Out of this World
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch

VERHALEN

Ruben De Baerdemaeker – Auto da fé

20/2/2024

0 Opmerkingen

 
Hoe groter het onevenwicht, hoe meer het offer moet doen lijden. Goud is nu eenmaal zwaarder dan lood en in de weegschaal van het lot is betekenisloos gewicht van geen tel. De jongere generaties hebben die les nooit geleerd. Ze hebben geen enkele oorlog meegemaakt, ze gaan niet naar de kerk, ze hebben nooit honger gehad. Ze begrijpen niet dat niets zwaarder weegt dan lijden, en het is hun onbegrip dat hen radeloos maakt.
Nu moet ik toegeven dat de eerste droge winter ook mij verraste. Zeventig winters had ik meegemaakt in dit dorp, en in mijn herinnering was er altijd sneeuw. Regen ook, natuurlijk – het leven is geen postkaart. Maar in de diepste winter trokken de bergen hun dikke jas aan, zoals mijn moeder het zei. De toppen in de verte zogen de wolken naar zich toe en hielden een witte laag vast, en we wisten allemaal: de sneeuw komt.
Op mijn leeftijd wordt iedereen nostalgisch. El viejo begint weer, zie ik ze denken als ik vertel hoe we als kind sleeën probeerden te maken van planken die we vonden in de schuur, hoe we ons warm speelden in de sneeuw en onze kleren droogden naast het haardvuur. Enkel Esperanza, mijn oogappeltje, mijn kleindochter, kijkt me met grote ogen aan en krijgt maar niet genoeg van mijn verhalen. 'Vertel, abuelo Ignacio!' roept ze en komt al op mijn knieën gekropen. Sneeuw heeft ze nog nooit gezien.
De eerste droge winter werd druk besproken in de taverna van Fulgencio. Het was een nieuwigheid; een uitzonderlijke gebeurtenis die maanden duurde maar niet meteen gevolgen had. Toeristen kwamen in de winter toch maar zelden naar hier. De skipistes zijn te veraf, en de vakantiehuisjes en pensions die we de laatste jaren hadden gebouwd omdat met schapen, runderen en landbouw niet veel meer te verdienen valt, stonden tussen oktober en april even leeg als de weiden en de velden om het dorp.
Maar toen de regen ook in de lente niet kwam, vielen de gesprekken stil. Toen de fruitbomen, net in blad komend, vergeelden en afstierven, toen de wilde rivier een bruinig beekje werd en de jongens geen forellen meer visten, groeide de ontreddering. Zelfs de beesten merkten dat er iets fout was: er werden minder kalveren en lammeren geboren, dat jaar. De toeristen merkten niets. Zij namen het dorre, bruine landschap voor lief, en de tankwagens met water kwamen ‘s ochtends vroeg als zij nog sliepen.
In de herfst zou het zeker regenen, maar het regende niet. Een onmogelijke tweede droge winter werd mogelijk, werd waar. De lente kwam, de regen kwam niet. Zelfs de verweerde oude naaldbomen kraakten en waaiden om, het wild verdween langzaam uit de bossen. Alleen de wolven waren er nog, en huilden van de honger of lachten met onze ellende.
'We zouden een offer moeten brengen.'
'Ha ja, een offer. Magnifiek idee, Ignacio. Ik neem het op als variapunt aan het einde van de vergadering.'
De sfeer in de taverna was bitter, cynisch – het laatste masker van de radeloosheid. En naar mij luistert hier niemand. Geen geld, geen invloed – al helemaal niet op die vergadering, waar mannen die nog nooit in dit dorp waren geweest ons kwamen vertellen dat we geen water mochten verspillen. Alsof we dat nog niet wisten.
Bij dageraad haalde ik het schaap uit de stal en nam het mee naar het bos. Het volgde me als een wollig hondje, blind vertrouwend op de oude Ignacio die altijd eten en nooit slaag gaf. Zelfs toen ik het beest aan een boom vastmaakte, gaf het geen kik. Het begon pas te blaten toen ik uit het zicht verdwenen was. Laat het regenen, God, laat het regenen.
Die middag kwamen de wolken opzetten. Dikke, grauwe wolken, zwanger van regen. Maar de regen viel niet, en de hemel dreigde slechts. Toen ik aan Fulgencio vertelde wat ik gedaan had, lachte hij me niet uit. Hij zweeg bedachtzaam en nam me mee naar de stal. Bij valavond namen we zijn oude koe mee naar het bos. Als bij wonder kwamen we niemand tegen. We bonden het beest vast, niet ver van waar de afgekloven botten van het schaap wit schemerden in het halfduister. Een enkele kraai keek op ons neer en kraste.
De volgende dag regende het. De dorpsbewoners kwamen naar buiten alsof ze nog nooit regen gezien hadden. Ze feestten in de regen, ze werden nat tot op hun huid, en toen het donker werd, regende het nog steeds. Ze trokken droge kleren aan en feestten verder in de taverna.
Zo werd mijn offer aanvaard, zo ging mijn wens in vervulling. Zo begon onze kwelling pas echt. De regen waar we zo naar hadden verlangd hield niet meer op. In de eerste dagen waren we dankbaar voor elke druppel, maar het vat van onze dankbaarheid liep al snel vol en stroomde over samen met de rivier die hoger en hoger op haar oevers kroop en de wegen buiten het dorp onbruikbaar maakte.
Diegenen die gezaaid hadden bij het vallen van de eerste druppels zagen het zaad samen met de vruchtbare aarde wegspoelen. De runderen die gulzig het eerste water uit hun drinkbakken hadden gelikt, gleden weg in de modder en sjokten met besmeurde flanken terug naar hun stal. De forellen kwamen niet terug. De wolven scholen in het bos.
Na al die tijd droogte bleken onze huizen niet in staat het overvloedige water buiten te houden. Het vond zijn weg tussen dakpannen en spleten, het trok in de muren en het pleisterwerk, het kwam naar binnen aan de zolen van laarzen en nestelde zich klam in koude bedden.
'Abuelo Ignacio, wat deden jullie vroeger als het regende?'
'Dan speelden we binnen spelletjes, of we gingen toch naar buiten en speelden in de regen.'
'Maar, abuelo, we hebben al alle spelletjes gespeeld. En naar buiten mag ik niet van mama omdat er overal modder is.'
Ik kon niet anders dan me afwenden van Esperanza. Wat zeg je tegen een kind dat zonder het te beseffen verzuipt in de miserie die jij hebt veroorzaakt?
Na een maand bleek de regen een nog grotere gesel dan de droogte. De rivier sleurde bomen met zich mee. Op sommige dagen leek ze de aarde zelf mee te dragen, zich ermee te vermengen. De grond verschoof, muren scheurden, huizen verzakten. Enkele van de lege vakantiehuisjes werden door het wassende water dubbelgeplooid, en oude schuren begonnen onmiskenbaar weg te rotten.
De taverna werd elke avond leger, net als het dorp zelf. De meeste jongeren waren door de droogte al – tijdelijk – vertrokken om te gaan werken in de vlakte, of in de stad. Zij kwamen nu niet terug. De ouderen bleven binnen en probeerden het vocht uit hun huizen en de kou uit hun botten te verdrijven door de laatste droge houtblokken op te stoken in de haard. Op een avond in april vond ik Fulgencio moederziel alleen in zijn kale, afgeleefde maar schone café aan de kerk.
'We moeten wel, Fulgencio. Wat anders?'
'Misschien hebben de anderen wel gelijk, Ignacio – je bent gek.'
'Gek? Gek zou zijn om gewoon verder te doen alsof alles vanzelf goedkomt. Geloof je daarin, dan?'
'Het is de vorige keer ook goed gekomen.'
'Je weet hoe dat gebeurd is!'
'Nee, dat weet ik niet, Ignacio. Ik weet helemaal niets. En jij ook niet. Ik weet alleen dat ik al twee jaar bijna niets verdiend heb, dat al mijn gewrichten pijn doen, en dat dit klotedorp uiteenvalt.'
'Dit klotedorp is waar ik geboren ben, Fulgencio. Jij trouwens ook.'
'Ik ben er geboren, maar ik weet niet of ik er nog wil sterven.'
Hij wreef de brandschone toog nog schoner.
'Mijn zoon en zijn vrouw hebben allebei een baan in de stad. Ze hebben er een huis. Er is ook plaats voor mij.'
Hij keek me niet aan. Ik dronk mijn glas leeg en zette het op de toog. Een vochtige kring tekende zich af op het hout.
'We doen wat we moeten doen, Fulgencio.'
Ik trok de deur achter me dicht.
De hele nacht luisterde ik naar het ruisen van de regen en het getik van druppels. Toen de zon opkwam en de duisternis iets lichter werd, stond ik op. Ik scheerde me traag en zorgvuldig en trok een vers hemd aan en mijn oude regenjas. Esperanza roerde zich in haar bedje; weldra zou ze wakker worden, hongerig en eindeloos nieuwsgierig.
De poort van het kerkje is altijd open. Ik stak er een kaars aan bij het mariabeeld. Bid voor ons, arme zondaars. Het kerkje rook muf, naar vocht en wierook. Bij het opstaan kraakten mijn knieën.
Het ochtendlicht is nu forelgrijs en de straatstenen blinken als schubben. Mijn laarzen vinden vaste grond tot aan de rand van het dorp en glibberen dan het bospad op. Hier is al weken niemand meer geweest. Mijn sporen zijn slechts vuile vegen die gauw weer zullen worden uitgewist. Ik aarzel niet; de wolven wachten. Laat het ophouden met regenen, alstublieft.

​Met dit verhaal won Ruben de verhalenwedstrijd 'de wens'.
0 Opmerkingen

Je opmerking wordt geplaatst nadat deze is goedgekeurd.


Laat een antwoord achter.

    Inhoudstafel fictie
    Oproep verhalen
    AI-gegenereerde fictie
Powered by Maak je eigen unieke website met aanpasbare sjablonen.
  • Home
  • FICTION
  • Interviews
  • Agenda
  • BOOKS
  • FILMS
  • MUSIC
  • COMICS
  • Van deze wereld
  • Academie van fantastiek
  • Reel van de Fantastische Unie
  • SF-Cafes
  • Niet van deze wereld
  • EC Bertin
    • EDDY C. BERTIN✝
    • Eerbetoon
  • Alfons Maes✝
  • Wie we zijn
  • Get In Touch