet tevreden. Hij trok mopperend zijn jas weer aan, nam de verwijzing mee en verliet de behandelkamer met de uil, zittend op zijn schouder.
Ik keek hen verbijsterd na. Kon het waar zijn dat hij had gevochten met de Lorelei en dat ze hem daarom doof had gemaakt? Ik wist dat Peter, de KNO-arts voor mij, ook vreemde gebeurtenissen had meegemaakt, maar dit leek nog veel gekker dan de verhalen die hij mij had verteld.
Tijdens een korte pauze bewonderde ik zoals gewoonlijk het uitzicht op de stad. In de verte zag ik de schipper naar de haven lopen, met de uil vliegend boven hem in de lucht. Tussen hen in was er een wonderlijke verbinding, alsof de vogel met een magische keten, waar de schitteringen vanaf kwamen, vast gehouden werd. Dit wekte mijn nieuwsgierigheid. Was de uil in werkelijkheid een prachtige waternimf? Hier moest ik meer van weten!
 
Na werktijd vertrok ik naar de haven in plaats van naar mijn huis. Ik ging op onderzoek uit.
Langs de havenkade lagen verschillende rivierschepen aangemeerd, maar nergens zag ik iets bekends. Ik liep langs hoge containers en na tien minuten, een kwartier, realiseerde ik me dat ik nergens een aanknopingspunt voor mijn zoektocht zag. Ik wilde al bijna teruggaan toen ik hem zag lopen: de schipper met zijn baard en pet. Hij liep door het gangboord van zijn binnenvaartschip en controleerde de lading en de trossen.
Ik klom aan boord, erop lettend dat hij met zijn rug naar mij gekeerd was en hij me niet zou zien. Horen kon hij me niet en dat was maar goed ook. De tikkende geluiden van mijn eigen voetstappen op de loopplank en het gangboord naar de kajuit zouden me anders vast hebben verraden.
Met een wild bonzend hart greep ik het handvat van de deur vast en drukte de klink omlaag. Rap stapte ik de kajuit in, op zoek naar de prachtige sneeuwwitte uil. Mijn adem stokte toen ik niet de vogel voor mij zag, maar een wonderschone vrouw met prachtige goudblonde haren en ogen als blauwe diamanten. Ik stond als aan de grond genageld: dit was de vrouw die ik me had gewenst!
Ze reageerde geschrokken en gebaarde wild naar de uitgang.
‘Wie ben je?’ vroeg ik.
Ze duwde me naar de deur. Ik moest zo snel mogelijk weg.
Zodra ik naar buiten kwam, hoorde ik hem door het gangboord aan komen lopen. Zijn bulderende stem klonk door de avond: ‘Siri, het is bedtijd!’
Net voordat hij de bocht om kwam kon ik me achter de kajuit op het achterdek verschuilen. Het bloed ruiste langs mijn oren, ik had het warm door de spanning. Misschien nog wel meer door de herinnering aan de betoverend mooie vrouw. Hoe kon het zo zijn dat er nu ineens een vrouw bij de schipper was? Waar was de uil gebleven?
De vragen stroomden door mijn brein, mijn hoofd sloeg op hol. Was Siri zijn dochter? Of was ze een nimf? Hoe kon het zo zijn dat de schipper macht over haar had en haar als een klein meisje naar bed kon sturen?
Ik zat weggekropen op het achterdek en dacht er lange tijd over na. Het werd later en later, de lucht werd steeds donkerder. Net toen ik besloot om naar huis terug te gaan en voorzichtig in de richting van de loopplank sloop, zag ik een raam opengaan.
De vrouw stak haar hoofd naar buiten en wenkte me.
‘Ben jij de dochter van de kapitein?’ fluisterde ik.
Ze schudde haar hoofd en zei niets, trok zich terug in haar slaapkamer. Even later stak ze een briefje naar buiten, waarop stond: ‘Ik ben Siri. We hebben onder aan de berg langs de Rijn gevochten. De schipper heeft me mijn stem afgepakt, hij houdt me gevangen. Mijn stem zit onder een glazen stolp in zijn stuurhut. Kun je hem bevrijden?’
Ze was zo betoverend mooi, precies wat ik me wenste als vrouw. Wat kon ik anders dan haar wens vervullen, in de hoop dat zij de mijne zou willen vervullen?
 
Net voorbij de deur van de kajuit bevond zich de trap die naar de stuurhut leidde. Ik rende erop af en klom omhoog. Maar de deur was dicht.
‘Wie is daar?’ brulde de schipper. Hij had mij vast langs het raam van de kajuit voorbij zien lopen en stormde naar buiten.
In paniek ramde ik tegen de deur, waardoor de sponning kraakte. Nog een keer zette ik mijn schouder tegen het hout en de deur naar de stuurhut schoot open. Op een plank naast het stuurwiel stond de stolp. Onder het glas zweefde een wit wolkje rond, dat nog het meest leek op adem die werd uitgeblazen in de vrieskou. De stem van de Lorelei?
De schipper was intussen de trap op gedaverd en greep me vanachter bij mijn armen vast.
Ik duwde met kracht mijn ellebogen in zijn lijf en reikte naar voren naar de stolp. Mijn lichaam draaide en wrong zich los, ondanks dat de razende man me op alle mogelijke manieren tegen probeerde te houden. Het lukte me net om de stolp op te tillen. Het witte wolkje schoot eronder uit en vloog de stuurhut rond, om vervolgens rakelings langs mijn hoofd de deur uit te schieten. Intussen was ik in een heftig gevecht geraakt met de schipper en vreesde ik voor de stompen die hij mij keer op keer uitdeelde. Hoe kwam ik ooit uit deze benarde situatie? De man was veel sterker dan ik.
Een fel gekrijs klonk door de nacht. De greep van de schipper op mijn lichaam verslapte, nadat hij van achteren aangevallen werd.
De witte uil vloog op de man af die haar gevangen had gehouden, en zette haar klauwen in zijn schouders. Ze klauwde zijn wang open, waardoor hij om zich heen in de lucht sloeg en zijn evenwicht verloor.
Precies genoeg voor mij om hem opzij te duwen en snel de stuurhut uit te komen. Ik rende de trap af en vervolgens de loopplank over naar de kade.
‘Siri, wel voor de drommel, hoe kom jij vrij?’ hoorde ik achter mij roepen.
De kapitein kwam wankelend de stuurhut uit, bloed stroomde langs zijn wang. Hij liep naar de kajuit en ging naar binnen.
De uil krijste en vloog op mij af. Samen gingen we er snel vandoor.
Ik rende over de kade en kwam langs de plek waar de grote zeecontainers stonden.
De uil vloog tussen de containers door en aan het einde ervan was ze veranderd in de prachtige vrouw met het goudblonde haar en de stralende blauwe ogen. Haar stem galmde langs de kade, ze zong betoverend mooi.
‘Wil je mijn vrouw worden?’ vroeg ik haar. ‘Ik wenste altijd al iemand zoals jij.’
Ze lachte haar betoverende lach. ‘Dat is precies wat ik altijd al wilde, trouwen met een gewone man. Een gewoon gezin, een vrouw zijn met een ziel.’
‘Was je dan echt een waternimf?’
Ze knikte.
Ik keek bezorgd achterom. ‘Maar wat als hij je terug wil hebben?’
‘Dat laten we niet gebeuren.’
Ik lachte vrolijk en trok Siri mee naar mijn huis.
Al onze wensen kwamen uit.
 
 Dit verhaal won de tweede prijs van de verhalenwedstrijd 'de wens'.
0 Opmerkingen

Je opmerking wordt geplaatst nadat deze is goedgekeurd.


Laat een antwoord achter.

    Inhoudstafel fictie
    Oproep verhalen
    AI-gegenereerde fictie
Powered by Maak je eigen unieke website met aanpasbare sjablonen.
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch